HR, 05-03-1991, nr. 89884U
ECLI:NL:PHR:1991:AB9065
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
05-03-1991
- Zaaknummer
89884U
- LJN
AB9065
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:1991:AB9065, Uitspraak, Hoge Raad, 05‑03‑1991; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:1991:AB9065
ECLI:NL:PHR:1991:AB9065, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 05‑03‑1991
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:1991:AB9065
- Vindplaatsen
NJ 1991, 681 met annotatie van A.H.J. Swart
NJ 1991, 681 met annotatie van A.H.J. Swart
Uitspraak 05‑03‑1991
Inhoudsindicatie
Verschillende pleegdata voor dezelfde feiten.
5 maart 1991
Strafkamer
nr. 89.884 U
AG
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van de Arrondissementsrechtbank te Amsterdam van 27 november 1990 omtrent een verzoek van het Ministerie van Justitie van de deelstaat Hessen (BRD) tot uitlevering van:
[opgeëiste persoon] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1949, ten tijde van de bestreden uitspraak uit anderen hoofde gedetineerd in het Huis van Bewaring " […] " te [plaats] .
1. De bestreden uitspraak
De Rechtbank heeft de gevraagde uitlevering van [opgeëiste persoon] aan de Bondsrepubliek Duitsland toelaatbaar verklaard ter strafvervolging van [opgeëiste persoon] ter zake van de in het na te noemen Haftbefehl omschreven feiten. Voorts heeft de Rechtbank de gevraagde uitlevering van [opgeëiste persoon] aan de Bondsrepubliek Duitsland toelaatbaar verklaard ter verdere executie van de vrijheidsstraf van negen maanden hem opgelegd bij vonnis van het Amtsgericht te Frankfurt (BRD) van 10 oktober 1985.
2. Het cassatieberoep
Het beroep is ingesteld door [opgeëiste persoon] . Namens deze heeft Mr. C.P.E. Meewisse, advocaat te Amsterdam , het volgende middel van cassatie voorgesteld:
I. Schending en/of verkeerde toepassing van het recht en/of verzuim van vormen waarvan niet-naleving nietigheid medebrengt, in het bijzonder van het artikel 12 van het Europees Verdrag betreffende uitlevering van 13 december 1957 (Trbl. 65,9) en de artikelen 18, 26 en 28 van de Uitleveringswet, doordien de Rechtbank bij tussenuitspraak d.d. 2 oktober 1990 - waartegen dit beroep in cassatie tevens moet worden geacht te zijn gericht - ten onrechte heeft verworpen het namens requirant gevoerde verweer, dat nu het Haftbefehl d.d. 10 juli 1990 van het Amtsgericht Frankfurt (B.R.D.) en de zich tevens in het dossier bevindende telex d.d. 6 maart 1990, afkomstig van Interpol Wiesbaden, verschillende pleegdata voor dezelfde feiten noemen, de stukken ongenoegzaam zijn en requirant in zijn verdediging is geschaad daar hij door dit noemen van verschillende pleegdata niet in staat is onverwijld zijn onschuld aan te tonen, althans dit verweer heeft verworpen op gronden die deze verwerping niet kunnen dragen.
TOELICHTING
Ter zitting van 18 september 1990 is blijkens de aan het proces-verbaal van deze zitting gehechte pleitnotitie namens requirant onder meer aangevoerd, dat de stukken op grond waarvan uitlevering wordt verzocht ongenoegzaam zijn en dat hij hierdoor in zijn verdediging is geschaad nu het bevel tot aanhouding van de Duitse autoriteiten d.d. 10 juli 1990 en de telex d.d. 6 maart 1990, afkomstig van Interpol Wiesbaden, verschillende pleegdata noemen voor dezelfde feiten, als gevolg waarvan requirant niet in staat is onverwijld zijn onschuld aan te tonen: immers zijn onschuld aan welke feit op welke datum?
Geconcludeerd werd tot ontoelaatbaarverklaring van de vervolgingsuitlevering.
Bij tussenuitspraak d.d. 2 oktober 1990 heeft de Rechtbank dit verweer verworpen.
