HR, 23-05-2006, nr. 00614/06B, nr. 01616/05B
ECLI:NL:PHR:2006:AV7944
- Instantie
Hoge Raad (Strafkamer)
- Datum
23-05-2006
- Zaaknummer
00614/06B
01616/05B
- LJN
AV7944
- Vakgebied(en)
Materieel strafrecht (V)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2006:AV7944, Uitspraak, Hoge Raad (Strafkamer), 23‑05‑2006; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2006:AV7944
ECLI:NL:PHR:2006:AV7944, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 23‑05‑2006
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2006:AV7944
Beroepschrift, Hoge Raad, 05‑07‑2005
- Vindplaatsen
Uitspraak 23‑05‑2006
Inhoudsindicatie
Cassatieberoep tegen (1.) o.a.v. van personenauto’s o.g.v. vordering ex art. 36b.1.4 Sr alsmede tegen (2.) ongegrondverklaring beklag ex art. 552a Sv. Ad 1. De vaststelling van de rb dat op de voertuigen valse VIN-nummers zijn aangebracht, is in het licht van hetgeen als verweer is aangevoerd zonder nadere motivering die ontbreekt onbegrijpelijk. Ad 2. Daar de HR de beschikking van de rb tot o.a.v. van de voertuigen zal vernietigen, komt daarmee de grond te ontvallen aan de op die onttrekking gebaseerde beschikking tot ongegrondverklaring van het beklag.
23 mei 2006
Strafkamer
nr. 01616/05 B
nr. 00614/06 B
SM
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
op de beroepen in cassatie tegen:
1. een beschikking van de Rechtbank te Rotterdam van 28 juli 2004, nummer RK 04/625, genomen op een vordering als bedoeld in artikel 36b, eerste lid onder 4º, Wetboek van Strafrecht met betrekking tot zes gebruikte personenauto's terwijl niet bekend is aan wie het inbeslaggenomene toebehoort en
2. een beschikking van de Rechtbank te Rotterdam van 28 juli 2004, nummer RK 04/358, genomen op een beklag als
bedoeld in artikel 552a, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering tot teruggave van zes gebruikte personenauto's ingediend door de hierna te noemen [klager], welke beroepen zijn ingesteld door:
[klager], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1964, wonende te [woonplaats].
1. De bestreden beschikkingen
De Rechtbank heeft bij de hiervoor onder 1 genoemde beschikking de vordering van de Officier van Justitie toegewezen en zes gebruikte personenauto's onttrokken aan het verkeer verklaard. Voorts heeft de Rechtbank bij de hiervoor onder 2 genoemde beschikking het door [klager] ingediende beklag ongegrond verklaard.
2. Gedingen in cassatie
2.1. Namens [klager] heeft mr. B.J. van Beek, advocaat te Enschede, in ieder van de zaken bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schrifturen zijn aan deze beschikking gehecht en maken daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Wortel heeft in zijn conclusie en aanvullende conclusie geconcludeerd tot verwerping van de beroepen.
2.2. De Hoge Raad heeft kennisgenomen van het schriftelijk commentaar van de raadsman op de conclusie en de aanvullende conclusie van de Advocaat-Generaal.
2.3. De Hoge Raad heeft de beide zaken gevoegd.
3. Beoordeling van het eerste middel in het beroep tegen beschikking RK 04/625
3.1. Naar zijn kennelijk strekking is met het middel onder meer bedoeld te klagen over het oordeel van de Rechtbank dat op de inbeslaggenomen voertuigen een vals VIN-nummer is aangebracht.
3.2. De van het proces-verbaal van de behandeling in raadkamer deel uitmakende pleitnotities houden, voorzover hier van belang, in dat er geen aanwijzing is dat de voertuigen of onderdelen daarvan van diefstal afkomstig zijn of op andere wijze object van onrechtmatig handelen zijn en dat uit een als productie overgelegde brief van Rover Deutschland blijkt dat, anders dan het NFI concludeert, de zogenaamde VIN-nummers bij de onderhavige voertuigen in de vloerplaat mochten worden aangebracht.
