HR, 09-01-2007, nr. 00886/06
ECLI:NL:HR:2007:AZ3307
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
09-01-2007
- Zaaknummer
00886/06
- LJN
AZ3307
- Vakgebied(en)
Materieel strafrecht (V)
Internationaal strafrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:PHR:2007:AZ3307, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 09‑01‑2007
Arrest gerechtshof: ECLI:NL:GHSGR:2005:AU2469
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2007:AZ3307
ECLI:NL:HR:2007:AZ3307, Uitspraak, Hoge Raad, 09‑01‑2007; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2007:AZ3307
In cassatie op: ECLI:NL:GHSGR:2005:AU2469, Bekrachtiging/bevestiging
Beroepschrift, Hoge Raad, 27‑05‑2006
- Vindplaatsen
Conclusie 09‑01‑2007
Inhoudsindicatie
Verdachte is veroordeeld voor het medeplegen van moord op een pasgeborene. Het hof verwierp het mede op de art. 8 en 14 EVRM gegronde beroep van verdachte (niet zijnde de moeder) op toepasselijkheid van de geprivilegieerde strafbepalingen van art. 290 en 291 Sr. HR: ’s Hofs oordeel dat de art. 290 en 291 Sr te dezen niet toepasselijk zijn is juist.
Nr. 00886/06
Mr. Machielse
Zitting: 21 november 2006
Conclusie inzake:
[Verdachte]
1. Verdachte is op 12 september 2005 door het Gerechtshof te 's-Gravenhage wegens het medeplegen van moord veroordeeld tot negen jaren gevangenisstraf.
2. De verdachte heeft cassatie ingesteld. Namens hem heeft mr. G. Spong, advocaat te Amsterdam een schriftuur houdende twee middelen van cassatie ingediend.
3. Het eerste middel klaagt dat de bewezenverklaring niet naar de eis der wet met redenen is omkleed. Het opzet en de voorbedachte rade kunnen niet uit de bewijsmiddelen worden afgeleid. Het hof heeft een verweer met die strekking verworpen op gronden die de verwerping niet kunnen dragen.
4. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
"hij op 17 oktober 2003 te 's-Gravenhage tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk en met voorbedachten rade het zojuist uit [medeverdachte 1] geboren kind van het leven heeft beroofd, door met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg:
- meermalen een sjaal of een (hand)doek op de mond en/of het gezicht van het kind te drukken,
- meermalen de nek of het hoofd van het kind (om) te draaien,
- met een mes meermalen in de keel van het kind te snijden, en
- het kind vervolgens in een plastic tas te leggen en vervolgens in een gracht te gooien, tengevolge waarvan voornoemd kind is overleden."
5. Het Hof heeft overwogen:
"Ter terechtzitting in hoger beroep is door de verdediging betoogd dat de verdachte het tenlastegelegde feit niet heeft begaan met voorbedachten rade. De verdediging onderbouwt het betoog - kort samengevat en zakelijk weergegeven - als volgt:
Voorbedachte rade vereist kalm beraad en rustig overleg en is het tegenovergestelde van handelen in een ogenblikkelijke opwelling van drift of hartstocht, die de dader als het ware onvoorbereid vindt, en hem brengt tot de onmiddellijk gevolgde daad.
Gezien de verklaringen van verdachte en diens vriendin ([medeverdachte 1]) is er geen sprake geweest van een zeker tijdsverloop waarin men zich daadwerkelijk heeft kunnen beraden. Veracht heeft zich tevoren niet kunnen beraden of kunnen nadenken over wat hij zou gaan doen als het kindje geboren werd. Verdachte was er immers van overtuigd dat het kindje reeds dood was in de buik van [medeverdachte 1]. Doordat het kindje levend geboren werd, ontstond er bij de verdachte paniek. De paniek en het korte tijdsbestek tussen de geboorte en de gevolgde daad hebben geen ruimte gelaten voor kalm beraad en rustig overleg, aldus de verdediging.
