HR, 03-10-2006, nr. 03100/05
ECLI:NL:HR:2006:AY0187
- Instantie
Hoge Raad (Strafkamer)
- Datum
03-10-2006
- Zaaknummer
03100/05
- LJN
AY0187
- Vakgebied(en)
Bijzonder strafrecht (V)
Bestuursrecht algemeen (V)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:PHR:2006:AY0187, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 03‑10‑2006
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2006:AY0187
ECLI:NL:HR:2006:AY0187, Uitspraak, Hoge Raad (Strafkamer), 03‑10‑2006; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2006:AY0187
Beroepschrift, Hoge Raad, 28‑11‑2005
- Wetingang
- Vindplaatsen
NbSr 2006/419
Conclusie 03‑10‑2006
Inhoudsindicatie
OM-cassatie. Hof: het bewezenverklaarde is toegesneden op het t.t.v. de overtreding vervallen art. 6 Vreemdelingenwet (oud), zodat het bewezenverklaarde geen strafbaar feit oplevert en o.v.a.r. volgt. HR: ‘s hofs beslissing dat het bewezenverklaarde geen strafbaar feit oplevert is onjuist omdat de bewezenverklaring alle bestanddelen bevat van de delictsomschrijvingen in art. 3.1 en 4.1 Vreemdelingenwet 2000, waaraan de enkele, niet meer relevante verwijzing naar art. 6 (oud) van de Vreemdelingenwet niet afdoet.
Griffienr. 03099/05 E en 03100/05 E
Mr. Wortel
Zitting:27 juni 2006
Conclusie inzake:
[verdachte]
1. Deze cassatieberoepen betreffen twee op dezelfde dag gewezen arresten van het Gerechtshof te Amsterdam waarbij bewezen is verklaard dat de bovengenoemde vennootschap de tenlastegelegde feiten heeft begaan, doch die vennootschap (hierna: [verdachte]) van alle rechtsvervolging is ontslagen omdat de feiten, zoals tenlastegelegd en bewezenverklaard, niet strafbaar zijn gesteld.
2. De cassatieberoepen zijn ingesteld door de advocaat-generaal bij het Hof, die bij schriftuur een cassatiemiddel heeft voorgesteld.
3. Het gaat er in essentie om dat de Koninklijke Marechaussee op Schiphol verschillende malen heeft vastgesteld dat met vluchten van [verdachte] vreemdelingen zijn gearriveerd die niet over het vereiste visum beschikten. Ik begrijp uit de stukken (met name in de beide feitelijke instanties overgelegde pleitaantekeningen) dat die vreemdelingen allen op doortocht waren; na enkele uren, de volgende dag of na een kort verblijf in Nederland zouden zij een aansluitende vlucht moeten nemen. Blijkens de stukken hanteert Nederland uiteenlopende visa ten opzichte van vreemdelingen die hier op doortocht zijn, afhankelijk van de duur van hun verblijf op Nederlands grondgebied.
4. De steller van het - in beide zaken gelijkluidende - cassatiemiddel doet weten dat hij deze twee zaken heeft geselecteerd uit een groter aantal gelijksoortige (en gelijktijdig behandelde) zaken tegen [verdachte]. Deze twee zaken worden om principiële redenen aan de Hoge Raad voorgelegd: het Openbaar Ministerie stelt er groot belang in [verdachte] alsnog te kunnen confronteren met haar onzorgvuldigheid ten aanzien van de Nederlandse vreemdelingenwetgeving.
5. Het wonderlijke aan deze zaken is dat pas in hoger beroep aan de orde kwam dat de tenlasteleggingen een misslag bevatten. De verdediging concentreerde zich bij de Kantonrechter op de ernst van het aan [verdachte] te maken verwijt, mede in het licht van de ondoorgrondelijkheid van de Nederlandse wegeving en de toepasselijke vervolgingsrichtlijnen. De inrichting van de tenlastelegging, en daarmee de inhoudelijke geldigheid van de dagvaardingen en de strafbaarheid van de feiten zoals die zijn tenlastegelegd, kwam pas in hoger beroep aan de orde.
