JOL 2001, 333
Begrip diefstal in art. 3:86, derde lid, BW (eigenaar van een roerende zaak die het bezit daarvan door diefstal heeft verloren kan deze binnen de genoemde termijn als zijn eigendom opeisen) moet beperkt worden uitgelegd. Oplichting valt daar niet onder. Vermogensrecht en strafprocesrecht
HR 15-05-2001, ECLI:NL:HR:2001:AB1598
- Instantie
Hoge Raad (Strafkamer)
- Datum
15 mei 2001
- Magistraten
W.J.M. Davids, F.H. Koster, A.M.J. van Buchem-Spapens, A.J.A. van Dorst, B.C. de Savornin Lohman
- Zaaknummer
02974/00B
- Conclusie
A-G Machielse
- LJN
AB1598
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht (V)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten
ECLI:NL:PHR:2001:AB1598, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 15‑05‑2001
ECLI:NL:HR:2001:AB1598, Uitspraak, Hoge Raad (Strafkamer), 15‑05‑2001
Essentie
Begrip diefstal in art. 3:86, derde lid, BW (eigenaar van een roerende zaak die het bezit daarvan door diefstal heeft verloren kan deze binnen de genoemde termijn als zijn eigendom opeisen) moet beperkt worden uitgelegd. Oplichting valt daar niet onder. Vermogensrecht en strafprocesrecht
Samenvatting
Voorgaande uitspraak
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de Arrondissementsrechtbank te Roermond van 11 januari 2000, parketnummer 04/610071–99, op een beklag als bedoeld in artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering, ingediend door:
(klager), te (woonplaats).
Hoge Raad:
1. De bestreden beschikking
De Rechtbank heeft ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.