Het hof overweegt hieromtrent als volgt:
Voor een bewezenverklaring van voorbedachte rade is volgens vaste rechtspraak voldoende dat komt vast te staan dat de verdachte tijd had zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit, zodat de gelegenheid heeft bestaan tot nadenken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.
In dit verband zijn de navolgende feiten en omstandigheden van belang;
De verdachte heeft samen met zijn vriendin op meerdere manieren getracht het zojuist uit haar geboren kind van het leven te beroven. De handelingen zijn opeenvolgend geweest, waarbij verdachte en zijn vriendin vastberaden en doeltreffend zijn doorgegaan op de na de geboorte eenmaal ingeslagen weg van het doden van het kind.
Immers:
De vriendin van verdachte heeft meteen na de geboorte van het kind een sjaal of een handdoek op de mond en/of het gezicht van het kind gedrukt, met als kennelijk doel het kind te laten stikken. Vervolgens heeft zij de nek/het hoofd van het kindje (om)gedraaid. Toen dit niet tot het beoogde resultaat leidde, heeft zij opnieuw enige malen de nek/hoofd van het kind (om)gedraaid.
De verdachte heeft bij deze handelingen aanwijzingen gegeven over de wijze waarop dit diende te gebeuren en zijn vriendin aangemoedigd het te doen én te herhalen. Vervolgens heeft de vriendin van verdachte wederom een sjaal of een handdoek op de mond en/of het gezicht van het kind gedrukt. Toen het leek dat het kindje nog niet was overleden, heeft de verdachte voorgesteld om de keel van het kind door te snijden. Vervolgens heeft de verdachte aan haar een mes gegeven. Op verzoek van zijn vriendin heeft verdachte een t-shirt gepakt om het bloed op te vangen. Toen het doorsnijden van de keel niet lukte, heeft de verdachte tegen zijn vriendin gezegd dat zij harder moest snijden of meer kracht moest zetten. Daarop heeft zij de keel van het kind doorgesneden. Vervolgens heeft de verdachte - nadat zijn vriendin hierom vroeg - een plastic tas gegeven, waarin het kind werd gestopt.
De verdachte heeft hierop deze zak dichtgeknoopt. Hierna hebben verdachte en zijn vriendin - in overleg - de zak in een gracht gegooid.
Uit de genoemde omstandigheden concludeert het hof dat er voor de verdachte en zijn vriendin meerdere momenten zijn geweest waarin zij tijd hadden om zich te beraden op de te nemen of genomen besluiten, zodat er meerdere gelegenheden hebben bestaan om over de betekenis en de gevolgen van hun voorgenomen daad na te denken en zich daarvan rekenschap te geven.
Aldus acht het hof bewezen dat bij de verdachte en zijn vriendin het opzet en de voorbedachte rade heeft voorgezeten om het kind van het leven te beroven, zodat het verweer wordt verworpen."
6. Voor een bewezenverklaring van voorbedachte raad - in deze zaak in de op moord toegesneden tenlastelegging en bewezenverklaring nader uitgedrukt met de woorden "na kalm beraad en rustig overleg" - is, zoals het Hof heeft overwogen, voldoende dat komt vast te staan dat de verdachte tijd had zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.(1) Ook als het besluit betrekkelijk korte tijd voor de uitvoering ervan is genomen kan er al van voorbedachte raad sprake zijn.(2)
7. Volgens de steller van het middel heeft het Hof over het hoofd gezien dat, als de verdachte (feitelijk) niet in staat was om zich te beraden over het genomen besluit en na te denken over de daad, het niet relevant is dat hij daarvoor (theoretisch) tijd en gelegenheid heeft gehad. Deze redering kan ik volgen.
8. Zo een geval doet zich hier voor en de verdediging heeft het Hof daarop gewezen, gaat de steller van het middel verder. De verdachte was in paniek. Dat levert een Meer en Vaart-verweer op. Het Hof verzuimt dat te verwerpen. Het rept alleen over de omstandigheid dat er theoretisch de tijd voor beraad was.
