NJ 2001, 338
Art. 10a Opiumwet.
HR 13-03-2001, ECLI:NL:HR:2001:AB0494
- Instantie
Hoge Raad (Strafkamer)
- Datum
13 maart 2001
- Magistraten
W.J.M. Davids, A.M.M. Orie, A.J.A. van Dorst
- Zaaknummer
00164/99
- Conclusie
A-G Jörg
- LJN
AB0494
- Vakgebied(en)
Bijzonder strafrecht / Opiumwet
Onbekend (V)
Gezondheidsrecht / Bijzondere onderwerpen
Materieel strafrecht (V)
- Brondocumenten
ECLI:NL:PHR:2001:AB0494, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 13‑03‑2001
ECLI:NL:HR:2001:AB0494, Uitspraak, Hoge Raad (Strafkamer), 13‑03‑2001
- Wetingang
Opiumwet art. 10a
Essentie
Er kan ook sprake zijn van strafbare voorbereidings- of bevorderingshandelingen cfm art. 10a Opiumwet, als met die handelingen een begin is gemaakt op het moment dat het misdrijf al niet meer kon worden verwezenlijkt doordat de verdovende middelen in beslag zijn genomen.
Voorgaande uitspraak
Arrest op de beroepen in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Arnhem van 19 februari 1999, parketnummer 21/000492–98, in de strafzaak tegen K.S.S., adv. mr. R. Zilver, te Wijk bij Duurstede.
Hof:
Tenlastelegging
Hij in of omstreeks (de Hoge Raad leest: de periode) van 7 tot en met ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.