Tegen deze tussenuitspraak is overigens niet uitdrukkelijk. een afzonderlijk beroep in cassatie ingesteld.
Nu Uw College blijkens eerdere jurisprudentie niet de eis stelt dat een afzonderlijk beroep tegen tussenuitspraken wordt ingesteld, dient het onderhavige cassatieberoep geacht te worden tevens betrekking te hebben op de tussenuitspraak (vgl. Prof. mr. A.H.J. Swart, Nederlands Uitleveringsrecht, Paragraaf 413, met verwijzing naar HR 21 december 1982, DD 83, 144 en HR 9 november 1982, DD 83, 101).
De Rechtbank verwierp het verweer, omdat requirant ter zitting heeft beweerd zich geheel niet schuldig te hebben gemaakt aan de delicten terzake waarvan de uitlevering wordt verzocht, zodat hij reeds daarom niet in zijn verdediging kon zijn geschaad door vermelding van verschillende pleegdata. De redenering van de Rechtbank in deze tussenuitspraak snijdt geen hout.
Ten eerste laat de Rechtbank zich ten onrechte niet uit over de ongenoegzaamheid der stukken.
Kennelijk - zo begrijp ik de tussenuitspraak van de Rechtbank - doet het in de visie van de Rechtbank niet ter zake of de stukken genoegzaam zijn als de opgeeiste persoon stelt zich niet schuldig te hebben gemaakt aan de feiten terzake waarvan de uitlevering wordt verzocht.
Deze redenering is onjuist.
Eerst dient immers te worden onderzocht of de stukken voldoen aan de artikelen 18 Uitleveringswet en 12 Europees Uitleveringsverdrag alvorens men kan nagaan of - bij gebleken ongenoegzaamheid - de opgeeiste persoon wellicht in zijn verdediging is geschaad.
Ten tweede is het juist nu requirant aanvoert onschuldig te zijn, voor hem van belang de mogelijkheid te hebben zijn onschuld aan te tonen om een beroep op artikel 28 Uitleveringswet enige kans van slagen te bieden.
Hiervoor is uiteraard op zijn minst nodig dat het requirant duidelijk is van welke feiten op welke data beweerdelijk gepleegd, hij wordt verdacht.
Op grond van artikel 18 Uitleveringswet en 12 Europees Uitleveringsverdrag dient de tijd waarop de feiten zouden zijn begaan, zo nauwkeurig mogelijk te worden aangegeven.
Hoewel de Uitleveringsrechter meestal nauwelijks kan beoordelen of de uiteenzetting van feiten preciezer of duidelijker had gekund, is dit in casu anders.
De Rechtbank heeft het noemen van verschillende pleegdata onderkend.
Gezien de aard van de zaak moet het in casu mogelijk zijn geweest de tijd nauwkeurig aan te geven aan de hand van de huurovereenkomsten van de auto's, hetgeen de Rechtbank zal hebben beseft, althans had moeten beseffen.
Hoewel het aanhoudingsbevel specifieke data noemt, wordt de duidelijkheid hiervan teniet gedaan door de inhoud van genoemde telex die over andere data spreekt.
Van een zo nauwkeurig mogelijk aangeven van tijd is derhalve geen sprake. Er is dan ook niet voldaan aan de vereisten van de artikelen 18 Uitleveringswet en 12 Europees Uitleveringsverdrag als gevolg waarvan de verzochte uitlevering krachtens artikel 28 Uitleveringswet ontoelaatbaar verklaard dient te worden.
Bovendien is requirant door deze ongenoegzaamheid van stukken in zijn verdediging geschaad, nu hij niet in staat is zijn onschuld aan te tonen vanwege het simpele feit dat hem niet duidelijk is en ook niet behoeft te zijn van welke feiten op welke data beweerdelijk gepleegd, hij wordt verdacht.