6. De tenlasteleggingen steken aldus in elkaar dat door tussenkomst van [verdachte] telkens een vreemdeling op Nederlands grondgebied is gebracht, aan wie
"het niet krachtens een der bepalingen van de artikelen 8 tot en met 10 van de Vreemdelingenwet was toegestaan in Nederland te verblijven en/of welke vreemdeling niet voldeed aan de bij of krachtens algemene maatregel van bestuur vastgestelde vereisten ten aanzien van het bezit van een document voor grensoverschrijding"
waarbij [verdachte]
"niet aan haar verplichting heeft voldaan om
- de nodige maatregelen te nemen en/of
- het redelijkerwijs te vorderen toezicht te houden
om te voorkomen dat door die vreemdeling niet werd voldaan aan een of meer vereiste(n), zoals genoemd in artikel 6 lid 1 van de Vreemdelingenwet"
aangezien [verdachte] die vreemdeling aan boord heeft genomen en naar Nederland vervoerd terwijl die vreemdeling niet in het bezit van het vereiste visum was.
Deze tenlastelegging vermeldt tenslotte:
"een en ander als bedoeld in de Vreemdelingenwet, het Vreemdelingenbesluit, het Voorschrift Vreemdelingen en de Richtlijnen voor vervoerders;
Art. 4 lid 1 Vreemdelingenwet 2000
Art. 4 lid 2 Vreemdelingenwet 2000."
7. Met ingang van 1 april 2001 zijn de relevante bepalingen van de Vreemdelingenwet vervangen door het bepaalde in de Vreemdelingenwet 2000.
De tenlastegelegde feiten zijn begaan in de eerste dagen van juni 2002, respectievelijk eind juli van dat jaar. Er kan geen onduidelijkheid over bestaan dat op die feiten de Vreemdelingenwet 2000 toepasselijk is; een overgangsrechtelijk probleem kan hier niet aan de orde zijn geweest.
8. Art. 4, eerste lid, Vreemdelingenwet 2000 legt op vervoerders die vreemdelingen op Nederlands grondgebied afleveren de verplichting "de nodige maatregelen te nemen" en het redelijkerwijs mogelijke "toezicht te houden" teneinde de naleving van art. 3, eerste lid, onder a van de Wet te verzekeren. Laatstgenoemde bepaling houdt in dat toegang tot Nederland wordt geweigerd aan de vreemdeling die niet in het bezit is van een voor grensoverschrijding geldig document of van het benodigde visum.
De aanhaling van art. 4, eerste lid, Vreemdelingenwet 2000 aan de voet van de tenlasteleggingen is dus correct (maar de vermelding van art. 4, tweede lid, van die wet, betreffende de zogenaamde "afschriftplicht", is in deze twee zaken misplaatst, doch dit terzijde).
9. Daarentegen kan de verwijzing, in dezelfde tenlasteleggingen, naar op [verdachte] rustende verplichtingen "zoals genoemd in artikel 6 lid 1 van de Vreemdelingenwet" onmogelijk juist zijn. Het eerste lid van art. 6 Vreemdelingenwet 2000 betreft de vrijheidsbeneming ten aanzien van degene die niet tot Nederland wordt toegelaten. Gedoeld moet zijn op art. 6 van de oude Vreemdelingenwet. Dat artikel kende namelijk een eerste lid, inhoudend dat aan vreemdelingen alleen toegang tot Nederland werd verschaft indien zij krachtens de art. 8 tot en met 10 van die voormalige wet in Nederland mochten verblijven. Het tweede lid van dat art. 6 van de voormalige Vreemdelingenwet regelde de verplichtingen van vervoerders, ongeveer op de wijze als thans in de eerste twee leden van art. 4 Vreemdelingenwet 2000 is geschied. Hieruit vloeit gelijk voort dat ook de verwijzing naar "een der bepalingen van de artikelen 8 tot en met 10 van de Vreemdelingenwet" in deze tenlasteleggingen niet thuishoort.
10. Kortom: na het van kracht worden van de Vreemdelingenwet 2000 heeft de systeembeheerder van COMPAS (of hoe het computersysteem voor de aanmaak van tenlasteleggingen inmiddels ook mag heten) de bepalingen uit de oude en de nieuwe wet door elkaar geklutst. En kennelijk wreekt zich hier dat de organisatie van het Openbaar Ministerie niet verzekert dat elke tenlastelegging nog eens met een kritisch en deskundig oog wordt nagezien.
