NJ 2003, 572
Knevelarij. Uitleg van ‘in de uitoefening van zijn bediening’.
HR 25-02-2003, ECLI:NL:HR:2003:AE9658
- Instantie
Hoge Raad (Strafkamer)
- Datum
25 februari 2003
- Magistraten
W.J.M. Davids, G.J.M. Corstens, A.M.J. van Buchem-Spapens, J.P. Balkema, B.C. de Savornin Lohman
- Zaaknummer
02183/01
- Conclusie
A-G Machielse
- LJN
AE9658
- Vakgebied(en)
Onbekend (V)
Materieel strafrecht / Delicten Wetboek van Strafrecht
- Brondocumenten
ECLI:NL:PHR:2003:AE9658, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 25‑02‑2003
ECLI:NL:HR:2003:AE9658, Uitspraak, Hoge Raad (Strafkamer), 25‑02‑2003
- Wetingang
Sr art. 366
Essentie
Knevelarij. Het bestanddeel ‘in de uitoefening van zijn bediening’ vereist niet dat de gedragingen van de ambtenaar rechtstreeks voortvloeien uit de aan zijn ambt verbonden taakuitoefening en bevoegdheden, maar dat zijn ambt hem in staat stelt die gedragingen te verrichten. Daarvan was sprake ten aanzien van de verdachte, die als ambtenaar van de burgerlijke stand die van personen die wilden trouwen onverplichte betalingen vorderde en ontving.
Voorgaande uitspraak
Arrest op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 20 april 2001, nummer 20/000500–00, in de strafzaak tegen G.W.P.M., adv. mr. G. Spong ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.