NJ 1992, 136
HR, 21-05-1991, nr. 89040
HR 21-05-1991, ECLI:NL:PHR:1991:AD1414, m.nt. G.J.M. Corstens
- Instantie
Hoge Raad (Strafkamer)
- Datum
21 mei 1991
- Magistraten
Van Den Blink, Mout, Keijzer, Bleichrodt, Van Erp, Taalman, Kip-Nieuwenkamp, Leijten
- Zaaknummer
89040
- Noot
G.J.M. Corstens
- LJN
AD1414
- JCDI
JCDI:ADS66115:1
- Vakgebied(en)
Internationaal publiekrecht / Mensenrechten
Onbekend (V)
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Strafprocesrecht / Voorfase
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Internationaal belastingrecht / Algemeen
Bijzonder strafrecht / Fiscaal strafrecht
EU-recht (V)
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:1991:AD1414, Uitspraak, Hoge Raad (Strafkamer), 21‑05‑1991
ECLI:NL:PHR:1991:AD1414, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 21‑05‑1991
- Wetingang
Sv art. 112; Sv art. 181; Sv art. 338; EVRM art. 6 lid 1; AWR art. 68; RO art. 99 lid 1 onder 1°
Essentie
1. Aanvang redelijke termijn; 's hofs oordeel dat de termijn cfm. art. 6 lid 1 Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) niet aanving op de data waarop aan verdachte naheffingsaanslagen werden opgelegd, doch eerst toen verdachte voor het eerst in verband met de onderhavige belastingdelicten werd verhoord, geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting, is niet onbegrijpelijk en overigens feitelijk.
2. Het enkele feit dat bepaalde delicten niet zijn vermeld in de vordering gerechtelijk vooronderzoek, rechtvaardigt niet het vertrouwen dat het Openbaar Ministerie deze delicten niet zal ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.