De Rechtbank had derhalve krachtens artikel 28 Uitleveringswet moeten concluderen tot ontoelaatbaarheid van de gevraagde uitlevering, nu niet is voldaan aan de vereisten van de artikelen 18 Uitleveringswet en 12 Europees Uitleveringsverdrag danwel nadere inlichtingen aan de Duitse autoriteiten moeten vragen. Door zulks na te laten en de uitlevering op onjuiste gronden toelaatbaar te verklaren, althans het door requirant gevoerde verweer op onjuiste grond te verwerpen, is er sprake van schending van het recht danwel verzuim van vormen waarvan niet-naleving nietigheid medebrengt.
3. De conclusie van het Openbaar Ministerie
De Advocaat-Generaal Fokkens heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad [opgeëiste persoon] niet-ontvankelijk zal verklaren in zijn cassatieberoep voor zover dit is gericht tegen de in het middel weergegeven tussenbeslissing, met verwerping van het beroep voor het overige.
4. De feiten waarvoor de uitlevering toelaatbaar is verklaard
Voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, heeft de Rechtbank de uitlevering toelaatbaar verklaard ter strafvervolging ter zake van de feiten welke als volgt zijn omschreven in het bij het verzoek tot uitlevering gevoegde Haftbefehl dd 10 juli 1990 van het Amtsgericht te Frankfurt (BRD):
Der Beschuldigte mietete in der Zeit vom 15. Dezember 1989 bis 18. Dezember 1989 in [plaats] , [plaats] und [plaats] sieben Personenkraftwagen bei Autoverleihfirmen an, wobei er die Absicht hatte, diese nicht zurückzugeben, sondern anderweitig zu veräußern.
Im einzelnen handelt es sich um folgende Falle:
1. Am 15. Dezember 1989 in [plaats] bei der Firma [A] , [a-straat 1] , ein Fahrzeug der Marke BMW 316 i. amtliches [kenteken] .
2. Am 15. Dezember 1989 bei der Firma [B] in [plaats] , Hanauer Landstraße 334, ein Fahrzeug der Marke Audi 80 mit dem amtlichen [kenteken] .
3. Am 15. Dezember 1989 bei der Firma [C] in [plaats] , [c-straat 1] , ein Fahrzeug der Marke Ford Sierra mit dem amtlichen [kenteken] .
4. Am 15. Dezember 1989 bei der Firma [D] in [plaats] , [d-straat 1] , ein Fahrzeug der Marke VW Golf mit dem amtlichen [kenteken] .
5. Am 16. Dezember 1989 bei der Firma [E] in [plaats] , [e-straat 1] , ein Fahrzeug der Marke Ford Fiesta mit dem amtlichen [kenteken] .
6. Am 17. Dezember 1989 bei der Firma [B] in [plaats] ein Fahrzeug der Marke Opel Kadett mit dem amtlichen [kenteken] .
7 . Am 18. Dezember 1989 bei der Firma [F] in [plaats] , [f-straat] , ein Fahrzeug der Marke Audi 80 mit dem amtlichen [kenteken] .
In all diesen Fällen gab der Beschuldigte sich als der jugoslawische und holländische Staatsangehörige
[alias] , geboren am [geboortedatum] 1959 in [geboorteplaats] .
aus. Er war in Besitz von auf diesen Namen lautenden. gestohlenen, niederländischen Ausweisdokumenten.
5. Beoordeling van de bestreden uitspraak naar aanleiding van het middel en ambtshalve
5.1. Voor zover het middel betrekking heeft op een beslissing welke is vervat in de tussenuitspraak van de Rechtbank van 2 oktober 1990, ziet het eraan voorbij dat de Rechtbank blijkens het proces-verbaal van haar zitting van 13 november 1990 het onderzoek aldaar wegens haar gewijzigde samenstelling opnieuw heeft aangevangen, zodat de bestreden uitspraak niet op de eerdergenoemde beslissing steunt.
5.2.1. Het proces-verbaal van de zitting van de Rechtbank van 13 november 1990 houdt onder meer in:
"Verklaard hebben - zakelijk weergegeven - : " ( . . . ) " .