Die brief houdt onder meer in:
"entgegen den derzeitigen Bestimmungen, dass die Fahrgestellnummer eines Fahrzeugs auf der rechten, vorderen Seite des Fahrzeugs eingeschlagen sein muss, kann bei älteren PKW die Fahrgestellnummer auch an anderen Rahmen- oder Karosserieteilen eingeprägt sein.
Bei den von ihnen genannten Fahrzeugen des Typ Mini mit folgenden Fahrgestellnummern
(...)
Ist diese Prägung auf der rechten Seite (in Fahrtrichtung) im Bodenblech werkseitig vorgenommen worden.
Die Prägung der Fahrgestellnummer wurde manuell und nicht maschinell durchgeführt."
3.3. De bestreden beschikking nr. RK 04/625 houdt in;
"Een VIN-nummer (Voertuig Identificatie Nummer) is een unieke code van 17 posities aan de hand waarvan voertuigen overal en altijd kunnen worden geïdentificeerd. Het VIN-nummer dient te worden beschouwd als een merk, zoals bedoeld in artikel 219 van het Wetboek van Strafrecht (HR 21 november 2000, LJN AA8406).
Gelet daarop dient een VIN-nummer te zijn aangebracht door ofwel de fabrikant, ofwel een daartoe bevoegde instantie zoals de Rijksdienst voor het Wegverkeer (RDW). De VIN-nummers van de onderhavige voertuigen voldoen daar niet aan en zijn derhalve aan te merken als vals.
Het ongecontroleerde bezit van voertuigen met een vals VIN-nummer is in strijd met het algemeen belang (HR 12 november 2002, NJ 2003, 595)."
3.4. De vaststelling van de Rechtbank dat op de onderhavige voertuigen valse VIN-nummers zijn aangebracht is in het licht van hetgeen als verweer is aangevoerd zonder nadere motivering die ontbreekt onbegrijpelijk.
4. Beoordeling van het eerste middel in het beroep tegen beschikking RK 04/358
4.1. Het middel bevat de klacht dat de Rechtbank de ongegrondverklaring van het klaagschrift ten onrechte heeft gebaseerd op haar beschikking tot onttrekking aan het verkeer van de in het klaagschrift aangeduide voertuigen, omdat die beschikking onjuist is.
4.2. Daar de Hoge Raad in de onderhavige beschikking de beschikking van de Rechtbank nr. RK 04/625 tot onttrekking aan het verkeer van de voertuigen zal vernietigen, komt daarmee ook de grond te ontvallen aan de op die onttrekking gebaseerde bestreden beschikking tot ongegrondverklaring van het beklag.
5. Slotsom
Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden beschikkingen niet in stand kunnen blijven, de overige middelen geen bespreking behoeven en als volgt moet worden beslist.
6. Beslissing
De Hoge Raad:
Vernietigt de bestreden beschikkingen;
Verwijst de gevoegde zaak naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage, opdat de gevoegde zaak op de bestaande vordering en het bestaande beklag opnieuw wordt behandeld en afgedaan.
Deze beschikking is gegeven door de president W.J.M. Davids als voorzitter, en de raadsheren G.J.M. Corstens en B.C. de Savornin Lohman, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, in raadkamer en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 23 mei 2006.
Conclusie 23‑05‑2006
Inhoudsindicatie
Cassatieberoep tegen (1.) o.a.v. van personenauto’s o.g.v. vordering ex art. 36b.1.4 Sr alsmede tegen (2.) ongegrondverklaring beklag ex art. 552a Sv. Ad 1. De vaststelling van de rb dat op de voertuigen valse VIN-nummers zijn aangebracht, is in het licht van hetgeen als verweer is aangevoerd zonder nadere motivering die ontbreekt onbegrijpelijk. Ad 2. Daar de HR de beschikking van de rb tot o.a.v. van de voertuigen zal vernietigen, komt daarmee de grond te ontvallen aan de op die onttrekking gebaseerde beschikking tot ongegrondverklaring van het beklag.
Griffienr. 00614/06 B
Mr. Wortel
Zitting:28 maart 2006
Conclusie inzake:
[klager]
1. Inzake het cassatieberoep met het tweede hierboven genoemde griffienummer heb ik ter zitting van 28 februari jongstleden geconcludeerd, waarbij ik ervan uitging dat alleen tegen een beschikking tot afwijzing van een klaagschrift (strekkende tot teruggave van inbeslaggenomen auto's) cassatie was ingesteld, maar niet tegen een gelijktijdig gewezen beschikking tot onttrekking aan het verkeer (van diezelfde auto's).