9.1. Het Hof wordt hier niet correct geïnterpreteerd. Het omschrijft uitvoerig hoe het pasgeboren kind om het leven is gebracht. Het gaat om de toedracht meteen na de geboorte. De rollen van de verdachte en zijn vriendin [medeverdachte 1] zijn als volgt verdeeld. Zij verricht de handelingen die kennelijk gericht zijn op de dood van het kind. Er zijn opeenvolgende handelingen nodig om het overlijden teweeg te brengen. Hij geeft haar aanwijzingen en moedigt haar aan om de handelingen te verrichten en om deze te herhalen. Als de ene methode geen succes heeft stelt hij een andere voor, net zolang totdat het kind is overleden. Het Hof vat samen: bij de opeenvolgende handelingen zijn de verdachte en zijn vriendin vastberaden en doeltreffend doorgegaan op de na de geboorte eenmaal ingeslagen weg van het doden van het kind. Ook als verdachte niet kalm en rustig was, maar zeer geagiteerd en emotioneel, staat dat er overigens niet aan in de weg dat de gelegenheid heeft bestaan om zich te bezinnen.(3) Ik houd staande dat voor het verkeren in een paniektoestand hetzelfde geldt.
9.2. Bovendien heeft het Hof tot het bewijs gebezigd:
- als de tegenover de politie afgelegde verklaring van [medeverdachte 1]:
"[Verdachte] zei tegen mij dat ik het op moest lossen. [Verdachte] zei: "Draai dan de nek om". Ik heb geprobeerd de nek om te draaien. Ik heb tegen [verdachte] gezegd: "Het gaat niet dood". Ik zei tegen [verdachte]: "Zal ik de keel doorsnijden?". [Verdachte] pakte het mes en zei: "Doe dan". Ik sneed een keer en toen kwam er een klein sneetje. [Verdachte] zei: "Dan moet je meer kracht zetten". Toen sneed ik nog een keer en was alleen de huid doorgesneden. We keken en zagen het binnenste zitten. [Verdachte] zei toen: "Nu moet je dat nog doorsnijden." Ik dacht dat als ik dat door zou snijden dat er dan een hoop bloed zou komen en ik zei dat tegen [verdachte]. Ik zei tegen [verdachte] dat hij iets neer moest leggen. [verdachte] legde een sjaal neer bij de keel. Hij hield het eronder zodat ik kon snijden. Het liep gewoon leeg. [Verdachte] pakte een plastic tas en daar hebben we het kindje in gedaan. Later heb ik die plastic tas in de gracht van de Bierkade gegooid."
- als de tegenover de politie afgelegde verklaring van de verdachte:
"[Medeverdachte 1] zei: "Het komt eruit". Ik hoorde rochelen. De baby maakte dat geluid. [Medeverdachte 1] pakte een handdoek. Ik zag dat [medeverdachte 1] de handdoek op het mondje van de baby drukte. Zij wilde de baby laten stikken. Zij haalde de doek van het mondje. Ik hoorde dat de baby rochelde. Ik zag dat zij de doek weer op het mondje van de baby drukte. [Medeverdachte 1] haalde de doek er weer af. De baby leefde nog steeds. Ik hoorde [medeverdachte 1] zeggen: "Ik ga dat hoofd draaien". Waarop ik zei: "Ja, doe maar". Ik zag dat [medeverdachte 1] de bovenkant van het hoofd vastpakte en het rechtsom draaide. Ik hoorde toen weer gerochel. [Medeverdachte 1] heeft datzelfde daarna nog twee keer geprobeerd.