De raadsman:
Ik persisteer bij hetgeen ik op de zitting d.d. 18 september heb opgemerkt. Ik verzoek u dit als hier herhaald te beschouwen.
5.2.2. Blijkens het proces-verbaal van de zitting van 18 september 1990 heeft de raadsman van de
opgeëiste persoon aldaar onder meer aangevoerd:
De beschrijving van tijd is onder andere van belang in verband met het bestaan van een vermoeden van schuld / de mogelijkheid van de opgeeiste persoon onverwijld zijn onschuld aan te tonen.
In casu worden in het Haftbefehl specifieke data genoemd: 4 gevallen zouden hebben plaatsgevonden op 15 december 1989 en 3 gevallen op respectievelijk 16, 17 en 18 december 1989.
In de zich bij de stukken bevindende telex d.d. 6 maart 1990. afkomstig van Interpol Wiesbaden, wordt melding gemaakt van andere data. Als we bedoelde telex en het Haftbefehl naast elkaar leggen, zien we dat de data van enkele gevallen (nrs. 1 tot en met 4 volgens het Haftbefehl) hetzelfde zijn doch de data van de nrs. 5 tot en met 7 uit het Haftbefehl strijdig zijn met de data van het telex-bericht.
Volgens de telex zouden de Ford Siesta en de Audi 80 (nrs. 5 en 7 van het Haftbefehl) op 15 december zijn gehuurd. volgens het Haftbefehl op 16 en 18 december.
De telex. meldt dat de Opel Kadett op 19 december zou zijn gehuurd, het Haftbefehl plaatst deze handeling op 17 december.
Door het feit dat de telex zich bij de stukken bevindt, wordt de inhoud van het Haftbefehl (deels) onduidelijk.
Dit heeft tot gevolg dat de [opgeëiste persoon] niet onverwijld zijn onschuld kan aantonen: immers. zijn onschuld aan het feit op welke datum?
De [opgeëiste persoon] wordt hierdoor in zijn belangen geschaad.
De overgelegde stukken voldoen dan ook (deels) niet aan de vereisten ex artikel 18 UW en artikel 12 EUV als gevolg waarvan de uitlevering (in ieder geval deels) ontoelaatbaar moet worden geacht.
5.2.3. Omtrent het hiervoren onder 5.2.2 weergegeven verweer had de Rechtbank een met redenen omklede beslissing moeten geven. Zodanige beslissing komt in de bestreden uitspraak niet voor. Zulks behoeft evenwel niet tot cassatie te leiden aangezien de opgeëiste persoon daarbij geen belang heeft, nu de Hoge Raad - doende wat de Rechtbank had behoren te doen - het verweer slechts zou kunnen verwerpen. Immers, de omschrijving van de feiten in het Haftbefehl beantwoordt aan de daaraan op grond van de toepasselijke verdragsbepalingen te stellen eisen, hetgeen niet anders kan worden door de omstandigheid dat een niet door de verzoekende partij bij het verzoek tot uitlevering overgelegd stuk dat zich in het dossier bevindt voor enkele feiten een andere pleegdatum noemt.
5:3. Het middel faalt mitsdien.
6. Slotsom
Nu het middel niet tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.
7. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president Van den Blink als voorzitter, en de raadsheren Keijzer en Bleichrodt, in bijzijn van de waarnemend-griffier Vermunt, en uitgesproken op 5 maart 1991.
Conclusie 05‑03‑1991
Inhoudsindicatie
Verschillende pleegdata voor dezelfde feiten.
pc
nr. 89.884 U
zitting 22 januari 1991
Mr. Fokkens
Conclusie inzake:
[opgeëiste persoon]
Edelhoogachtbaar College,
1. De Rechtbank te Amsterdam heeft de uitlevering van verzoeker aan Duitsland toelaatbaar verklaard.
De procesgang is als volgt geweest:
De Rechtbank ving het onderzoek aan ter terechtzitting van 18 september 1990. De opgeëiste persoon en zijn raadsman waren daarbij aanwezig. Blijkens de aan het procesverbaal van die terechtzitting gehechte pleitnota voerde de raadsman enkele verweren.