11. Toen de verdediging eenmaal wakker was geworden stelde de advocaat-generaal het Hof voor de onjuiste verwijzing naar art. 6, lid 1, van de Vreemdelingenwet verbeterd te lezen. Het Hof heeft dat niet willen doen, overwegende dat de wettelijke systematiek is gewijzigd: art. 6, eerste lid, van de voormalige Vreemdelingenwet bevatte de voorwaarden om aan een vreemdeling toegang tot Nederlands grondgebied te verschaffen, terwijl de in deze zaak toepasselijke pendant uit de Vreemdelingenwet 2000, art. 3, eerste lid, aanhef en onder a, de gronden noemt waarop die toegang zal worden geweigerd. Het Hof heeft in de wetsgeschiedenis teruggevonden dat bewust voor deze andere systematiek is gekozen. Verder heeft het Hof vastgesteld dat niet alleen de verwijzing naar art. 6, eerste lid, Vreemdelingenwet verbeterd gelezen zou moeten worden; er zou een ingrijpender 'verbeterde lezing' nodig zijn om de tenlastelegging in overeenstemming te brengen met het huidige wettelijk systeem.
12. De toelichting op het middel neemt tot uitgangspunt dat de rechter niet aan de tenlastelegging gebonden is voor zover die op een foute kwalificatie berust. Daarom zou het Hof gehouden zijn geweest de kennelijke misslag te herstellen.
13. Ik deel dat standpunt niet. Het gaat hier, als gezegd, om een onvolkomenheid in de tenlasteleggingen die kennelijk is ontstaan door de gebrekkige manier waarop een wetswijziging in het geautomatiseerde systeem voor vervaardiging van tenlasteleggingen is verwerkt. Daarvoor zal het Openbaar Ministerie verantwoordelijkheid moeten accepteren.
Verder kan ik in de stukken van deze zaken niet onmiddellijk de aanwijzingen vinden dat [verdachte] schromelijk tekort is geschoten in de zorgvuldigheid die zij als vervoerder ten aanzien van de Nederlandse vreemdelingenwetgeving had behoren te betrachten. Fijntjes merk ik op dat tijdens de behandeling in hoger beroep aan de orde is geweest dat zelfs de ambtenaren van de Koninklijke Marechaussee op Schiphol niet altijd kans zien om in één keer correct aan te geven welk soort visum een vreemdeling had moeten hebben.
14. Daarom zie ik niet in waarom het Hof de grenzen van zijn bevoegdheden had moeten verkennen teneinde een bij het Openbaar Ministerie opgetreden fout te herstellen en alsnog de door het Openbaar Ministerie gewenste strafoplegging mogelijk te maken. Ik stel derhalve voor het zo eenvoudig mogelijk te houden: de beslissing op het verzoek om verbeterde lezing van de tenlasteleggingen berust op een uitleg van de bestaande tenlasteleggingen die met de bewoordingen ervan niet onverenigbaar is, en voor het overige in cassatie dient te worden gerespecteerd.
15. Het voorgaande brengt mee dat het in beide zaken voorgestelde middel naar mijn inzicht kan worden afgedaan met de in art. 81 RO bedoelde formule.
16. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,
Uitspraak 03‑10‑2006
Inhoudsindicatie
OM-cassatie. Hof: het bewezenverklaarde is toegesneden op het t.t.v. de overtreding vervallen art. 6 Vreemdelingenwet (oud), zodat het bewezenverklaarde geen strafbaar feit oplevert en o.v.a.r. volgt. HR: ‘s hofs beslissing dat het bewezenverklaarde geen strafbaar feit oplevert is onjuist omdat de bewezenverklaring alle bestanddelen bevat van de delictsomschrijvingen in art. 3.1 en 4.1 Vreemdelingenwet 2000, waaraan de enkele, niet meer relevante verwijzing naar art. 6 (oud) van de Vreemdelingenwet niet afdoet.
3 oktober 2006
Strafkamer
nr. 03100/05 E
KM/MR
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam, Economische Kamer, van 4 februari 2005, nummer 23/001499-04, in de strafzaak tegen:
[verdachte], gevestigd te [vestigingsplaats].
