HR, 31-05-2005, nr. 03355/04B, nr. 03379/04B
ECLI:NL:HR:2005:AT4421
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
31-05-2005
- Zaaknummer
03355/04B
03379/04B
- Conclusie
Mr. Wortel
- LJN
AT4421
- Vakgebied(en)
Internationaal strafrecht (V)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:PHR:2005:AT4421, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 31‑05‑2005
Rechtbankuitspraak waarvan sprongcassatie: ECLI:NL:RBASS:2004:AR2635
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2005:AT4421
ECLI:NL:HR:2005:AT4421, Uitspraak, Hoge Raad, 31‑05‑2005; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2005:AT4421
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2005:AT4421
In sprongcassatie op: ECLI:NL:RBASS:2004:AR2635
In sprongcassatie op: ECLI:NL:RBASS:2004:AR2635
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2005:AT4421
In sprongcassatie op: ECLI:NL:RBASS:2004:AR2635
- Wetingang
art. 552m Wetboek van Strafvordering
- Vindplaatsen
NbSr 2005/260
Conclusie 31‑05‑2005
Mr. Wortel
Partij(en)
Griffienr. 03355/04 B en 03379/04 B
Mr. Wortel
Zitting:19 april 2005
Conclusie inzake:
[betrokkene 1]
1.
Dit cassatieberoep betreft een beschikking van de Rechtbank te Assen waarbij aan de rechter-commissaris in die Rechtbank verlof is verleend stukken van overtuiging, inbeslaggenomen ter uitvoering van een rechtshulpverzoek, ter beschikking van de officier van justitie te stellen, opdat deze die stukken kan afgeven aan de Duitse autoriteiten, onder de voorwaarde dat die autoriteiten de stukken zullen terugzenden zodra daarvan het voor de strafvordering nodige gebruik is gemaakt.
2.
Het gaat blijkens de aan de Hoge Raad toegezonden stukken om een rechtshulpverzoek, uitgaande van het Staatsanwaltschaft Hamburg, waarin onder meer [betrokkene 1], wonende te [woonplaats], als verdachte is genoemd. Verzocht werd om doorzoeking ter inbeslagneming op verschillende plaatsen, waaronder de woning van [betrokkene 1], en een bedrijf te Emmen dat onder leiding van diens broer [betrokkene 2] staat.
Deze doorzoekingen zijn verricht, en de rechter-commissaris heeft het bovenbedoelde verlof gevraagd. Diens verzoek is onder 2 griffienummers behandeld, kennelijk één griffienummer voor zover het gaat om de stukken van overtuiging die zijn inbeslaggenomen in de woning van [betrokkene 1] te [woonplaats], en een ander (opvolgend) griffienummer voor zover het gaat om de bescheiden die zijn inbeslaggenomen onder [betrokkene 2] in het bedrijf te Emmen.
De Rechtbank heeft op 1 oktober 2004 één beschikking gegeven met vermelding van beide griffienummers.
3.
Tegen deze beschikking heeft mr. W.M. Bierens cassatieberoep ingesteld. Daarvan zijn twee aktes opgemaakt, telkens met vermelding van één van de door de Rechtbank gebruikte griffienummers, maar ook telkens met de vermelding dat het rechtsmiddel namens [betrokkene 1] te [woonplaats] is ingesteld.
Het laatste moet voor een misslag gehouden worden. Klaarblijkelijk is beoogd namens zowel [betrokkene 1] als [betrokkene 2] cassatie in te stellen.
4.
Namens zowel [betrokkene 1] als [betrokkene 2] heeft mr. Chr Koers, advocaat te Peize, een schriftuur houdende cassatieklachten ingediend
Die namens beide belanghebbenden ingediende schrifturen zijn geheel gelijkluidend. Nu zij bovendien op één en dezelfde beschikking betrekking hebben, neem ik één conclusie op de beide cassatieberoepen.
5.
In de bestreden beschikking opgenomen overwegingen ter verwerping van gevoerde verweren valt ik aldus samen.
