HR, 16-05-2006, nr. 01362/05
ECLI:NL:HR:2006:AV7189
- Instantie
Hoge Raad (Strafkamer)
- Datum
16-05-2006
- Zaaknummer
01362/05
- LJN
AV7189
- Vakgebied(en)
Materieel strafrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:PHR:2006:AV7189, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 16‑05‑2006
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2006:AV7189
ECLI:NL:HR:2006:AV7189, Uitspraak, Hoge Raad (Strafkamer), 16‑05‑2006; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2006:AV7189
Beroepschrift, Hoge Raad, 15‑08‑2005
- Wetingang
- Vindplaatsen
NbSr 2006/191
Conclusie 16‑05‑2006
Inhoudsindicatie
Tul en samenloopregeling. Het hof heeft op 1-12-04 n.a.v. vordering tul i.p.v. 4 maanden gevangenisstraf, een werkstraf van 240 uur opgelegd, terwijl verdachte bij vonnis van de rb Rotterdam van 1-7-4 t.z.v. een van de onderhavige zaak afgesplitste zaak, was veroordeeld tot een werkstraf van 120 uur. De samenloopregeling van de art. 57 tot en met 63 Sr is in zo’n geval niet toepasselijk. Het gaat hier immers wat betreft de beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf niet om de oplegging van een straf, maar enkel om de tenuitvoerlegging van het geheel of een deel van een reeds eerder opgelegde straf. In dat eerdere stadium dient de rechter de samen-loopregeling van Sr in acht te nemen. In het latere stadium, dat van de tenuitvoerlegging, is dat niet meer aan de orde.
Nr. 01362/05
Mr. Vellinga
Zitting: 21 maart 2006
Conclusie inzake:
[verdachte]
1. Verdachte is door het Gerechtshof te 's-Gravenhage bij arrest van 1 december 2004 wegens (1 subsidiair) medeplegen van opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst, meermalen gepleegd, en (2) medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden, waarvan vier voorwaardelijk. Voorts is de tenuitvoerlegging bevolen van het bij vonnis van de Rechtbank van 18 februari 2002 opgelegde voorwaardelijke gedeelte van de gevangenisstraf in die zin dat een gedeelte van vier maanden zal worden ten uitvoer gelegd, en wel in dier voege dat het zal worden omgezet in een werkstraf van tweehonderdveertig uren subsidiair honderdtwintig dagen hechtenis, en dat van de overige vier maanden de proeftijd zal worden verlengd met één jaar.
2. Namens verdachte heeft mr. P.M. Rombouts, advocaat te Amsterdam, twee middelen van cassatie voorgesteld.
3. De middelen klagen dat het Hof ten onrechte de beslissing tot voeging van bij één dagvaarding aangebrachte zaken niet ongedaan heeft gemaakt hoewel de verdachte daardoor is benadeeld. Omdat hem ter zake van de afgesplitste feiten een taakstraf van 120 uur is opgelegd, zou het, gelet op het maximaal aantal uren werkstraf van 240 uur (art. 22c lid 2 Sr), als de zaken niet waren gesplitst volgens de toelichting op de middelen niet mogelijk geweest in de onderhavige zaak alsnog de tenuitvoerlegging van een voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf te bevelen in de vorm van een werkstraf van 240 uur.
4. De middelen gaan er aan voorbij dat de beslissing tot splitsing is voorbehouden aan de feitenrechter en zich niet leent voor toetsing in cassatie.(1) Na splitsing is sprake van afzonderlijke zaken, zodat het maximum aantal uren werkstraf als bedoeld in art. 22c, tweede lid, Sr geldt voor iedere zaak afzonderlijk. De middelen kunnen daarom verder onbesproken blijven.
5. Ik merk nog op niet blijkt dat zijdens verdachte in hoger beroep bezwaar is gemaakt tegen de beslissing tot splitsing van de Rechtbank.
6. De middelen kunnen worden afgedaan met de in art. 81 RO bedoelde motivering.
7. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
1 Zie HR 20 april 2004, NJ 2005, 241. Zie voor de beslissing tot voeging HR 4 oktober 1983, NJ 1984, 237; HR 2 december 1986, NJ 1987, 570.
Uitspraak 16‑05‑2006
Inhoudsindicatie
Tul en samenloopregeling. Het hof heeft op 1-12-04 n.a.v. vordering tul i.p.v. 4 maanden gevangenisstraf, een werkstraf van 240 uur opgelegd, terwijl verdachte bij vonnis van de rb Rotterdam van 1-7-4 t.z.v. een van de onderhavige zaak afgesplitste zaak, was veroordeeld tot een werkstraf van 120 uur. De samenloopregeling van de art. 57 tot en met 63 Sr is in zo’n geval niet toepasselijk. Het gaat hier immers wat betreft de beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf niet om de oplegging van een straf, maar enkel om de tenuitvoerlegging van het geheel of een deel van een reeds eerder opgelegde straf. In dat eerdere stadium dient de rechter de samen-loopregeling van Sr in acht te nemen. In het latere stadium, dat van de tenuitvoerlegging, is dat niet meer aan de orde.