Ik hoorde haar aan mij vragen: "Zal ik nog een keer draaien": Ik zei: "Ja, doe maar". Ik zag dat zij wederom een paar keer aan het hoofd draaide. De baby was niet dood. [Medeverdachte 1] pakte wederom de doek en drukte dit op het mondje van de baby. Ik hoorde dat [medeverdachte 1] aan mij vroeg: "wat moet ik doen?" Toen heb ik gezegd: "De keel doorsnijden of zo"; [Medeverdachte 1] zei: "Zal ik die keel doorsnijden?" Ik zei: "Ja, doe maar". Ik heb het mes voor haar gepakt en haar gegeven. [Medeverdachte 1] zei dat ik er iets voor moest houden. Ik heb een T-shirt gepakt en heb dit ervoor gehouden om het bloeden te stuiten. Ik hoorde [medeverdachte 1] zeggen: "Het lukt niet". Ik zei tegen [medeverdachte 1]: "Dan moet je het harder doen": Ik zag dat het toen wel lukte om de keel van de baby door te snijden. Volgens mij was de baby dood. Het was een meisje. (...)"
10. In de bewijsmotivering, als weergegeven onder nummer 9, en in de geciteerde bewijsmiddelen ligt onmiskenbaar besloten dat het Hof het door de verdediging opgeroepen beeld van een door paniek bevangen verdachte niet onderschrijft. Anders dan het middel wil, heeft het Hof bij de verwerping van het verweer dus niets in het midden gelaten. Een Meer en Vaart-verweer is niet aan de orde. Daarvoor is een alternatief scenario nodig dat niet door de bewijsmiddelen wordt uitgesloten maar wel in de weg staat aan de bewezenverklaring. Het door de verdediging geschetste scenario vindt de aangehaalde bewijsmiddelen al op zijn weg. De bewezenverklaring is toereikend gemotiveerd.
11. Het middel doet tevergeefs nog een beroep op HR 15 april 1986, NJ 1986, 741 en HR 24 juni 1986, NJ 1987, 177. Ik vermag de relevantie daarvan niet in te zien. Voorzover hier van belang, houden die arresten in dat voor het bewijs van voorbedachte rade juist niet tevens behoeft vast te staan dat de verdachte het tijdstip en de plaats van het delict danwel het middel dat hij voor de levensberoving wil aanwenden, in zijn beraad betrokken heeft, maar die keuzen kan laten afhangen van de omstandigheden van het geval. Voorbedachte raad kan bestaan als de uitvoering van een genomen besluit afhankelijk is van zich later voordoende omstandigheden.(4) En dat was hier het geval.
12. Het middel faalt.
13. Het tweede middel klaagt dat het Hof de verdachte ten onrechte een beroep op de toepasing van de strafbaarstelling van een geprivilegieerd misdrijf heeft ontzegd.
14. Het Hof overweegt:
"Het beroep op de artikelen 290/291 WvS
De verdediging heeft aangevoerd dat de verdachte, in weerwil van het bepaalde in artikel 292 WvS, een beroep toekomt op toepasselijkheid van de geprivilegieerde strafbepalingen van de artikelen 290/291 WvS. Daartoe is aangevoerd dat aan de moeder met toepasselijkheid van deze bepalingen tevens het recht op bescherming van artikel 8 EVRM is gegeven, welk recht weliswaar volgens het tweede lid van artikel 8 EVRM bij wet kan worden beperkt, maar welke beperking niet zover mag gaan dat deze het non-discriminatie gebod van artikel 14 EVRM doorkruist. De verdediging beroept zich in dit verband - naar het hof begrijpt - op een bij de verdachte bestaan hebbende vrees voor de ontdekking van de geboorte van zijn kind.
