HR, 07-01-1997, nr. 103165
ECLI:NL:HR:1997:ZD0608
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
07-01-1997
- Zaaknummer
103165
- LJN
ZD0608
- Roepnaam
Stiefkind
- Vakgebied(en)
Materieel strafrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:1997:ZD0608, Uitspraak, Hoge Raad, 07‑01‑1997; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:1996:63
- Wetingang
- Vindplaatsen
NJ 1997, 361 met annotatie van A.C. 't Hart
Uitspraak 07‑01‑1997
Inhoudsindicatie
Stiefkind.
7 januari 1997
Strafkamer nr. 103.165
nr. 103.165
SM
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Arnhem van 3 oktober 1995 alsmede tegen alle op de terechtzitting van dit Hof gegeven beslissingen in de strafzaak tegen:
[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1940, wonende te [plaats].
1. De bestreden einduitspraak
Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Arrondissementsrechtbank te Zwolle van 31 januari 1995 - de verdachte ter zake van 1. "verkrachting, meermalen gepleegd", 2. "verkrachting, meermalen gepleegd", 3. "feitelijke aanranding van de eerbaarheid, meermalen gepleegd", 4. "feitelijke aanranding van de eerbaarheid, meermalen gepleegd", 5. "ontucht plegen met zijn minderjarig stiefkind, meermalen gepleegd", 6. "mishandeling, meermalen gepleegd", 7. "bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht" en 8. "mishandeling, meermalen gepleegd" veroordeeld tot vijf jaren gevangenisstraf, met onttrekking aan het verkeer zoals in het arrest omschreven.
De bestreden uitspraak is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
2. Het cassatieberoep
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr A.M.M. Orie, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
3. De conclusie van het Openbaar Ministerie
De Advocaat-Generaal Van Dorst heeft geconcludeerd, primair tot verwerping van het beroep en subsidiair tot verbetering van de kwalificatie van het onder 5 bewezenverklaarde, met vernietiging van de bestreden uitspraak in zoverre en tot verwerping van het beroep voor het overige.
4. Beoordeling van het eerste middel
4.1. Het middel berust op de stelling - kort samengevat - dat er alleen dan sprake kan zijn van een stiefkind in de zin van art. 249, eerste lid, Sr indien de dader van het aldaar bedoelde feit en de ouder van dat kind met elkaar een huwelijk zijn aangegaan.
4.2. Bij de beoordeling van het middel dient het volgende voorop te worden gesteld. De in art. 249, eerste lid, Sr opgenomen opsomming van door hun hoedanigheid ten opzichte van de dader aangeduide minderjarigen met wie het plegen van ontucht in deze bepaling strafbaar wordt gesteld, wordt hierdoor gekenmerkt dat die hoedanigheid telkens een min of meer grote mate van afhankelijkheid van de dader meebrengt, en dat de dader daaraan een zeker overwicht tegenover die minderjarigen kan ontlenen. De strekking van evengenoemde bepaling is dan ook bescherming te verlenen aan minderjarigen, die als gevolg van die afhankelijkheid en dat overwicht minder weerstand aan de dader bieden dan anderen.
4.3.1. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet van 18 juli 1936, Stb. 203, waarbij in de delictsomschrijving van art. 249, eerste lid, Sr is opgenomen het plegen van ontucht met zijn minderjarig stiefkind, volgt dat de wetgever daarbij het oog heeft gehad op het geval dat de dader gehuwd is (geweest) met de ouder van het desbetreffende kind van wie hij zelf niet de ouder is en niet ook op het geval dat de dader in concubinaat leeft of heeft geleefd met de ouder van het desbetreffende kind (Kamerstukken II, 1935-1936, 85 nr. 2, blz. 3 en het rapport van de Vereeniging voor Strafrechtspraak en van de Nederlandschen Bond tot Kinderbescherming van mei 1934, W. 12 809, blz. 8) .