Bij tussenvonnis van 2 oktober 1990 verwierp de rechtbank twee van die verweren, heropende zij het onderzoek en schorste zij de behandeling tot 13 november 1990 teneinde n.a.v. de overige verweren van de raadsman antwoord te krijgen op enkele in dat tussenvonnis geformeerde vragen. Op 13 november werd het onderzoek ter terechtzitting opnieuw aangevangen i.v.m. de gewijzigde samenstelling van de rechtbank.
Volgens het proces-verbaal van de terechtzitting van 13 november 1990 heeft de raadsman aldaar opgemerkt: "Ik persisteer bij hetgeen ik op de zitting d.d. 18 september heb opgemerkt. Ik verzoek u dit als hier herhaalde te beschouwen."
2. Het middel richt zich tegen de volgende beslissing in het tussenvonnis:
Namens de opgeëiste persoon heeft de raadsman aangevoerd dat de opgeëiste persoon in zijn verdediging wordt geschaad, nu het hiervoor onder 2.a. genoemde bevel tot aanhouding en de telex d.d. 6 maart 1990 afkomstig van Interpol, welke zich in het dossier bevindt, verschillende pleegdata noemen voor dezelfde feiten. De opgeëiste persoon is hierdoor niet in staat zijn onschuld aan te tonen.
De Rechtbank verwerpt dit verweer reeds omdat de opgeëiste persoon ter zitting heeft beweerd in West-Duitsland in het geheel geen auto's te hebben gehuurd, zodat hij naar het oordeel van de Rechtbank niet in zijn verdediging kan zijn geschaad door de vermelding van verschillende pleegdata voor dezelfde feiten.
3. Daarmee komt eerst de vraag aan de orde of het cassatieberoep ontvankelijk is voor zover het gericht is tegen de beslissingen in het tussenvonnis. De mogelijkheden tot het instellen van beroep in cassatie zijn op grond van de Uitleveringswet immers beperkter dan in gewone strafzaken het geval is.
Remmelink schrijft daarover (NLR, suppl. 70, pag. 53):
"Of vanwege de niet-aanhaling van art. 427 en 428 Sv cassatie van een tussenvonnis mogelijk is, is onzeker. Uit HR 2 maart 1982, NJ 1982, 550 zou men dat kunnen afleiden: alleen tegen de uitspraak inzake toelaatbaarheid. Aldus ook HR 15 oktober 1985, NJ 1986, 315. In HR 14 juni 1983 DD 83.433 is echter wel, een klacht over niet aanhouding van de zaak behandeld."
4. Strijards (Uitlevering, p. 170) stelt, verwijzend naar NJ 1986, 315, dat cassatie tegen tussen beslissingen of voorafgaande beslissingen niet open staat, behoudens voor zover het betreft beslissingen die doorwerken in de uitspraak zelf.
5. In DD 81.352 werd geklaagd over een ter terechtzitting door de Rechtbank verworpen beroep op niet ontvankelijkheid van de Officier van Justitie, in DD 83.101 en DD 83.144 over de afwijzing van een verzoek om aanhouding der zaak teneinde.de onschuld van de opgeëiste persoon te kunnen aantonen. In al deze zaken werd het middel door de Hoge Raad behandeld.
6. Uit deze beslissingen van Uw Raad kan m.i. het volgende worden afgeleid. Klachten over een tussenvonnis die zich tevens tegen de uitspraak richten, doordat zij er op neer komen dat de uitspraak berust op een nietig onderzoek ter terechtzitting -b.v. doordat een verzoek tot aanhouding op onjuiste gronden zou zijn afgewezen, zoals in DD 83.101, 144 en 433 werd aangevoerd- kunnen door de Hoge Raad worden besproken (vlg ook de behandeling van de middelen in NJ 1978, 213 en Van Brucken Fock en Van Dorst in Cassatie in Strafzaken, p. 24 en 25).