16 mei 2006
Strafkamer
nr. 01362/05
AGJ/SM
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 1 december 2004, nummer 22/004455-03, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1972, wonende te [woonplaats].
1. De bestreden uitspraak
Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Rechtbank te Rotterdam van 3 april 2003 - de verdachte vrijgesproken van het bij inleidende dagvaarding onder 1 primair tenlastegelegde en hem voorts ter zake van 1. "medeplegen van opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst, meermalen gepleegd" en 2. "medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd" veroordeeld tot twaalf maanden gevangenisstraf, waarvan vier maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Voorts is de tenuitvoerlegging gelast van een voorwaardelijk opgelegde straf.
2. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. P.M. Rombouts, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Vellinga heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van het eerste middel
Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beoordeling van het tweede middel
4.1. Het middel behelst de klacht dat art. 22c Sr en art. 63 Sr zijn geschonden, aangezien het Hof aan de verdachte, ter vervanging van vier maanden alsnog ten uitvoer te leggen gevangenisstraf, een werkstraf heeft opgelegd voor de duur van 240 uren, terwijl de verdachte bij vonnis van de Rechtbank te Rotterdam van 1 juli 2004 ter zake van een van de onderhavige zaak afgesplitste zaak, reeds was veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 120 uren.
4.2. Het middel berust kennelijk op de opvatting dat in een geval als het onderhavige de samenloopregeling van de art. 57 tot en met 63 Sr toepasselijk is. Die opvatting is onjuist. Het gaat hier immers wat betreft de beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf niet om de oplegging van een straf, maar enkel om de tenuitvoerlegging van het geheel of een deel van een reeds eerder opgelegde straf. In dat eerdere stadium dient de rechter de samenloopregeling van het Wetboek van Strafrecht in acht te nemen. In het latere stadium, dat van de tenuitvoerlegging, is dat niet meer aan de orde.
4.3. Het middel faalt.
5. Slotsom
Nu geen van de middelen tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.
6. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren G.J.M. Corstens en W.M.E. Thomassen, in bijzijn van de waarnemend griffier M.T.E. van Huut, en uitgesproken op 16 mei 2006.
Beroepschrift 15‑08‑2005
SCHRIFTUUR VAN CASSATIE
in de zaak tegen [rekwirant], rekwirant van cassatie van een hem betreffende arrest van het Gerechtshof te Den Haag (22/004455-03), uitgesproken op 1 december 2004.
Rekwirant van cassatie dient hierbij de navolgende middelen in:
Middel I
Schending van het recht en/of verzuim van vormen waarvan niet naleving dient te leiden tot nietigheid. In het bijzonder zijn de artikelen 285 en 415 Sv geschonden, nu het hof in stand heeft gelaten de beslissing van de rechtbank waarbij zij de splitsing heeft bevolen van oorspronkelijk aan haar gevoegd voorgelegde feiten, terwijl dat bevel is gegeven op gronden die de beslissing niet kunnen dragen, althans zonder dat die beslissing voldoende gemotiveerd is.
Toelichting:
De processuele gang van zaken — voor zover relevant — heeft als volgt plaatsgevonden.
Rekwirant is bij inleidende dagvaarding, gedateerd op 6 november 2002, gedagvaard om zich ter terechtzitting van de meervoudige strafkamer van de rechtbank te Rotterdam op 25 november 2002 te verantwoorden voor een vijftal gevoegde feiten. Op die datum is de behandeling van de zaak aangehouden tot aan de terechtzitting van 20 februari 2003. Op laatstgenoemde datum is de behandeling wederom aangehouden tot aan de zitting van 20 maart 2003.
Ter terechtzitting van 20 maart 2003 heeft de rechtbank de feiten 3 t/m 5 afgesplitst. Dit nadat ter zitting was gebleken dat het dossier zoals dat ter beschikking van de verdediging stond niet compleet was. Aanvulling met de ontbrekende stukken leidde tot onderzoekswensen, hieruit bestaande dat een drietal getuigen dienden te worden gehoord. Door de verdediging is primair betoogd dat de zaak integraal diende te worden aangehouden en verwezen naar de rechter-commissaris. Een en ander moge blijken uit de respectieve processen-verbaal die van de zitting van 20 maart 2003 zijn opgemaakt, alsmede uit een schrijven van de raadsman d.d. 29 december 2003 gericht aan de voorzitter.
De beslissing om de feiten 3 t/m 5 af te splitsten bood de rechtbank als voordeel dat met de behandeling van de feiten 1 en 2 (waarvoor rekwirant zich in voorlopige hechtenis bevond) kon worden voortgegaan. Voor rekwirant betekende dit echter dat hij zich geconfronteerd wist met een tweetal afzonderlijke vervolgingen, hetgeen ontegenzeggelijk een benadeling van zijn positie inhield.