1. De bestreden uitspraak
Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Rechtbank te Haarlem van 12 augustus 2003 - de verdachte ontslagen van alle rechtsvervolging.
2. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door Advocaat-Generaal bij het Hof. Deze heeft bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Wortel heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad het beroep zal verwerpen.
3. Beoordeling van het middel
3.1. Het middel klaagt dat het Hof het bewezenverklaarde ten onrechte niet heeft gekwalificeerd als "overtreding van art. 4, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000" althans dat het Hof zijn beslissing dat het bewezenverklaarde geen strafbaar feit oplevert en de verdachte derhalve dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging, niet naar behoren heeft gemotiveerd.
3.2.1. Ten laste van de verdachte heeft het Hof bewezenverklaard dat:
"zij in de periode van 23 juli 2002 tot en met 24 juli 2002 buiten Nederland, en te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer,
als vervoerder door wiens tussenkomst (met vlucht nummer [vluchtnummer]) 1 een vreemdeling (van Albanese nationaliteit) binnen het grondgebied van Nederland werd gebracht vanaf de luchthaven(s) Detroit (Verenigde Staten van Amerika),
aan welke vreemdeling het niet krachtens een der bepalingen van de artikelen 8 tot en met 10 van de Vreemdelingenwet was toegestaan in Nederland te verblijven en/of welke vreemdeling niet voldeed aan de bij of krachtens algemene maatregel van bestuur vastgestelde vereisten ten aanzien van het bezit van een document voor grensoverschrijding, niet aan haar verplichtingen heeft voldaan om
- de nodige maatregelen te nemen en/of
- het redelijkerwijs te vorderen toezicht te houden om te voorkomen dat door die vreemdeling niet werd voldaan aan een of meer vereiste(n), zoals genoemd in artikel 6 lid 1 van de Vreemdelingenwet,
immers heeft zij, verdachte, toen aldaar die vreemdeling toegelaten aan boord van een vliegtuig met bovengenoemd vluchtnummer en (per vliegtuig) vervoerd naar Nederland en binnen het grondgebied van Nederland gebracht terwijl die vreemdeling onvoldoende gedocumenteerd was, te weten niet in het bezit van het vereiste visum."
3.2.2. Onder het hoofd 'Strafbaarheid van het bewezengeachte' heeft het Hof als volgt geoordeeld:
Gelet op het voorgaande moet worden vastgesteld dat het bewezengeachte geen strafbaar feit oplevert. De verdachte dient derhalve te worden ontslagen van alle rechtsvervolging."
3.2.3. De bepalingen van de Vreemdelingenwet 2000 die voor de beoordeling van het middel van belang zijn, luiden als volgt:
- Art. 4, eerste lid:
"De vervoerder door wiens tussenkomst de vreemdeling aan een buitengrens of binnen het grondgebied van Nederland wordt gebracht, neemt de nodige maatregelen en houdt het toezicht dat redelijkerwijs van hem kan worden gevorderd om te voorkomen dat door de vreemdeling niet wordt voldaan aan artikel 3, eerste lid, onder a."
- Art. 3, eerste lid:
"Toegang tot Nederland wordt geweigerd aan de vreemdeling die:
a. niet in het bezit is van een geldig document voor grensoverschrijding, dan wel in het bezit is van een document voor grensoverschrijding waarin het benodigde visum ontbreekt (...)."
- Art. 108, tweede lid:
"2. Overtreding van een voorschrift, vastgesteld bij of krachtens artikel 4, eerste en tweede lid, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste zes maanden of geldboete van de vierde categorie."
3.3. Gelet op het bovenstaande is de beslissing van het Hof dat het bewezenverklaarde geen strafbaar feit oplevert onjuist omdat de bewezenverklaring alle bestanddelen van de onder 3.2.3 weergegeven delictsomschrijvingen bevat, waaraan de enkele, niet meer relevante verwijzing naar art. 6 (oud) van de Vreemdelingenwet niet afdoet.
3.4. Het middel slaagt.
4. Slotsom
Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven en dat als volgt moet worden beslist.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
Vernietigt de bestreden uitspraak;
Wijst de zaak terug naar het Gerechtshof te Amsterdam, Economische Kamer, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren J.P. Balkema en J. de Hullu, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 3 oktober 2006.