Het hof verwerpt dit verweer en overweegt daartoe als volgt:
De wetgever heeft bij de artikelen 290/291 WvS ten gunste van de moeder die, onder de werking van vrees voor de ontdekking van haar bevalling respectievelijk ter uitvoering van een onder de werking van vrees voor ontdekking bij haar aanstaande bevalling genomen besluit, haar kind bij of kort na de geboorte opzettelijk van het leven berooft, in de delictsomschrijvingen een wettelijke strafverminderingsgrond verdisconteerd. De strafverminderingsgrond is gelegen in de bedoelde bijzondere gemoedstoestand, die uit zijn aard slechts bij de moeder kan bestaan en die een uitsluitend haar persoonlijk betreffende omstandigheid betreft. Niet is in te zien dat deze wettelijke strafverminderingsgrond in enigerlei opzicht in relatie staat tot het recht op respect voor het privéleven en het familie- en gezinsleven zoals bedoeld in artikel 8 EVRM, dat derhalve - ook bezien in relatie tot artikel 14 EVRM, welke bepaling geen rechtstreekse werking heeft - niet in het geding kan zijn.
Waar de verdachte zich beroept op een bij hemzelf bestaan hebbende vrees voor de ontdekking van de geboorte van zijn kind, overweegt het hof dat artikel 292 WvS, dat bepaalt dat de in de artikelen 290/291 WvS bedoeld misdrijven ten aanzien van anderen die er aan deelnemen als doodslag respectievelijk moord worden aangemerkt, onverlet laat dat het ter vrije beoordeling van de strafrechter staat de gemoedstoestand als door de verdachte bedoeld, indien aanwezig geacht, ten aanzien van de verdachte als strafverminderende factor aan te merken. Zoals (...) zal blijken, acht het hof deze gemoedstoestand bij de verdachte niet in relevante mate aanwezig, zodat in zoverre de verdachte ook geen belang heeft bij een verweer in deze."
15. De artikelen 290 en 291 Sr houden een persoonlijke strafverminderingsgrond in.(5) Ingevolge artikel 50 Sr, komen zij alleen in aanmerking voor de moeder die aan de voorwaarden van artikel 290 of 291 Sr voldoet. Die beperking wordt nog eens door art. 292 Sr zekergesteld:(6) degene die aan het door de moeder gepleegde misdrijf deelneemt wordt aangemerkt als deelnemer van een doodslag danwel een moord, welke misdrijven met een aanmerkelijk hogere straf worden bedreigd.
Het middel is in de kern een herhaling van het in de hiervoor weergegeven overweging van het Hof samengevatte pleidooi. Daarin wordt een beroep gedaan op:
Artikel 14 EVRM
Het genot van de rechten en vrijheden die in dit Verdrag zijn vermeld, moet worden verzekerd zonder enig onderscheid op welke grond ook, zoals geslacht, ras, kleur, taal, godsdienst, politieke of andere mening, nationale of maatschappelijke afkomst, het behoren tot een nationale minderheid, vermogen, geboorte of andere status.(7)
in verbinding met:
Artikel 8 EVRM
1. Een ieder heeft recht op respect voor zijn privé leven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie.
2. Geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan in de uitoefening van dit recht, dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.
16. Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens heeft zich herhaaldelijk over art. 14 EVRM uitgelaten in bewoordingen als:
"According tot the Court's case-law, Article 14 complements the other substantive provisions of the Convention and its Protocols. It has no independent existence, since it has effect solely in relation to enjoyment of the rights and freedoms safeguarded by those provisions. Although the application of Article 14 does not presuppose a breach of those provisions - and to this extent it is autonomous - there can be no room for its application unless the facts of the case fall within the ambit of one or more of the latter (...)."(8)
Het discriminatieverbod van art. 14 EVRM verschaft dus geen zelfstandig recht maar een afgeleid recht. Het kan slechts worden ingeroepen in samenhang met een ander recht danwel een andere vrijheid die door het EVRM (of een van zijn Protocollen) wordt beschermd.