In een schriftelijke reactie op die conclusie wees mr. Van Beek, die in deze procedure voor verzoeker optreedt, er op dat tegen de beide beschikkingen cassatieberoep is ingesteld, en inzake beide beroepen een schriftuur is ingediend. Het beroep tegen de beschikking tot onttrekking aan het verkeer was hier aanvankelijk niet onderkend, en is thans ingeschreven onder het eerste hierboven genoemde griffienummer.
Ik concludeer nu voor het eerst inzake dat beroep, en aanvullend inzake griffienr 01616/05B.
De beschikking tot onttrekking aan het verkeer, op vordering van het Openbaar Ministerie (griffienummer 00614/06B)
2. De Rechtbank heeft op vordering van het Openbaar Ministerie zes gebruikte personenauto's, van het merk en type Austin Mini, aan het verkeer onttrokken. Daartoe overwoog de Rechtbank dat de zes auto's zijn voorzien van een vals VIN-nummer (voertuig identificatie nummer), aangezien niet is voldaan aan de eis dat een VIN-nummer hetzij door de fabrikant, hetzij door een bevoegde instantie moet zijn aangebracht, terwijl in de rechtspraak is bepaald dat het ongecontroleerd bezit van voertuigen met een vals VIN-nummer in strijd is met het algemeen belang.
3. Blijkens het verhandelde in raadkamer heeft verzoeker zich toegelegd op de restauratie van zulke auto's, waarbij hij veelal uit verschillende aangekochte (in slechte staat verkerende) auto's één gerestaureerde auto samenstelt. Uit het verhandelde in raadkamer valt voorts af te leiden dat de zes auto's waarom het in deze zaak gaat zijn inbeslaggenomen terwijl zij gereedstonden voor verzending naar de Verenigde Staten.
4. In algemene zin merk ik op dat in de toelichting op de middelen omstandiger verweer wordt gevoerd dan - blijkens de daarvan opgemaakte processen-verbaal en de overgelegde pleitaantekeningen - bij de behandeling in raadkamer is geschied. Cassatieberoep kan alleen betrekking hebben op de beslissingen naar aanleiding van hetgeen in feitelijke aanleg werd aangevoerd. Wat de feiten betreft richt ik mij dus uitsluitend op hetgeen te vinden is in het klaagschrift, de processen-verbaal van behandeling in raadkamer en de overgelegde pleitaantekeningen.
5. Het eerste middel behelst de klacht dat ten onrechte (en impliciet) het verweer is verworpen dat er geen grond voor de inbeslagneming is geweest, en die inbeslagneming ook overigens onrechtmatig was.
6. Het verweer kwam er op neer dat er geen enkele aanwijzing is dat de betreffende auto's of onderdelen daarvan van diefstal afkomstig zijn, of op onrechtmatige wijze verkregen; dat de auto's niet van een kenteken waren voorzien omdat zij naar de Verenigde Staten zouden worden uitgevoerd alwaar zij gekeurd zouden moeten worden, en dat de politie geen enkele poging heeft gedaan de identiteit van de auto's te achterhalen, ofschoon verzoeker die moeiteloos had kunnen aantonen. Voorts is nagelaten verzoeker op de hoogte te brengen van de inbeslagneming, en heeft de politie het ten onrechte voorgesteld alsof de rechthebbende niet te achterhalen was, aangezien van meet af aan bekend was wie de verzender van de auto's was.
7. Dit verweer doet, indien juist, niet af aan het oordeel van de Rechtbank dat de auto's waren voorzien van een VIN dat niet het originele door de fabrikant aangebrachte, danwel door een bevoegde instantie (nadien) ingeslagen kenmerk was.
Gegrondbevinding van het verweer zou dus niet tot een andere uitspraak hebben geleid. Daarop moet het middel afstuiten.
