NJ 1993, 85
HR, 22-09-1992, nr. 91758
HR 22-09-1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC9101
- Instantie
Hoge Raad (Strafkamer)
- Datum
22 september 1992
- Magistraten
Hermans, Beekhuis, Keijzer, Govaerts, Koster, Meijers
- Zaaknummer
91758
- LJN
ZC9101
- Vakgebied(en)
Internationaal publiekrecht / Mensenrechten
Onbekend (V)
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Internationaal belastingrecht / Algemeen
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:1992:ZC9101, Uitspraak, Hoge Raad (Strafkamer), 22‑09‑1992
- Wetingang
Sv art. 315; Sv art. 330; EVRM art. 6 lid 3 onder d
Essentie
Bij de afwijzing van een verzoek tot het ter zitting horen van een getuige, heeft het hof een juiste maatstaf gehanteerd. 's Hofs oordeel dat de noodzaak tot het toewijzen van het verzoek niet is gebleken is niet onbegrijpelijk nu het hof kennelijk heeft geoordeeld dat de verklaring die de getuige bij de rechter-commissaris heeft afgelegd niet wezenlijk verschilt van diens eerder aan de rechter-commissaris afgelegde — voor bewijs gebruikte — verklaring en verdachte en diens raadsvrouwe bij het afleggen van de tweede verklaring aanwezig zijn geweest en de getuige vragen hebben kunnen stellen.
Voorgaande uitspraak
Arrest op ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.