17. In deze zaak moet dat betekenen dat art. 14 EVRM slechts valt in te roepen als een in art. 8 lid 1 EVRM bedoeld recht in het geding is. Dat is volgens het verweer het geval. Het Hof maakt daar korte metten mee. Het middel moet naar mijn mening hetzelfde lot delen. Wat voor een (respect voor) privé leven, familie- of gezinsleven zou art. 8 lid 1 EVRM hier precies moeten beschermen? De verdachte had een leven met zijn kind kunnen hebben, maar maakt er een einde aan. Hij maakt het zich dus onmogelijk een van de in art. 8 lid 1 EVRM genoemde rechten uit te oefenen. Op welke juridische constructie is de door de verdediging gelegde link tussen een van die rechten en de artikelen 290 en 291 Sr gebaseerd, vraag ik mij verder af. Geen van deze vragen wordt door de schriftuur beantwoord. Ik kan mij geheel vinden in opvatting van het Hof; het kan generlei relatie ontwaren tussen de wettelijke strafverminderingsgrond en het bedoelde recht op respect voor het privéleven en het familie- en gezinsleven, welk recht dus ook in relatie tot artikel 14 EVRM niet in het geding kan zijn.
Artikel 26 IVBPR kan naar mijn mening verdachte ook niet helpen. Voor toepassing van strafvermindering enkel op de vrouw zijn, gelet op de bijzonderheid dat zij het kind ter wereld brengt met alle gevolgen vandien voor haar lichamelijke en geestelijke functioneren, objectieve redenen.
18. De middelen falen. Het eerste middel kan worden afgedaan met de in art. 81 RO bedoelde motivering.
19. Gronden waarom de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal,
bij de Hoge Raad der Nederlanden
1 HR 27 juni 2000, LJN AA6308; HR 11 juni 2002, LJN AE1743; HR 22 februari 2005, LJN AR5714; HR 4 april 2006, LJN AU9428; zie ook HR 10 januari 2006, LJN AU7125.
2 HR 6 mei 1975, NJ 1975, 416.
3 HR 10 januari 2006, LJN AU7125.
4 HR 4 april 2006, LJN AU9428. Zie ook HR 22 februari 2005, LJN AR5714 met betrekking tot het pakken van het mes tijdens de uitvoering
5 HR 13 januari 1896, W. 6757.
6 Vgl. NLR, aant. 1 en 2 op art. 50 Sr en H.A. Demeersseman, Met voorbedachten rade, Arnhem: Gouda Quint BV 1989, p. 80, telkens onder verwijzing naar Smidt I, 1881, p. 416.
7 Artikel 17 IVBPR: 1. Niemand mag worden onderworpen aan willekeurige of onwettige inmenging in zijn privé leven, zijn gezinsleven, zijn huis en zijn briefwisseling, noch aan onwettige aantasting van zijn eer en goede naam. 2. Een ieder heeft recht op bescherming door de wet tegen zodanige inmenging of aantasting.
Artikel 26 IVBPR: Allen zijn gelijk voor de wet en hebben zonder discriminatie aanspraak op gelijke bescherming door de wet. In dit verband verbiedt de wet discriminatie van welke aard ook en garandeert een ieder gelijke en doelmatige bescherming tegen discriminatie op welke grond ook, zoals ras, huidskleur, geslacht, taal, godsdienst, politieke of andere overtuiging, nationale of maatschappelijke afkomst, eigendom, geboorte of andere status.
8 Zie bijv. EHRM 13 januari 2004, NJ 2005, 113 m.nt. JdB (Haas); EHRM 24 februari 1998, NJ 1999, 691 m.nt. EJD (Botta); EHRM 28 mei 1985, NJ 1988, 187 m.nt. EAA (Abdulaziz, Cabales en Balkandali); EHRM 28 oktober 1987, NJ 1989, 661 m.nt. EAA (Inze) en HR 28 november 1984, NJ 1986, 4 m.nt. EAA (Rasmussen).
Uitspraak 09‑01‑2007
Inhoudsindicatie
Verdachte is veroordeeld voor het medeplegen van moord op een pasgeborene. Het hof verwierp het mede op de art. 8 en 14 EVRM gegronde beroep van verdachte (niet zijnde de moeder) op toepasselijkheid van de geprivilegieerde strafbepalingen van art. 290 en 291 Sr. HR: ’s Hofs oordeel dat de art. 290 en 291 Sr te dezen niet toepasselijk zijn is juist.