8. Het tweede middel klaagt over de verwerping van het verweer dat de vordering van de officier van justitie tot onttrekking aan het verkeer nietig, althans niet-ontvankelijk dient te worden verklaard omdat in die vordering geen deugdelijke grond is genoemd, en voorts ten onrechte is vermeld dat niet bekend is aan wie het inbeslaggenomene toebehoort.
9. Dit verweer (dat overigens zinledig zou zijn voor zover het de geldigheid van de vordering betreft) is niet in herkenbare vorm terug te vinden in de processen-verbaal van behandeling in raadkamer of in de aldaar overgelegde pleitaantekeningen.
Reeds daarom faalt het middel.
10. Het derde middel bevat de klacht dat de Rechtbank de officier van justitie ten onrechte in de vordering ontvankelijk heeft verklaard, aangezien nergens uit blijkt dat het Openbaar Ministerie niet voornemens was verzoeker te vervolgen.
11. Het is niet onbegrijpelijk dat de Rechtbank de vordering tot onttrekking aan het verkeer aldus heeft verstaan dat geen (verdere) vervolging zal worden ingesteld. Indien (verdere) vervolging wordt beoogd zal een dergelijke vordering immers niet gedaan (kunnen) worden.
Ook dit middel faalt.
12. Het vijfde middel bevat de klacht dat ten onrechte het verweer is verworpen dat het beslag nietig moet worden verklaard, en daarmee tevens het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de vordering tot onttrekking aan het verkeer moet worden verklaard, wegens de onbehoorlijke wijze waarop verzoeker (in verband met de beslaglegging) is bejegend.
13. Het middel moet het lot van het tweede middel delen: voor zover uit de aan de Hoge Raad toegezonden stukken valt op te maken is namens verzoeker verzocht om een last tot teruggave, en betoogd dat de vordering tot onttrekking aan het verkeer (dus) moet worden afgewezen, maar er blijkt niet dat een beslissing is gevraagd als in dit middel genoemd.
Nader aangaande de beschikking tot afwijzing van het beklag (griffienummer 01616/05)
14. Het eerste middel bevat de klacht dat de Rechtbank de nu bestreden beslissing ten onrechte heeft doen steunen op de gelijktijdig uitgesproken onttrekking aan het verkeer, aangezien die laatste beslissing op onjuiste of ontoereikende gronden is genomen.
De overige middelen zijn een herhaling van de klachten die tegen de beslissing tot onttrekking aan het verkeer zijn opgeworpen.
15. Aangezien de beschikking tot onttrekking aan het verkeer naar mijn oordeel in stand kan blijven faalt het eerste middel. De overige middelen keren zich niet rechtstreeks tegen de hier bestreden afwijzing van het klaagschrift en behoeven daarom geen bespreking.
16. De middelen inzake het cassatieberoep tegen de beschikking tot onttrekking aan het verkeer en het eerste middel inzake de afwijzing van het klaagschrift lenen zich voor afdoening met de in art. 81 RO bedoelde korte motivering. Aan de overige middelen die tegen de afwijzing van het klaagschrift zijn voorgesteld kan worden voorbijgegaan.
17. Deze (ten dele aanvullende) conclusie strekt tot verwerping van de beroepen.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,
Beroepschrift 05‑07‑2005
Toevoeging aangevraagd bij de Raad voor Rechtsbijstand te Arnhem d.d. 6 juli 2005
CASSATIESCHRIFTUUR
Inzake
[rekwirant]/ O.M.
Griffienummer:
RKnr: 04/358 klaagschrift ex art. 552a Sv — weigering teruggave Beschikking d.d. 28 juli 2004
Aan de Hoge Raad der Nederlanden
Te 's‑Gravenhage
Geeft eerbiedig te kennen:
[rekwirant], wonende te [postcode] [woonplaats] aan de [straat] [nummer] ten deze woonplaats kiezende te [postcode] [plaats] aan de [straat] [nummer] ten kantore van de advocaat en procureur mr. [naam advocaat], die door hem bepaaldelijk is gevolmachtigd tot ondertekening en indiening van deze schriftuur;
Dat rekwirant van cassatie van de hem betreffende beschikking van de raadkamer in de Rechtbank te Rotterdam, uitgesproken op 28 juli 2004, de volgende middelen van cassatie voordraagt:
Middel 1
Het recht is geschonden en er zijn vormen verzuimd waarvan niet naleving nietigheid medebrengt. In het bijzonder zijn de artt. 358, 359 en 425 Sv. geschonden doordien de Rechtbank de klacht tegen het voortduren van de inbeslagneming en het uitblijven van de last tot teruggave aan klager van het inbeslaggenomene, ongegrond heeft verklaard op grond van het feit dat ‘teruggave van het inbeslaggenomene niet meer mogelijk is nu heden in raadkamer bij afzonderlijke rechterlijke procedure op vordering van het openbaar ministerie de onttrekking aan het verkeer van het inbeslaggenomene is bepaald’ en derhalve op gronden die de verwerping niet kunnen dragen.