Beroepschrift 28‑11‑2005
Openbaar Ministerie
Ressortsparket Amsterdam
Edelhoogachtbaar College!
Op 4 februari 2005 heeft het gerechtshof te Amsterdam uitspraak gedaan in de strafzaak met rolnummer 23/001499-04 tegen Northwest Airlines Incorporated, gevestigd te 1182 GP Amstelveen, Amsterdamseweg 55. Op 18 februari 205 heb ik beroep in cassatie ingesteld tegen dit arrest.
De onderhavige strafzaak is er één is van twaalf strafzaken tegen Northwest Airlines, die alle betrekking hebben op één of meer overtredingen van artikel 4 van de Vreemdelingenwet 2000. Alleen in de zaken met de rolnummers 23/001495-04 en 23/001499-04 heb ik het cassatieberoep doorgezet; dit zijn kleine, overzichtelijke zaken waarbij in het ene geval gaat om het vervoeren en binnen het grondgebied van Nederland brengen van een onvoldoende gedocumenteerde vreemdeling die niet in het bezit was van het vereiste C-visum, en in het andere geval om een vreemdeling die niet in het bezit was van het vereiste B-visum. De kantonrechter in de rechtbank te Haarlem had op 12 augustus 2003 uitspraak gedaan in alle twaalf strafzaken, waarbij de kantonrechter 53 geldboetes had opgelegd met als uitgangspunt een bedrag van € 1.815 per vervoerde vreemdeling. De geldboetes varieerden van € 1.815 tot € 14.520, afhankelijk van het aantal onvoldoende gedocumenteerde vreemdelingen dat de verdachte met een bepaalde vlucht Nederland binnenbracht; het totaal kwam uit op € 137.940, uitgaande van mijn aantekeningen en daaronder begrepen drie overtredingen van de eveneens in artikel 4 van de Vreemdelingenwet 2000 omschreven afschriftplicht.
De twaalf zaken werden aangebracht bij de enkelvoudige strafkamer in het gerechtshof te Amsterdam. Deze verwees de zaken op 13 augustus 2004 naar de meervoudige kamer welke de zaken op 21 januari 2005 behandelde.
Ik heb mijn cassatieberoep om proces-economische redenen beperkt tot genoemde twee zaken. Ik teken hierbij aan dat de twaalf zaken naar mijn mening overtredingen van betrekkelijk geringe ernst betroffen en betreffen. Het totaal der door de kantonrechter opgelegde geldboetes is voor de gemiddelde burger een zeer fors bedrag; voor een internationale luchtvaartmaatschappij lijkt het mij echter een onbeduidend bedrag, zodat ook hieraan geen argument kon worden ontleend om alle twaalf cassatieberoepen te handhaven. Eventuele gevolgen van de resterende twee strafzaken voor de exploitatie van de luchtvaartmaatschappij kunnen naar mijn mening slechts gewicht in de schaal leggen; gedacht kan dan worden aan opleiding van het personeel dat reizigers incheckt, of aan wijziging van procedures bij de controle van documenten voor grensoverschrijding. Ook om deze redenen heb ik berust in de uitspraken in de andere tien zaken.
Ik stel het volgende cassatiemiddel voor.
Cassatiemiddel
Schending van het recht dan wel verzuim van vormen waarvan de niet-inachtneming nietigheid meebrengt als bedoeld in artikel 79 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie, in het bijzonder van de artikelen 3, eerste lid, onder a, en 4, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 en/of van de artikelen 261, 350, 358, tweede lid, en 359, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering doordat het hof ten onrechte het bewezenverklaarde niet heeft gekwalificeerd als ‘Overtreding van artikel 4, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000’, althans zijn beslissing dat het bewezenverklaarde geen strafbaar feit oplevert en de verdachte derhalve dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging, niet naar behoren heeft gemotiveerd.
Toelichting
1
Blijkens het bestreden arrest heeft de advocaat-generaal het hof voorgesteld de tenlastelegging voor wat betreft het daarin aangehaalde artikel 6, eerste lid, van de Vreemdelingenwet verbeterd te lezen.
