HR, 13-06-1995, nr. 99189
ECLI:NL:HR:1995:ZD0064
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
13-06-1995
- Zaaknummer
99189
- LJN
ZD0064
- Roepnaam
Pincode
- Vakgebied(en)
Materieel strafrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:1995:ZD0064, Uitspraak, Hoge Raad, 13‑06‑1995; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:1995:51
- Wetingang
art. 317 Wetboek van Strafrecht
- Vindplaatsen
Uitspraak 13‑06‑1995
Inhoudsindicatie
Pincode.
13 juni 1995
Strafkamer
nr. 99.189 / 95.393
AB
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 16 juni 1994 alsmede tegen alle op de terechtzitting van dit Hof gegeven beslissingen in de strafzaak tegen:
[verdachte] , geboren [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1961, wonende te [plaats], ten tijde van de bestreden uitspraak uit anderen hoofde gedetineerd in het Huis van Bewaring "De Schans" te Amsterdam.
1. De bestreden einduitspraak
Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Arrondissementsrechtbank te Amsterdam van 23 juni 1993, in de gevoegde strafzaken onder parketnummers 13/064062-93 (zaak A) en 13/064131-92 (zaak B) - de verdachte vrijgesproken van het hem bij inleidende dagvaarding in zaak B primair telastegelegde en hem voorts ter zake van (zaak A) 1. "diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld of bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen" en "afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen", (zaak A) 2. "diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld of bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken" en (zaak A) 3. "de voortgezette handeling van diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen" en "afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen" en (zaak B) "mishandeling" veroordeeld tot één jaar en zes maanden gevangenisstraf.
2. Het cassatieberoep
Het beroep - dat zich kennelijk niet richt tegen de gegeven vrijspraak - is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr G. P. Hamer, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
3. De conclusie van het Openbaar Ministerie
De Advocaat-Generaal Meijers heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest, maar alleen wat betreft de aan het tweede onderdeel van het onder 1 bewezenverklaarde gegeven kwalificatie en wat betreft de strafoplegging, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
4. Bewezenverklaring en bewijsvoering
4.1. Ten laste van de verdachte is - voor zover voor de beoordeling van het eerste en het tweede middel van belang - bewezenverklaard dat:
ten aanzien van het in zaak A tenlastegelegde:
1. hij op 14 januari 1993 te [plaats] te zamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een portemonnaie en een geldbedrag en een betaalpasje, toebehorende aan [slachtoffer] , welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestonden, dat verdachte en zijn mede-daders die [slachtoffer] tot vlakbij zijn genaderd en die [slachtoffer] in de richting van een lift hebben geduwd en die [slachtoffer] hebben ingesloten en die [slachtoffer] hebben getrapt en de kleding van die [slachtoffer] hebben doorzocht ;
en
hij op 14 januari 1993 te [plaats] te zamen en in vereniging met anderen met het oogmerk van om zich en anderen wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld [slachtoffer] hebben gedwongen tot afgifte van de pincode van een betaalpasje, toebehorende aan [slachtoffer] , welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat verdachte en zijn mededaders die [slachtoffer] tot vlakbij zijn genaderd en die [slachtoffer] in de richting van een lift hebben geduwd en die [slachtoffer] hebben ingesloten en die [slachtoffer] hebben vastgehouden en die [slachtoffer] een mes hebben getoond en die [slachtoffer] hebben getrapt en de kleding van die [slachtoffer] hebben doorzocht en die [slachtoffer] hebben gedwongen zijn pincode te noemen.
4.2. De bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:
1. Het ambtsedig proces-verbaal nummer 1751-0000391/93 d.d. 15 januari 1993, opgemaakt door A.G. van Veldhoven, agent van gemeentepolitie te Amsterdam.