toelichting
rekwirant is van mening dat de rechtbank haar ongegrondverklaring ten onrechte heeft gebaseerd op haar gelijktijdig genomen besluit om de beslagen auto's aan het verkeer te onttrekken omdat dit laatste besluit eveneens ten onrechte, want op onjuiste gronden en niet naar behoren met redenen omkleed, is genomen
Middel 2:
Het recht is geschonden en er zijn vormen verzuimd waarvan niet naleving nietigheid medebrengt. In het bijzonder zijn de artt. 358, 359 en 425 Sv. geschonden doordien de Rechtbank het namens rekwirant gevoerde verweer ten onrechte, althans op gronden die de verwerping niet kunnen dragen, heeft verworpen. De beschikking van de Rechtbank is tengevolge hiervan niet naar de eisen der wet naar behoren met redenen omkleed. Dit verweer van rekwirant omvat meerdere gronden en houdt kort samengevat in:
Dat het beslag op de auto's van rekwirant op onrechtmatige wijze althans onjuiste danwel onbekende gronden is gelegd en derhalve nietig c.q. vernietigbaar moet worden geacht. Immers is aan rekwirant als eigenaar en belanghebbende op geen enkele wijze mededeling gedaan van het beslag, noch is er op enigerlei wijze meegedeeld of gebleken wat de gronden voor het beslag zijn. Dit beslag is derhalve niet naar de eisen van de wet aan rekwirant betekend danwel kenbaar gemaakt en berust op onjuiste gronden.
Rekwirant heeft doen stellen dat er geen grond voor inbeslagname is daar er met of ten behoeve van de betreffende auto's geen onrechtmatige handelingen zijn gepleegd. Immers zijn de auto's ontstaan door samenvoeging van twee auto's die op rechtmatige wijze door rekwirant zijn verkregen en waarvan de herkomst bekend en aangetoond is. De donorauto is hierbij op de voorgeschreven wijze afgemeld.
Rekwirant stelt zich vervolgens op het standpunt dat er geen enkele grond is te veronderstellen dat de herkomst het ontstaan, het gebruik en met name de uitvoer van de betreffende auto's in strijd is met de wet weshalve deze auto's aan het verkeer zouden moeten worden onttrokken.
Toelichting:
De Rechtbank heeft deze stellingen van rekwirant kennelijk verworpen op grond van de onjuiste opvatting, dat de auto's wel degelijk aan het verkeer dienen te worden onttrokken, omdat met de historie van de auto's zou zijn geknoeid, waardoor deze niet meer te achterhalen is, terwijl voorts de in de Staatscourant van april 2000 nr. 83 gepubliceerde voorschriften voor het samenvoegen van auto's niet zouden zijn nageleefd, doordien de niet gebruikte onderdelen niet zijn ingeleverd bij de Rijksdienst voor het Wegverkeer en de auto's na samenvoeging niet zijn gekeurd. Hierbij heeft de Rechtbank kennelijk — in casu ongefundeerd — de stelling van het O.M. overgenomen dat het ongecontroleerd bezit van auto's met een vals kenteken moet worden bestreden.