9 januari 2007
Strafkamer
nr. 00886/06
EC/SM
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 12 september 2005, nummer 22/007612-04, in de strafzaak tegen:
[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1983, ten tijde van de betekening van de aanzegging gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting "Haaglanden" te Zoetermeer.
1. De bestreden uitspraak
Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Rechtbank te 's-Gravenhage van 26 november 2004 - de verdachte ter zake van "medeplegen van moord" veroordeeld tot negen jaren gevangenisstraf.
2. Geding in cassatie
2.1. Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. G. Spong, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2.2. De Hoge Raad heeft kennisgenomen van het schriftelijk commentaar van de raadsman op de conclusie van de Advocaat-Generaal.
3. Beoordeling van het eerste middel
Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beoordeling van het tweede middel
4.2. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
"hij op 17 oktober 2003 te 's-Gravenhage tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk en met voorbedachten rade het zojuist uit [medeverdachte 1] geboren kind van het leven heeft beroofd, door met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg:
- meermalen een sjaal of een (hand)doek op de mond en/of het gezicht van het kind te drukken,
- meermalen de nek of het hoofd van het kind (om) te draaien,
- met een mes meermalen in de keel van het kind te snijden, en
- het kind vervolgens in een plastic tas te leggen en vervolgens in een gracht te gooien,
tengevolge waarvan voornoemd kind is overleden."
4.3. Het bestreden arrest houdt onder "Het beroep op de artikelen 290/291 WvS" het volgende in:
"De verdediging heeft aangevoerd dat de verdachte, in weerwil van het bepaalde in artikel 292 WvS, een beroep toekomt op toepasselijkheid van de geprivilegieerde strafbepalingen van de artikelen 290/291 WvS. Daartoe is aangevoerd dat aan de moeder met toepasselijkheid van deze bepalingen tevens het recht op bescherming van artikel 8 EVRM is gegeven, welk recht weliswaar volgens het tweede lid van artikel 8 EVRM bij wet kan worden beperkt, maar welke beperking niet zover mag gaan dat deze het non-discriminatie gebod van artikel 14 EVRM doorkruist. De verdediging beroept zich in dit verband - naar het hof begrijpt - op een bij de verdachte bestaan hebbende vrees voor de ontdekking van de geboorte van zijn kind.
Het hof verwerpt dit verweer en overweegt daartoe als volgt:
De wetgever heeft bij de artikelen 290/291 WvS ten gunste van de moeder die, onder de werking van vrees voor de ontdekking van haar bevalling respectievelijk ter uitvoering van een onder de werking van vrees voor de ontdekking van haar aanstaande bevalling genomen besluit, haar kind bij of kort na de geboorte opzettelijk van het leven berooft, in de delictsomschrijvingen een wettelijke strafverminderingsgrond verdisconteerd. De strafverminderingsgrond is gelegen in de bedoelde bijzondere gemoedstoestand, die uit zijn aard slechts bij de moeder kan bestaan en die een uitsluitend haar persoonlijk betreffende omstandigheid betreft. Niet is in te zien dat deze wettelijke strafverminderingsgrond in enigerlei opzicht in relatie staat tot het recht op respect voor het privéleven en het familie- en gezinsleven zoals bedoeld in artikel 8 EVRM, dat derhalve - ook bezien in relatie tot artikel 14 EVRM, welke bepaling geen rechtstreekse werking heeft - niet in het geding kan zijn.