4.3.2. Die uitdrukkelijke bedoeling van de wetgever noopt, gelet op het bepaalde in art. 1 Sr, tot terughoudendheid bij de uitleg van het begrip "stiefkind" in art. 249 Sr. Aan de strekking van die bepaling, zoals hiervoor onder 4.2 is uiteengezet, zou niettemin een argument kunnen worden ontleend voor een extensieve interpretatie van dat begrip, die aansluit bij veranderde maatschappelijke opvattingen omtrent samenlevingsvormen en de ontwikkelingen die zich dienaangaande sedert de totstandkoming van art. 249 Sr hebben voorgedaan. Dan zullen evenwel, gelet op de bestaande verscheidenheid aan samenlevingsvormen, bij de beantwoording van de vraag welke minderjarigen onder "stiefkind" dienen te worden begrepen, keuzes moeten worden gemaakt, die de rechtsvormende taak van de rechter te buiten gaan.
Tot een extensieve interpretatie van dat begrip bestaat te minder aanleiding nu in art. 249 Sr, dat immers tevens ziet op een "aan zijn zorg ( ... ) of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige" en in art. 248 ter Sr, voorzover daarin sprake is van "een uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht", voldoende aanknopingspunten kunnen worden gevonden om een geval als het onderhavige, waarin de minderjarige deel uitmaakt van het samenlevingsverband van diens ouder en de dader, onder het bereik van de strafwet te brengen.
4.4. Het Hof heeft kennelijk, hetgeen niet onbegrijpelijk is, de in de telastelegging voorkomende bewoordingen "zijn (feitelijk) minderjarig stiefkind" aldus uitgelegd dat daarmee is bedoeld het minderjarig kind van de vrouw met wie de verdachte samenleefde als waren zij gehuwd. Door uit te gaan van die uitleg heeft het Hof, anders dan in het middel wordt betoogd, niet de grondslag van de telastelegging verlaten. Evenmin kan worden gezegd dat het Hof de bewezenverklaring onder 5 niet naar de eis der wet met redenen heeft omkleed. Het Hof heeft immers uitgaande van de hiervoren weergegeven uitleg van de telastelegging voor het onder 5 bewezenverklaarde feit redengevende bewijsmiddelen gebezigd, zoals het op 24 oktober 1994 in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal nr 22/10/94-31-1-15, voorzover inhoudende als verklaring van het slachtoffer van de verdachte:
" [verdachte] is eigenlijk mijn stiefvader. "Ik ben nooit door hem erkend en mijn moeder is "nooit met hem getrouwd".
In zoverre faalt het middel dus.
4.5. Aldus heeft het Hof echter tevens vastgesteld dat er geen sprake is van een stiefkind in de door de wetgever bedoelde hiervoor onder 4.3.1 vermelde zin. Het Hof heeft derhalve ten onrechte hetgeen onder 5 is bewezenverklaard gekwalificeerd als "ontucht plegen met zijn minderjarig stiefkind, meermalen gepleegd". De in het middel besloten liggende klacht hieromtrent is terecht voorgesteld. Nu het onder 5 bewezenverklaarde evenmin bij enige andere wettelijke bepaling is strafbaar gesteld had het Hof de verdachte te dier zake van alle rechtsvervolging dienen te ontslaan.
4.6. Aangezien het Hof op grond van hetgeen in art. 55, eerste lid, Sr is bepaald ter zake van het onder 5 bewezenverklaarde en gekwalificeerde feit geen straf heeft opgelegd, zal de Hoge Raad volstaan met vernietiging van de kwalificatie van hetgeen onder 5 is bewezenverklaard en de verdachte ter zake daarvan van alle rechtsvervolging ontslaan.
5. Beoordeling van het tweede en het derde middel
De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 101a RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of van de rechtsontwikkeling.
6. Slotsom
Nu geen van de middelen in enig ander opzicht dan onder 4 vermeld tot cassatie kan leiden terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet als volgt worden beslist.
7. Beslissing
De Hoge Raad:
Vernietigt de bestreden uitspraak doch uitsluitend voor wat betreft de strafbaarverklaring van hetgeen onder 5 is bewezenverklaard;
Ontslaat in zoverre de verdachte van alle rechtsvervolging;
Verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president Haak als voorzitter, en de raadsheren Keijzer, Koster, Schipper en Corstens, in bijzijn van de griffier Bogaert, en uitgesproken op 7 januari 1997.