Hetzelfde geldt voor klachten over een tussenvonnis dat een beslissing bevat die de toelaatbaarheid van de uitlevering betreft (bv. DD 81.352). In de uitleveringszaken zijn dientengevolge slechts van cassatie uitgesloten de overige, al dan niet in een tussenvonnis gegeven beslissingen, zoals die in NJ 1986, 315.
7. Dat betekent dat in uitleveringszaken cassatie-beroep openstaat tegen tussenvonnissen houdende beslissingen als door de Rechtbank in deze zaak (daarin) gegeven zijn. Een andere omstandigheid staat m.i. in dit geval echter wel in de weg aan de ontvankelijkheid van het beroep v.z.v. dat tegen het tussenvonnis is gericht.
8. Nadat de Rechtbank het tussenvonnis had gewezen heeft zij het onderzoek ter terechtzitting opnieuw aangevangen i.v.m. een wijziging in haar samenstelling. Dat brengt met zich dat de in het tussenvonnis gegeven beslissingen op verweren betreffende de toelaatbaarheid van de uitlevering, voor de bestreden uitspraak van de Rechtbank, niet meer van belang zijn; de Rechtbank moest op die verweren, welke blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting werden herhaald, opnieuw een beslissing geven.
9. Beslissingen in een tussenvonnis, die in een eindvonnis genomen moeten worden, geven aanleiding tot zeer ingewikkelde technische problemen. Ik verwijs in dit verband naar: NJ 1984, 10; NJ 1984, 259; NJ 1985, 649; NJ 1985, 316. De rechter doet er dan ook verstandig aan, buiten de gevallen van art. 279 Sv, dergelijke beslissingen niet in een tussenvonnis te geven.
10. In casu gaat het m.i. om een ander probleem dan in bovengenoemde arresten aan de orde was, omdat het onderzoek ter zitting opnieuw is aangevangen. De rechter die de zaak opnieuw onderzoekt, is in het algemeen niet gebonden aan de beslissingen voorafgaand aan zijn onderzoek bij wege van tussenvonnis gegeven, zoals blijkt uit NJ 1986,96. Zou dit anders zijn dan zou het onderzoek onvolledig zijn. Uitzonderingen op die regel zijn de beslissing tot toewijzing van een vordering tot wijziging van de tenlastelegging (de gewijzigde tenlastelegging in de grondslag voor het opnieuw aangevangen onderzoek, HR DD 81.302) en de verstekverlening, die van kracht ·blijft als de verdachte (opgeëiste persoon) opnieuw niet verschijnt (Melai, aantek. 2 op art 322 Sv).
Ook afzonderlijke beslissingen die niet doorwerken in de einduitspraak, zoals b.v. een bevel tot gevangenneming of opheffing van de schorsing tot voorlopige hechtenis, blijven in stand.
11. Dit betekent dat het in deze zaak ingestelde cassatieberoep v.z.v. het zich richt tegen de verwerping van he in het middel bedoelde verweer in het tussenvonnis, niet-ontvankelijk is. Die verwerping is niet gegeven door de rechter die de uitlevering toelaatbaar heeft verklaard en maakt geen deel uit van (de motivering) van die uitspraak, zodat het middel niet tot cassatie kan leiden.
12. Het voorafgaande impliceert ook dat de Rechtbank in haar uitspraak over de toelaatbaarheid van de uitlevering had moeten reageren op dit verweer. Dat heeft de Rechtbank niet gedaan. Dat verzuim hoeft m.i. niet-tot cassatie te leiden nu de omschrijving van de feiten in het "Haftbefehl" beantwoordt aan de daaraan op grond van de toepasselijke verdragsbepalingen te stellen eisen en dit niet anders kan worden door de omstandigheid dat een niet door de verzoekende partij bij het verzoek tot uitlevering overgelegd stuk dat zich in het dossier bevindt voor enkele feiten en andere pleegdatum' noemt.
Het verweer kan derhalve niet slagen.
Ik concludeer dat Uw Raad verzoeker niet ontvankelijk zal verklaren in zijn cassatieberoep v.z.v. dit is gericht tegen de in het middel weergegeven tussenbeslissing met verwerping van het beroep voor het overige.
de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,