- a)
De raadsman heeft aangevoerd dat een op de voet van art. 552m, derde lid, Sv - in verband met het fiscale karakter van (een deel van) de in het rechtshulpverzoek omschreven feiten - gegeven machtiging niet geldig is, aangezien die machtiging niet aan de officier van justitie is gegeven doch aan een medewerkster van het Internationaal Rechtshulp Centrum (Noord). Dat is blijkens de stukken een samenwerkingsverband van het Openbaar Ministerie, politie en Koninklijke Marechaussee;
- -
de Rechtbank heeft dienaangaande overwogen dat het weliswaar gebruikelijk is dat een krachtens art. 552m, derde lid, Sv vereiste machtiging aan de (hoofd)officier van justitie wordt verstrekt, maar dat het voorschrift niet (dwingend) bepaald aan welke instantie die machtiging gegeven moet worden zodat aangenomen kan worden dat aan het wettelijke vereiste is voldaan.
- b)
De raadsman heeft aangevoerd dat dezelfde machtiging, voor zover al geldig, onvolledig is omdat er een aanvullend rechtshulpverzoek is gedaan, waarop de machtiging geen betrekking heeft.
- -
De Rechtbank heeft dat verweer verworpen, overwegende dat het aanvullend verzoek niet is te beschouwen als een verzoek in de zin van art. 552m Sv, aangezien het er slechts toe strekte toestemming te krijgen voor de aanwezigheid van Duitse opsporingsambtenaren tijdens de (al eerder verzochte) doorzoekingen.
- c)
De raadsman heeft betoogd dat uit een stuk van de Duitse autoriteiten blijkt dat telefoons zijn afgeluisterd; dat Nederlandse opsporingsambtenaren onderzoekshandelingen hebben verricht, en de laatsten ook op eigen initiatief hebben aangeboden telefoons af te luisteren en [betrokkene 1] te observeren. Daarom, zo stelde de raadsman, heeft het rechtshulpverzoek een onrechtmatige grondslag en ook daarom mogen de inbeslaggenomen stukken niet worden overgedragen.
- -
De Rechtbank heeft dienaangaande overwogen dat haar niet is gebleken van het toepassen van bijzondere opsporingsmiddelen binnen de Nederlandse rechtssfeer.
6.
De schriftuur bevat een middel dat zich in verschillende onderdelen tegen deze overwegingen keert. Bij beoordeling van dit middel dient het navolgende vooropgesteld te worden.
In een geval als het onderhavige, waarin de rechter heeft te beoordelen of aan de officier van justitie op de voet van art. 552p, tweede lid, Sv verlof kan worden verleend om voorwerpen die ingevolge een daartoe strekkend verzoek om rechtshulp zijn inbeslaggenomen ter beschikking van de autoriteiten in de verzoekende Staat te stellen, heeft, indien het rechtshulpverzoek op een verdrag is gegrond, als uitgangspunt te gelden dat aan het verzoek ingevolge art. 552k, eerste lid, Sv zoveel mogelijk gevolg dient te worden gegeven. Dat brengt mee dat van inwilliging van het rechtshulpverzoek slechts kan worden afgezien indien zich belemmeringen van wezenlijke aard voordoen die voortvloeien uit het toepasselijke verdrag of uit de wet, in het bijzonder art. 552l Sv, dan wel indien door de inwilliging van het rechtshulpverzoek wordt gehandeld in strijd met fundamentele beginselen van Nederlands strafprocesrecht, vgl HR NJ 2002, 580, HR 10 december 2002, LJN AE8923 en HR 13 mei 2003, LJN AF4255.
7.
In dit licht beschouwd geven de door het middel bestreden overwegingen geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. In de toelichting op het middel worden geen, in feitelijke instantie vastgestelde of minstens aangevoerde, feiten of omstandigheden genoemd die, wederom bezien in het licht van het bovengenoemde uitgangspunt, zouden meebrengen dat de bestreden overwegingen onbegrijpelijk zijn.
8.
Het middel faalt derhalve. Het leent zich voor afdoening met de in art. 81 RO bedoelde korte motivering.
9.
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,
Uitspraak 31‑05‑2005
Inhoudsindicatie
Geen wetsbepaling houdt in aan wie de in art. 552m.3 Sv bedoelde machtiging moet worden gegeven. Daarom kan de opvatting dat aan een rechtshulpverzoek uitsluitend gevolg mag worden gegeven indien de machtiging aan de OvJ is verstrekt, niet als juist worden aanvaard.