Rekwirant is van mening, welke mening wordt gedeeld door de door hem geraadpleegde medewerker van de R.D.W., dat er — althans in de praktijk — geen sprake is van het inleveren van niet gebruikte auto-onderdelen, terwijl de eis van keuring van het tot stand gekomen voortuig door de R.D.W. slechts van toepassing is op voor het Nederlandse wegverkeer bestemde auto's. Nu de in beslag genomen auto's niet bestemd zijn voor het Nederlandse wegverkeer, doch voor uitvoer naar Amerika en voor gebruik in Amerika, valt niet in te zien waarom een dergelijke keuring in Nederland dient plaats te vinden. Eén en ander klemt temeer nu er nog wekelijks grote hoeveelheden auto's, die op dezelfde wijze tot stand zijn gekomen, worden uitgevoerd naar Amerika.
Ten onrechte gaat de Rechtbank er in casu kennelijk van uit dat er sprake is van auto's met een vals kenteken, waarbij er alsdan aan wordt voorbij gegaan dat rekwirant zowel de kentekenbewijzen van de beslagen auto's, als die van de zogenaamde donorauto's in het geding heeft gebracht. Terwijl rekwirant eveneens, middels een verklaring van de autofabrikant, meent te hebben aangetoond dat de Voertuigidentificatienummers, anders dan het Nederlands Forensisch Instituut (ongemotiveerd) veronderstelt, bij de betreffende auto's in de bodemplaat behoort te zijn aangebracht. Rekwirant is inmiddels ook in het bezit van een verklaring van de autofabrikant dat de betreffende V.I.N.-nummers destijds ook handmatig werden ingeslagen (prod. 1). Rekwirant is van mening dat de Rechtbank aldus in redelijkheid niet heeft kunnen komen tot het besluit dat de kentekens van de betreffende auto's vals zijn.
Ter toelichting zij hierbij vermeld dat de betreffende voertuigidentificatienummers (V.I.N.nummer) bij de auto's van de betreffende bouwjaren, hetzij door de fabrikant, maar meestal door de importeur handmatig werden aangebracht in de bodemplaat. Dat de betreffende nummers niet door de fabrikant zouden zijn aangebracht, wordt ten onrechte door de Rechtbank aangenomen op basis van de ongemotiveerde veronderstelling van het N.F.I. dat alle VIN-nummers bij de betreffende voertuigen fabrieksmatig in de raamstijl zijn aangebracht.
Rekwirant is, mede op grond van publicaties in het politieblad betreffende de beslaglegging, van mening dat in deze op oneigenlijke wijze wordt getracht een, op zich gerechtvaardigd maar in casu niet aan de orde zijnd, doel na te streven, teweten het paal en perk stellen aan de diefstal van auto's en de uitvoer van gestolen auto's, daar in casu voldoende is aangetoond dat geen sprake is van gestolen auto's.
Voor zover toch sprake zou zijn van enige handeling of enig verzuim in strijd met de voorschriften terzake van het samenvoegen van auto's, kan het slechts handelen om lichte omissies of overtredingen van deze voorschriften, die een onttrekking aan het verkeer en een daarop gebaseerd beslag, niet rechtvaardigen.
Voor zover rekwirant onvoldoende bewijs zou hebben geleverd, had hij, op grond van zijn aanbod daartoe, in de gelegenheid moeten worden gesteld dit bewijs alsnog bij te brengen.
Middel 3
Het recht is geschonden en er zijn vormen verzuimd waarvan niet naleving nietigheid medebrengt. In het bijzonder zijn de artt. 350, 359 en 425 Sv. geschonden doordien de Rechtbank het namens rekwirant gevoerde verweer ten onrechte, althans op gronden die niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kunnen worden afgeleid, heeft verworpen. De beschikking van de Rechtbank is tengevolge hiervan niet naar de eisen der wet naar behoren met redenen omkleed. Dit verweer van rekwirant houdt kort samengevat in:
Dat het beslag dient te worden opgeheven nu dit is gebaseerd op de vordering tot onttrekking aan het verkeer met betrekking tot de betreffende auto's onder RKnr. 04/625 terwijl deze vordering nietig is althans niet ontvankelijk dient te worden verklaard omdat hierin geen deugdelijke grond is opgenomen en voorts ten onrechte in de vordering wordt gesteld dat niet bekend is aan wie het inbeslaggenomene toebehoort.