Splitsing van (reeds door het openbaar ministerie) gevoegd aan het oordeel van de rechtbank voorgelegde zaken is geregeld in artikel 285 Sv. De criteria voor splitsing kunnen zijn ofwel dat tussen de feiten onvoldoende verband bestaat ofwel omdat zulks in het belang van het onderzoek is. Uit het door de rechtbank opgemaakte proces-verbaal blijkt niet om welke reden de rechtbank het bevel tot splitsing heeft gegeven. Gelet op de inhoud van het dossier laat het zich moeilijk voorstellen dat de rechtbank van oordeel is geweest dat onvoldoende verband tussen de beide feiten bestond.
Het oordeel, zo dit al is gegeven, dat de zaken in het belang van het onderzoek dienden te worden gesplitst is zonder nadere motivering, welke ontbreekt, onbegrijpelijk. Dit geldt temeer daar rekwirant door de splitsing evident slechter af is. Weliswaar biedt artikel 63 Sr (enige) bescherming tegen cumulerende straffen, doch zoals uit het volgende middel zal blijken is deze bescherming niet steeds afdoende. Daar komt bij dat de feiten 1 en 2 kort geleden waren voorgevallen, waardoor de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM bepaald nog niet in zicht was.
Nu rekwirant zich op het standpunt stelt dat splitsing niet had mogen plaatsvinden en het hof deze beslissing —ten onrechte— in stand heeft gelaten dient het onderzoek in hoger beroep op dit punt nietig te worden verklaard en dient (terug)verwijzing te volgen.
Ten overvloede zij opgemerkt dat de afgesplitste zaken inmiddels door de rechtbank zijn afgedaan en hebben geresulteerd in een eindvonnis. Van dit vonnis is hoger beroep ingesteld, hetgeen nog niet is behandeld. Na verwijzing door Uw Raad zal voeging derhalve alsnog kunnen plaatsvinden.
Middel II
Schending van het recht en/of verzuim van vormen waarvan niet naleving nietigheid met zich meebrengt. In het bijzonder zijn de artikelen 22c en 63 Sr geschonden, nu het hof rekwirant een werkstraf voor de duur van 240 uren heeft opgelegd (zulks ter vervanging van 4 maanden alsnog ten uitvoer te leggen gevangenisstraf), terwijl rekwirant bij vonnis van de rechtbank te Rotterdam d.d. 1 juli 2004 reeds was veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 120 uren.
Toelichting:
Zoals uit de toelichting op het eerste middel al bleek is rekwirant voor de afgesplitste zaken afzonderlijk vervolgd. Deze vervolging heeft geleid tot een vonnis van de rechtbank Rotterdam d.d. 1 juli 2004, waarbij rekwirant (onder meer) is veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 120 uren.
Nadien speelt de onderhavige zaak welke heeft geleid tot het bestreden arrest van het hof te Den Haag. Het hof had, bekend met de veroordeling van de rechtbank, niet tot de oplegging van een werkstraf voor de duur van 240 uren kunnen komen, omdat daarmee het maximum zoals dat is bepaald in artikel 22c Sr werd overschreden. Immers, dient rekwirant naar de huidige stand van zaken in totaal 360 uren taakstraf te verrichten, hetgeen meer is dan het maximum zoals genoemd in artikel 22c.
Kennelijk heeft het hof op grond van de persoonlijke omstandigheden van rekwirant geoordeeld dat het onwenselijk zou zijn indien rekwirant opnieuw zou komen vast te zitten. Rekwirant heeft ter zitting ook aangegeven de draad van het gewone leven weer te hebben opgepakt en weer een baan te hebben. Bij die stand van zaken had het hof rekwirant nog maximaal 120 uren werkstraf kunnen opleggen. Van het overige deel van de straf had, zo het hof vast zou houden aan het oordeel dat rekwirant niet opnieuw vast zou moeten komen te zitten, alleen nog de proeftijd kunnen worden verlengd.
Mocht Uw Raad dit middel gegrond achten dan leent het zich mogelijk voor afdoening door Uw Raad, waarbij de opgelegde werkstraf alsnog zal worden verminderd met 120 uren. Indien Uw Raad echter, het middel gegrond achtend, tot het oordeel komt dat slechts over de vordering tot tenuitvoerlegging kan worden geoordeeld nadat ter zitting meer duidelijkheid is gekomen over de persoon en de persoonlijke omstandigheden van rekwirant, dan zal verwijzing dienen te volgen.
Deze schriftuur wordt ondertekend en ingediend door mr. P.M. Rombouts, advocaat te Amsterdam, aldaar kantoorhoudende aan de Vondelstraat 89, (1054 GM) Amsterdam, die verklaart tot deze ondertekening en indiening bepaaldelijk te zijn gevolmachtigd door rekwirant van cassatie.
Amsterdam, 15 augustus 2005
P.M. Rombouts
Raadsman