Dit proces-verbaal houdt in, voorzover van belang en zakelijk weergegeven, als de op voormelde datum tegenover verbalisant voornoemd afgelegde verklaring van [slachtoffer] :
Op 14 januari 1993 te 02.00 uur ben ik te [plaats] beroofd door drie personen. Toen ik bij (het hof begrijpt: de flat) [A] in de eerste lift wilde stappen, zag ik dat ik ineens werd ingesloten door drie personen. Ik zag dat één van die personen een mes bij zich had, dat hij liet zien. Ik voelde dat men mij richting de lift duwde en insloot. Ik voelde dat ik van een van die personen een trap tegen mijn been kreeg. Ik zag dat een van de mannen in de binnenzak van mijn jas ging met zijn hand en daar mijn portemonnaie vandaan pakte. Ik werd gedwongen hun mijn pincode te vertellen. Toen ik dit verteld had, is een van de mannen weggegaan naar de bank en ben ik door de andere twee vastgehouden. Na ongeveer 15 minuten kwam de andere man terug. Daarna zag ik dat de drie mannen waren verdwenen. Ik heb niemand toestemming gegeven om de goederen, die mij geheel in eigendom toebehoren, weg te nemen.
2. Het ambtsedig proces-verbaal d.d. (naar het hof begrijpt : 11 februari 1993, nu het verhoor van na te noemen getuige blijkens het proces-verbaal op 11 februari 1993 15.00 uur heeft plaatsgevonden, en blijkens navermeld ambtsedig proces-verbaal nummer 1760-500-1993 d.d. 11 februari 1993 aan na te noemen getuige op donderdag 11 februari 1993 te 17.00 uur een aantal politiefoto's met afbeeldingen van de mogelijke daders zijn getoond) , opgemaakt door [verbalisant 1] , hoofdagent-rechercheur van gemeentepolitie te Amsterdam.
Dit proces-verbaal houdt in, voorzover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 11 februari 1993 tegenover verbalisant voornoemd afgelegde verklaring van [medeverdachte 1] gehoord als verdachte :
U vraagt mij naar een beroving van een man gepleegd op 14 januari 1993, omstreeks 02.00 uur, nabij de eerste lift van de flat [A] (naar het hof begrijpt: ) te [plaats] . Ik zag daar toen een man lopen in de richting van [A] . [medeverdachte 2] zei jets wat betekent: nu gaat het gebeuren. Ik zei tegen [medeverdachte 2] en [bijnaam verdachte] : "Ja, dat is goed". [medeverdachte 2] , [bijnaam verdachte] en ik sloten de man in door rond om de man heen te staan. De man kon niet weglopen. Ik pakte zijn portemonnaie uit zijn zak. Ik keek erin en zag dat er een geldbedrag en een bankpas ABN/AMRO-bank inzaten. Het geldbedrag gaf ik aan [medeverdachte 2] die het in zijn zak stak. [medeverdachte 2] vroeg de man zijn pincode te noemen. [bijnaam verdachte] liet zijn slagersmes aan de man zien om de man bang te maken, hetgeen ons gelukte, want de man vertelde ons zijn pincode. [bijnaam verdachte] en ik zagen dat de man bleef staan. Daarna kwam [medeverdachte 2] terug met geld dat hij van de rekening van de man had afgehaald met gebruikmaking van diens bankpas en bijbehorende pincode. Ik had geen toestemming van de man om zijn portemonnaie en bankpas weg en mee te nemen en daarover te beschikken. Het geld en de portemonnaie en de bankpas zijn geen eigendom van ons. Wij hebben later de buit verdeeld. [bijnaam verdachte] en ik kregen ieder een bedrag van [medeverdachte 2] en [medeverdachte 2] hield zelf ook een bedrag.
3. Het ambtsedig proces-verbaal nummer 1760-500-1993 d.d. 11 februari 1993, opgemaakt door [verbalisant 2] , agent van gemeentepolitie te Amsterdam .
Dit proces-verbaal houdt in, voorzover van belang en zakelijk weergegeven,
a) als relaas van verbalisant voornoemd :
Op 11 februari 1993 te 17,00 uur toonde ik in het politiebureau [B] te [plaats] aan de verdachte [medeverdachte 1] een aantal politiefoto's met afbeeldingen van mogelijke dader (s) (100) ;
b) als de op voormelde datum tegenover verbalisant voornoemd afgelegde verklaring van [medeverdachte 1] :
Ik herken deze man voor de volle honderd procent als de man die samen met mij een beroving heeft gepleegd en die ik in mijn verklaring (het hof begrijpt : ) [bijnaam verdachte] heb genoemd. Vergissing is niet mogelijk;
c) als relaas van verbalisant voornoemd:
De fotografische afbeelding welke werd aangewezen als bevattende de afbeelding van de dader van genoemd feit bleek te zijn vervaardigd van de persoon waarvan de personalia luiden: [verdachte] (het hof begrijpt : [verdachte] ) , geboren [geboortedatum] 1961. (fotonummer […] , nummer […] in boek […] ) .