Toelichting
Immers wordt als grond voor de vordering tot onttrekking aan het verkeer slechts aangevoerd dat met betrekking tot het in beslaggenomene het strafbare feit is begaan, terwijl in het verloop van de procedure noch tijdens de mondelinge behandeling, gesteld noch gebleken is dat er sprake is van een strafbaar feit. De rechtbank heeft kennelijk aangenomen dat met het strafbare feit wordt bedoeld het delikt van art. 219 van het Wetboek van Strafrecht. Daargelaten dat naar de mening van rekwirant van een dergelijk delict in casu geen sprake is, is rekwirant van mening dat zelfs indien hier sprake zou zijn van vervalsing van V.I.V.-nummers, dit nog niet inhoudt dat het bezit c.q. de uitvoer van dergelijke auto's in strijd is met de wet.
Nu er van uit moet worden gegaan dat voldoende is aangetoond dat de betreffende in beslag genomen auto's, noch de zogenaamde donorauto's, niet van diefstal afkomstig zijn, gaat de regel die de Rechtbank kennelijk tot haar uitgangspunt heeft genomen, dat auto's met een vals kenteken veelal van diefstal afkomstig blijken te zijn, in casu aantoonbaar niet op. Ook kan niet worden gesteld dat het in het algemeen belang is dat onderhavige auto's worden vernietigd omdat geen enkel belang gediend is met het vernietigen van legaal verworven auto's die slechts zijn samengevoegd volgens de daarvoor gestelde regels en die bovendien duidelijk bestemd zijn voor de Amerikaanse markt.
Het is naar de mening van rekwirant slechts aan de Amerikaanse autoriteiten om te beoordelen of zij de betreffende voertuigen tot Amerika wenst toe te laten. Dat zulks niet het geval is, is gesteld noch gebleken.
Middel 4
Het recht is geschonden en er zijn vormen verzuimd waarvan niet naleving nietigheid medebrengt. In het bijzonder zijn de artt. 358, 359 en 425 Sv. geschonden doordien de Rechtbank ten onrechte haar beslissing heeft gebaseerd op een niet ontvankelijke vordering van de officier van justitie tot onttrekking aan het verkeer. Immers heeft de Rechtbank ten onrechte aangenomen dat blijkens voornoemde vordering tot onttrekking aan het verkeer, de officier van justitie niet voornemens is een vervolging in te stellen, weshalve de officier van justitie in zijn afzonderlijke vordering ontvankelijk is verklaard. De beschikking van de Rechtbank is tengevolge hiervan gebaseerd op gronden die de verwerping niet kunnen dragen en niet naar de eisen der wet naar behoren met redenen omkleed.
Toelichting
De beslissing van de Rechtbank om het verzoek tot opheffing van het beslag ongegrond te verklaren wordt gebaseerd op de gelijktijdig genomen beslissing ten aanzien van de afzonderlijke vordering van de Officier van Justitie tot onttrekking aan het verkeer van de betreffende voertuigen. In deze beslissing overweegt de Rechtbank evenwel dat uit de betreffende vordering tot onttrekking aan het verkeer blijkt dat de officier niet voornemens is een vordering in te stellen. Echter uit de betreffende vordering tot onttrekking aan het verkeer blijkt op geen enkele wijze dat de officier van justitie niet voornemens is een vervolging in te stellen. In de vordering wordt slechts algemeen verwezen naar de artikelen 36b, 36c en 36d van het wetboek van strafrecht terwijl overigens met geen woord wordt gerept over het afzien van verdere vervolging. De vordering wordt aangevangen met de woorden: ‘overwegende dat in de onder het bovengenoemde parketnummer ingeschreven strafzaak, welke in eerste aanleg zal worden vervolgd / is vervolgd / had kunnen worden vervolgd voor etc.’
In deze zin wordt een drietal keuzemogelijkheden gegeven, waaruit evenwel door de officier van justitie geen keuze is bepaald. Aldus kan niet worden gesteld dat hieruit kan worden geconcludeerd dat de officier van Justitie niet voornemens is een vervolging in te stellen. Uw Hoge Raad heeft op 10 januari 1984 (NJ 1984,684) bepaald dat de Rechtbank dient te onderzoeken of de officier het voornemen heeft tot vervolging over te gaan. De conclusie dat de officier van justitie niet voornemens is tot vervolging over te gaan, kan niet worden afgeleid uit het enkele feit dat hij een afzonderlijke vordering tot onttrekking aan het verkeer heeft ingesteld. Dit zou een ontoelaatbare cirkelredenering inhouden.
