HR, 11-04-2006, nr. 00715/05
ECLI:NL:PHR:2006:AV4010
- Instantie
Hoge Raad (Strafkamer)
- Datum
11-04-2006
- Zaaknummer
00715/05
- LJN
AV4010
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2006:AV4010, Uitspraak, Hoge Raad (Strafkamer), 11‑04‑2006; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2006:AV4010
ECLI:NL:PHR:2006:AV4010, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 11‑04‑2006
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2006:AV4010
- Vindplaatsen
Uitspraak 11‑04‑2006
Inhoudsindicatie
Rechtsmiddelentermijn 14 dagen bij optreden gemachtigde raadsman. Het cassatieberoep tegen het arrest van 27-12-04 is ingesteld op 11-01-05, zodat verdachte - die zich ter terechtzitting van 13-12-04 ex art. 279.1 Sv heeft laten verdedigen - in het beroep niet kan worden ontvangen.
11 april 2006
Strafkamer
nr. 00715/05
EC/SM
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Arnhem van 27 december 2004, nummer 21/003829-04, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1967, ten tijde van de betekening van de aanzegging gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting "Overijssel" (Huis van Bewaring "Zwolle") te Zwolle.
1. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. A. Arslan, advocaat te Zwolle, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Wortel heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad de verdachte niet-ontvankelijk zal verklaren in het beroep.
2. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
Blijkens de stukken is het beroep in cassatie ingesteld op 11 januari 2005, zodat de verdachte - nu deze zich op de terechtzitting van het Hof van 13 december 2004 op de voet van art. 279, eerste lid, Sv heeft laten verdedigen door een daartoe uitdrukkelijk gemachtigde advocaat - in het beroep niet kan worden ontvangen.
3. Beslissing
De Hoge Raad verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren G.J.M. Corstens en W.M.E. Thomassen, in bijzijn van de waarnemend griffier M.T.E. van Huut, en uitgesproken op 11 april 2006.
Conclusie 11‑04‑2006
Inhoudsindicatie
Rechtsmiddelentermijn 14 dagen bij optreden gemachtigde raadsman. Het cassatieberoep tegen het arrest van 27-12-04 is ingesteld op 11-01-05, zodat verdachte - die zich ter terechtzitting van 13-12-04 ex art. 279.1 Sv heeft laten verdedigen - in het beroep niet kan worden ontvangen.
Griffienr. 00715/05
Mr. Wortel
Zitting:28 februari 2006
Conclusie inzake:
[verzoeker = verdachte]
1. Dit cassatieberoep betreft een arrest van het Gerechtshof te Arnhem waarbij verzoeker wegens "diefstal, gevolgd van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om het bezit van het gestolene te verzekeren" is veroordeeld tot twee weken gevangenisstraf.
2. Namens verzoeker heeft mr. A. Arslan, advocaat te Zwolle, bij schriftuur één cassatiemiddel voorgesteld, waarin wordt betoogd dat het Hof niet de vrijheid had om, naar aanleiding van een verweer betreffende de geldigheid van de inleidende dagvaarding, een onjuiste datum op een akte van uitreiking als een kennelijke misslag te beschouwen.
3. Zou ik aan bespreking van dat middel toe kunnen komen, dan zou ik opmerken dat niet valt in te zien welke rechtsnorm door die verbeterde lezing is geschonden, terwijl het Hof daarvoor begrijpelijke argumenten heeft genoemd.
4. Aan het middel kom ik evenwel niet toe, aangezien het cassatieberoep één dag te laat is ingesteld. De bestreden uitspraak is na een behandeling op tegenspraak - namelijk in bijzijn van een door verzoeker gemachtigde raadsman, vgl. HR NJ 2003, 390 - gewezen op 27 december 2004. Derhalve was 10 januari 2005 - een maandag, niet zijnde (gelijkgesteld aan) een algemeen erkende feestdag - de laatste dag voor het instellen van cassatie, vgl. art. 432, eerste lid, aanhef en onder b, Sv.
Dit beroep is evenwel op 11 januari 2005 ingesteld.
5. Deze conclusie strekt ertoe dat verzoeker in dit beroep niet-ontvankelijk zal worden verklaard.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,