2
Het hof overweegt daartoe het volgende:
‘Het voorstel van de advocaat-generaal moet kennelijk aldus worden begrepen dat in de laatste regel van de vierde alinea van de tenlastelegging in plaats van de woorden ‘artikel 6 lid 1 van de Vreemdelingenwet’ gelezen moet worden ‘artikel 3 lid 1 onder a van de Vreemdelingenwet 2000’. Voorop moet worden gesteld dat artikel 6, eerste lid, van de Vreemdelingenwet (oud) aangaf onder welke voorwaarden aan vreemdelingen toegang tot Nederland werd verschaft, terwijl artikel 3, eerste lid aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 gronden omschrijft voor weigering van toegang tot Nederland aan vreemdelingen. Waar de verplichting van de vervoerder door diens tussenkomst een vreemdeling aan de buitengrens of binnen het grondgebied van Nederland wordt gebracht voorheen in artikel 6 van de Vreemdelingenwet (oud) was neergelegd, berust deze thans op hetgeen in de artikelen 3 en 4 van de Vreemdelingenwet 2000 in neergelegd, in onderling verband en samenhang beschouwd. Blijkens de wetsgeschiedenis van de Vreemdelingenwet 2000 is aan deze gewijzigde systematiek welbewust de voorkeur gegeven boven de oude systematiek. De tenlastelegging in de onderhavige strafzaak is blijkens haar bewoordingen en het daarin tot uitdrukking gebrachte juridisch kader geheel toegesneden op de in de Vreemdelingenwet (oud) gevolgde systematiek. De door de advocaat-generaal voorgestelde verbeterde lezing — waarbij de woorden ‘artikel 6 lid 1 van de Vreemdelingenwet’ worden begrepen als ‘artikel 3 lid 1 onder a van de Vreemdelingenwet 2000’— brengt hier geen verandering in. Ook overigens ziet het hof geen mogelijkheid om de tenlastelegging zodanig verbeterd te lezen dat deze alsnog is toegesneden op het bepaalde in de Vreemdelingenwet 2000 zonder afbreuk te doen aan het beginsel dat recht wordt gedaan op grondslag van de tenlastelegging.’
3
Na te hebben geoordeeld dat de dagvaarding geldig is en dat de verdachte het bewezengeachte heeft begaan overweegt het hof omtrent de strafbaarheid van het bewezengeachte het volgende:
‘Het bewezenverklaarde is toegesneden op artikel 6 van de Vreemdelingenwet (oud). Ten tijde van het bewezenverklaarde was overtreding van het in artikel 6 van de Vreemdelingenwet (oud) bepaalde niet strafbaar gesteld, waar deze wet destijds niet meer van kracht was.
Gelet op het voorgaande moet worden vastgesteld dat het bewezengeachte geen strafbaar feit oplevert. De verdachte dient derhalve te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.’
4
De redenering van het hof kan als volgt worden samengevat. De tenlastelegging is geheel toegesneden op overtreding van artikel 6 van de Vreemdelingenwet (oud). Overtreding van dit voorschrift was ten tijde van het bewezenverklaarde niet meer strafbaar. Zonder verlating van de grondslag van de tenlastelegging is het niet mogelijk het bewezenverklaarde te kwalificeren als overtreding van het thans wel strafbare voorschrift van artikel 4 van de Vreemdelingenwet 2000.
5
Naar mijn mening heeft — zo blijkt uit de memorie van toelichting behorende bij het wetsvoorstel Vreemdelingenwet 2000 (TK 1998–1999, 26732, nr.3, blz. 17–18) — de door het hof bedoelde gewijzigde wetssystematiek in het geheel geen betrekking op de in de wet aan de vervoerder opgelegde en bij niet-naleving strafbaar gestelde verplichtingen. Artikel 4 van de Vreemdelingenwet 2000 is inhoudelijk immers gelijk aan artikel 6, tweede lid, eerste volzin van de Vreemdelingenwet (oud), zo blijkt uit de Nota naar aanleiding van het Verslag behorende bij het wetsvoorstel Vreemdelingenwet 2000 (TK 1999–2000, 26732, nr. 7, blz. 93).