5. Beoordeling van het eerste middel
5.1. Het middel richt zich blijkens de daarop gegeven toelichting met een motiveringsklacht tegen het gebruik tot het bewijs van de hiervoor onder 4.1 weergegeven processen-verbaal, voor zover inhoudende de verklaringen van [slachtoffer] en [medeverdachte 1] .
5.2. Voor wat betreft de daarin opgenomen verklaring van [slachtoffer] , het slachtoffer, faalt het middel reeds
omdat de processen-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep niet inhouden dat de verdachte deze verklaring, die niets bevat omtrent de (eventuele) betrokkenheid van de verdachte bij het onder 1 bewezenverklaarde, heeft betwist.
5.3. Ten aanzien van de verklaring van [medeverdachte 1] geldt dat hij bij de Rechter-Commissaris is gehoord in het bijzijn van de raadsman van de verdachte die hem aldaar heeft kunnen (doen) ondervragen en dat hij blijkens het van dit verhoor opgemaakte proces-verbaal zijn eerder bij de politie afgelegde verklaring voor wat betreft de betrokkenheid van de verdachte bij het onder 1 bewezenverklaarde heeft gehandhaafd. Onder deze omstandigheden was het Hof niet gehouden het gebruik van die eerdere verklaring bij de bewijsvoering te motiveren. Daaraan kan niet afdoen dat de verdachte de juistheid van die verklaring heeft betwist en dat de verdediging deze getuige niet ter terechtzitting van het Hof heeft kunnen (doen) ondervragen. (Vgl. HR 1 februari 1994, NJ 1994, 427, 6.3.3. ) Ook op dit onderdeel faalt het middel.
6. Beoordeling van het derde middel
Het middel kan niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 101a RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of van de rechtsontwikkeling.
7. Beoordeling van het tweede middel
7.1. Het middel stelt de vraag aan de orde of, wanneer - zoals te dezen is bewezenverklaard - de houder van een zogenaamde pincode wordt gedwongen die pincode te noemen aan degenen die hem daartoe met geweld bedreigen of geweld op hem toepassen, sprake is van "afgifte van enig goed" als bedoeld in art. 317 (oud) Sr.
7.2. Deze vraag moet ontkennend worden beantwoord.
7.3.1. Immers, de in de geest van een persoon opgeslagen bekendheid met de bij zijn betaalpas behorende cijfercombinatie kan niet worden aangemerkt als een "goed" in de zin van art. 317 (oud) Sr.
7.3.2. Evenmin kan het (onvrijwillig) noemen van een pincode worden aangemerkt als afgifte in de zin van laatstgenoemd artikel: daarvan kan slechts worden gesproken indien door die afgifte de afgever de beschikking over het afgegevene verliest, hetgeen uiteraard bij het noemen van een pincode niet het geval is.
7.4. Het middel is derhalve terecht voorgesteld.
8. Slotsom
8.1. Het onder 7 overwogene brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven voor zover daarbij het tweede onder A, sub 1 bewezenverklaarde feit (hiervoor onder 4.1 weergegeven) is gekwalificeerd als "afpersing (, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen) " en voor wat betreft de strafoplegging. De Hoge Raad kan de kwalificatie zelf verbeteren.
8.2. De Hoge Raad oordeelt geen grond aanwezig waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, zodat beslist moet worden als volgt .
9. Beslissing
De Hoge Raad:
Vernietigt de bestreden uitspraak, doch uitsluitend voor zover daarbij het tweede onder 1 (zaak A) bewezenverklaarde is gekwalificeerd als "afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen" en voor wat betreft de strafoplegging;
Kwalificeert dat bewezenverklaarde als "een ander door geweld en door bedreiging met geweld, gericht tegen die ander, wederrechtelijk dwingen iets te doen, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen", strafbaar gesteld bij art. 284 Sr;
Verwijst de zaak naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage voor de strafoplegging;
Verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president Hermans als voorzitter, en de raadsheren Beekhuis, Mout, Davids en Van Erp Taalman Kip-Nieuwenkamp, in bijzijn van de griffier Bogaert, en uitgesproken op 13 juni 1995.