Partij(en)
31 mei 2005
Strafkamer
nrs. 03355/04 B en 03379/04 B
IV/ABG
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de Rechtbank te Assen van 1 oktober 2004, nrs RK 04/141 en RK 04/142 inzake het verlenen van het verlof als bedoeld in artikel 552 p, tweede lid, Sv, ingesteld door:
1. [betrokkene 1], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1971, wonende te [woonplaats],
en
2. [betrokkene 2], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1969, wonende te [woonplaats].
1. De bestreden beschikking
De Rechtbank heeft verlof verleend tot het ter beschikking stellen van inbeslaggenomen stukken van overtuiging aan de Officier van Justitie onder het voorbehoud dat bij afgifte aan de buitenlandse autoriteiten wordt bedongen dat de stukken worden teruggezonden zodra daarvan het voor de strafvordering nodige gebruik is gemaakt.
2. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de betrokkenen. Namens hen heeft mr. Chr. Koers, advocaat te Peize, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Wortel heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad de beroepen zal verwerpen.
3. Beoordeling van het middel
3.1.
Het middel komt onder meer op tegen de verwerping door de Rechtbank van het verweer dat gevolg is gegeven aan het rechtshulpverzoek zonder de te dezen in verband met het fiscale karakter van een gedeelte van de feiten ter zake waarvan rechtshulp is verzocht vereiste machtiging als bedoeld in art. 552m, derde lid, Sv.
3.2.
De bestreden beschikking houdt ten aanzien van het in het middel bedoelde verweer het volgende in:
"De raadsman heeft (...) aangevoerd dat mevrouw mr. C.C. Westerling-Diderich is gemachtigd om aan het rechtshulpverzoek gevolg te geven. Nu niet blijkt van enige machtiging gericht aan de officier van justitie moet het ervoor worden gehouden dat gevolg is gegeven aan het rechtshulpverzoek zonder de vereiste machtiging. Het verzoek tot afgifte dient daarom te worden afgewezen, (...).
De rechtbank overweegt (...) het volgende.
De machtiging is inderdaad gericht aan mw. Westerling-Diderich van het Internationaal Rechtshulp Centrum Noord te Assen en niet aan de (hoofd)officier van justitie. Artikel 552m Sv., dat hier van toepassing is, verplicht tot ministeriële inmenging. Wil rechtshulp kunnen worden verleend, dan moet de minister van Justitie daartoe een machtiging verstrekken. Als regel wordt de (hoofd)officier van justitie gemachtigd (vgl. ARRS 20 december 1976, AB 1979, 70). Artikel 552m, derde lid, Sv. noemt echter geen instantie aan wie de machtiging moet worden verstrekt. Het bepaalt slechts dat aan rechtshulpverzoeken niet wordt voldaan dan krachtens machtiging van de Minister van Justitie. Aan dit bepaalde is voldaan. Daarmee is de rechter-commissaris gemachtigd aan het verzoek van de Duitse autoriteiten het nodige gevolg te geven. Naar het oordeel van de rechtbank is hiermee voldaan aan de vereisten die Boek IV, titel X Sv. stelt aan het verlenen van rechtshulp."
3.3.
Art. 552m, derde lid, Sv houdt in dat aan de in die bepaling genoemde rechtshulpverzoeken niet wordt voldaan dan krachtens machtiging van de Minister van Justitie, welke machtiging alleen kan worden gegeven voor verzoeken die op een verdrag zijn gegrond en slechts na overleg met de Minister van Financiën. Genoemde bepaling noch enige andere wetsbepaling houdt in aan wie die machtiging moet worden gegeven. Daarom kan de aan het verweer en het middel ten grondslag liggende opvatting dat aan een rechtshulpverzoek als het onderhavige uitsluitend gevolg mag worden gegeven indien de machtiging aan de officier van justitie is verstrekt, niet als juist worden aanvaard. Gelet daarop en in aanmerking genomen hetgeen namens de betrokkenen is aangevoerd, getuigt de verwerping door de Rechtbank van het gevoerde verweer niet van een onjuiste rechtsopvatting. In zoverre faalt het middel.
3.4.
Ook voor het overige kan het middel niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu het middel in zoverre niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Slotsom
Nu het middel niet tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden beschikking ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moeten de beroepen worden verworpen.
5. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt de beroepen.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president C.J.G. Bleichrodt als voorzitter, en de raadsheren J.P. Balkema en A.J.A. Dorst, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, in raadkamer en uitgesproken ter openbare behandeling van 31 mei 2005.