6
Naar mijn mening is de in de tenlastelegging voorkomende zinsnede:
‘aan welke vreemdeling het niet krachtens een der bepalingen van de artikelen 8 tot en met 10 van de Vreemdelingenwet was toegestaan in Nederland te verblijven en/of welke vreemdeling niet voldeed aan de bij of krachtens algemene maatregel van bestuur vastgestelde vereisten ten aanzien van het bezit van een document voor grensoverschrijding, niet aan haar verplichting heeft voldaan om de nodige maatregelen te nemen en/of het redelijkerwijs te vorderen toezicht te houden om te voorkomen dat door die vreemdeling niet werd voldaan aan een of meer vereiste(n), zoals genoemd in artikel 6 lid 1 van de Vreemdelingenwet,’
voor verbetering vatbaar voor zover deze zinsnede is ontleend aan artikel 6 van de Vreemdelingenwet (oud) en kwalificatieve betekenis heeft. De rechter is immers niet gebonden is aan een foutieve kwalificatie, ook niet als die foutieve kwalificatie is opgenomen in de tenlastelegging. Het hof had derhalve óf — zoals door de advocaat-generaal is voorgesteld — die foutieve kwalificatie in de tenlastelegging verbeterd moeten lezen door daarin de thans van toepassing zijnde voorschriften van de Vreemdelingenwet 2000 in plaats van de inhoudelijke identieke voorschriften van de Vreemdelingenwet (oud) te lezen, een optie die naar mijn mening de voorkeur verdient, óf die foutieve kwalificatie in de bewezenverklaring helemaal moeten weglaten en vervolgens slechts de feitelijke beschuldiging omschreven in het tweede gedeelte van de tenlastelegging na het woord ‘immers’ bewezen moeten verklaren en het bewezenverklaarde tenslotte moeten kwalificeren als ‘Overtreding van artikel 4, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000’.
7
In de eerste optie zou de bewezenverklaring als volgt hebben kunnen luiden:
dat zij in of omstreeks de periode van 23 juli 2002 tot en met 24 juli 2002 buiten Nederland en te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, als vervoerder door wiens tussenkomst (met vlucht NW 40) een vreemdeling (van Albanese nationaliteit) binnen het grondgebied van Nederland werd gebracht vanaf de luchthaven Detroit (Verenigde Staten van Amerika)
niet de nodige maatregelen heeft genomen en/of het toezicht heeft gehouden dat redelijkerwijs van haar gevorderd kon worden om te voorkomen dat door die vreemdeling niet werd voldaan aan artikel 3, eerste lid, onder a, van de Vreemdelingenwet 2000,
immers heeft zij, verdachte, toen aldaar die vreemdeling toegelaten aan boord van een vliegtuig met bovengenoemd vluchtnummer en (per vliegtuig) vervoerd naar Nederland en binnen het grondgebied van Nederland gebracht, terwijl die vreemdeling onvoldoende gedocumenteerd was, te weten niet in het bezit van het vereiste visum.
8
In de laatste optie zou de bewezenverklaring als volgt hebben kunnen luiden:
dat zij in of omstreeks de periode van 23 juli 2002 tot en met 24 juli 2002 buiten Nederland en te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, als vervoerder door haar tussenkomst een vreemdeling (van Albanese nationaliteit) heeft toegelaten aan boord van een vliegtuig met vluchtnummer NW 40 en (per vliegtuig) vanaf de luchthaven Detroit heeft vervoerd naar Nederland en binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, terwijl die vreemdeling onvoldoende gedocumenteerd was, te weten niet in het bezit van het vereiste visum.
9
Beide bewezenverklaringen lenen zich voor de kwalificatie: ‘Overtreding van artikel 4, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000’.
10
Uit het voorgaande volgt dat 's hofs beslissing dat het bewezenverklaarde geen strafbaar feit oplevert, rechtens onjuist is en ondeugdelijk is gemotiveerd.
11
Ik verzoek uw Raad dan ook het arrest van het gerechtshof te Amsterdam van 4 februari 2005 te vernietigen voor zover is geoordeeld dat het bewezenverklaarde geen strafbaar feit oplevert en de verdachte deswege van alle rechtsvervolging is ontslagen, en vervolgens te bevelen hetgeen overeenkomstig de bepalingen der wet behoort of had behoren te geschieden.
Advocaat-generaal,
R. Terpstra