Middel 5
Het recht is geschonden en er zijn vormen verzuimd waarvan niet naleving nietigheid medebrengt. In het bijzonder zijn de artt. 358, 359 en 425 Sv. geschonden doordien de Rechtbank het namens rekwirant gevoerde verweer ten onrechte, althans op gronden die de verwerping niet kunnen dragen, heeft verworpen. De beschikking van de Rechtbank is tengevolge hiervan niet naar de eisen der wet naar behoren met redenen omkleed. Dit verweer van rekwirant houdt kort samengevat in:
Dat door justitie op zo'n onbehoorlijke wijze jegens hem is gehandeld, dat zij niet ontvankelijk dient te worden verklaard in haar vordering tot onttrekking aan het verkeer, waarmee alsdan tevens het beslag dient te worden opgeheven.
Toelichting
Rekwirant heeft in de procedure in eerste instantie duidelijk aangegeven dat er volstrekt onbehoorlijk jegens hem is gehandeld. Immers zijn de betreffende auto's reeds in juli 2003 in beslag genomen zonder dat hierover maar enige mededeling is gedaan aan de belanghebbenden, ook nadat hierom door rekwirant duidelijk is gevraagd. Vervolgens is kennelijk in april 2004 een vordering tot onttrekking aan het verkeer gedaan, terwijl deze evenwel pas bij de behandeling van het verzoek tot opheffing van het beslag, ter zitting van 16 juni 2004, aan rekwirant ter hand is gesteld. Ondertussen heeft rekwirant in een vaktijdschrift moeten lezen dat hij kennelijk werd verdacht van het op grote schaal helen en omkatten van de betreffende auto's terwijl hiervan geen enkele sprake is. De mogelijkheid om zich hiertegen te verweren, en bewijs te leveren van het feit dat geen sprake is van ‘omgekatte’ auto's — voor zover nog nodig — wordt hem ontnomen doordat er geen vervolging wordt ingesteld. Tenslotte wordt geen enkele poging gedaan om de stelling van eiser dat de auto's legaal zijn verkregen — welke stelling wordt onderbouwd met de overlegging van de kentekens van zowel de donor-auto's als van de inbeslaggenomen auto's — te weerleggen en wordt simpelweg verondersteld dat de V.I.N.-nummers vals zijn op grond van een onjuiste vooronderstelling van het N.F.I.
Ondertussen wordt zelfs in de vordering tot onttrekking aan het verkeer volgehouden dat niet bekend is aan wie het in beslag genomene toebehoort, terwijl rekwirant al meer dan een half jaar probeert uitsluitsel van justitie te verkrijgen en uit de verschepingsdocumenten duidelijk blijkt wie de opdrachtgever is.
Ondertussen worden wekelijks grote partijen op dezelfde wijze samengestelde mini's verscheept, zonder dat justitie ook maar enige moeite doet om zulks een halt toe te roepen. Rekwirant is van mening dat een dergelijke handelswijze als in casu getuigt van pure willekeur en een duidelijke onwil om volgens de daartoe gestelde regels te handelen. Hij is van mening dat aldus sprake is van een vorm van detournement de pouvoir — d.w.z. in casu het nastreven van een op zich gerechtvaardigd belang op een daarvoor niet geëigende wijze — die ook in het strafrecht niet kan worden aanvaard.
De officier van justitie had derhalve in zijn vordering tot onttrekking aan het verkeer niet ontvankelijk dienen te worden verklaard, nu zelfs indien sprake zou zijn van bezit van voertuigen welke strijdig is met het algemeen belang — quod non — zulks niet opweegt tegen het belang van een behoorlijke rechtsgang.
Aldus opgemaakt, getekend en ingediend door mr. [naam advocaat], advocaat te [plaats], die verklaart tot deze ondertekening en indiening bepaaldelijk door rekwirant van cassatie te zijn gevolmachtigd.
[plaats], 5 juli 2005
Mr. [naam advocaat]