NJ 1990, 7
HR, 28-02-1989, nr. 83940E
HR 28-02-1989, ECLI:NL:PHR:1989:AD0658
- Instantie
Hoge Raad (Strafkamer)
- Datum
28 februari 1989
- Magistraten
Bronkhorst, Van Den Blink, Beekhuis, Keijzer, Govaerts, Meijers
- Zaaknummer
83940E
- LJN
AD0658
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Bijzondere onderwerpen
Onbekend (V)
Materieel strafrecht / Sancties
Bijzonder strafrecht / Economisch strafrecht
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:1989:AD0658, Uitspraak, Hoge Raad (Strafkamer), 28‑02‑1989
ECLI:NL:PHR:1989:AD0658, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 28‑02‑1989
- Wetingang
WED art. 28
Essentie
Bevoegdheid officier van Justitie tot bevelen van voorlopige maatregel ex art. 28 Wet Economische Delicten (WED).
Samenvatting
Uit het systeem van de WED, in het bijzonder art. 28 lid 1 en 3 jo. art. 32 lid 1, vloeit voort dat de in art. 28 lid 1 vermelde bevoegdheid slechts toekomt aan de officier van Justitie in het arrondissement van de rechtbank welke bevoegd is om de in die bepaling bedoelde overtreding te berechten.
Voorgaande uitspraak
Arrest op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Hof te 's-Gravenhage, Ec. Kamer, van ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.