Waar de verdachte zich beroept op een bij hemzelf bestaan hebbende vrees voor de ontdekking van de geboorte van zijn kind, overweegt het hof dat artikel 292 WvS, dat bepaalt dat de in de artikelen 290/291 WvS bedoelde misdrijven ten aanzien van anderen die er aan deelnemen als doodslag respectievelijk moord worden aangemerkt, onverlet laat dat het ter vrije beoordeling van de strafrechter staat de gemoedstoestand als door de verdachte bedoeld, indien aanwezig geacht, ten aanzien van de verdachte als strafverminderende factor aan te merken. Zoals (...) zal blijken, acht het hof deze gemoedstoestand bij de verdachte niet in relevante mate aanwezig, zodat in zoverre de verdachte ook geen belang heeft bij zijn verweer in deze."
4.5. Het middel faalt.
5. Slotsom
Nu geen van de middelen tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.
6. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren A.J.A. van Dorst en H.A.G. Splinter-van Kan, in bijzijn van de griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 9 januari 2007.
Beroepschrift 27‑05‑2006
HOGE RAAD
DER
NEDERLANDEN
griffienummer: 00886/06
SCHRIFTUUR: houdende middelen van cassatie in de zaak van:
[verdachte], verzoeker tot cassatie van een hem betreffend arrest van het gerechtshof te 's‑Gravenhage uitgesproken op 12 september 2005.
Middel 1
Het recht is geschonden en/of er zijn vormen verzuimd waarvan niet naleving nietigheid medebrengt.
In het bijzonder zijn de artikelen 350, 359, 415 Sv geschonden doordien de bewezenverklaarde opzet en voorbedachten rade niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid en/of het hof het verweer dat zodanige opzet en voorbedachten rade ontbreekt heeft verworpen op gronden die deze verwerping niet kunnen dragen. De bewezenverklaring is op grond hiervan niet naar de eis van de wet behoorlijk met redenen omkleed.
Toelichting
1
Het hof overwoog te dezer zake, zakelijk weergegeven:
‘Voor een bewezen verklaring van voorbedachte rade is volgens vaste rechtspraak voldoende dat komt vast te staan dat de verdachte tijd had zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit, zodat de gelegenheid heeft bestaan tot nadenken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.
In dit verband zijn de navolgende feiten en omstandigheden van belang;
De verdachte heeft samen met zijn vriendin op meerdere manieren getracht het zojuist uit haar geboren kind van het leven te beroven. De handelingen zijn opeenvolgend geweest, waarbij verdachte en zijn vriendin vastberaden en doeltreffend zijn doorgegaan op de na de geboorte eenmaal ingeslagen weg van het doden van het kind. Immers:
De vriendin van verdachte heeft meteen na de geboorte van het kind een sjaal of een handdoek op de mond en/of het gezicht van het kind gedrukt, met als kennelijk doel het kind te laten stikken. Vervolgens heeft zij de nek/het hoofd van het kindje (om)gedraaid. Toen dit niet tot het beoogde resultaat leidde, heeft zij opnieuw enige malen de nek/hoofd van het kind (om)gedraaid.
De verdachte heeft bij deze handelingen aanwijzingen gegeven over de wijze waarop dit diende te gebeuren en zijn vriendin aangemoedigd het te doen én te herhalen. Vervolgens heeft de vriendin van verdachte wederom een sjaal of een handdoek op de mond en/of het gezicht van het kind gedrukt. Toen het leek dat het kindje nog niet was overleden, heeft de verdachte voorgesteld om de keel van het kind door te snijden. Vervolgens heeft de verdachte haar een mes gegeven. Op verzoek van zijn vriendin heeft verdachte een t-shirt gepakt om het bloed op te vangen. Toen het doorsnijden van de keel niet lukte, heeft de verdachte tegen zijn vriendin gezegd dat zij harder moest snijden of meer kracht moest zetten. Daarop heeft zij de keel van het kind doorgesneden. Vervolgens heeft de verdachte — nadat zijn vriendin hierom vroeg — een plastic tas gegeven, waarin het kind werd gestopt.
De verdachte heeft hierop deze zak dichtgeknoopt.
Hierna hebben verdachte en zijn vriendin — in overleg — de zak in een gracht gegooid.
Uit de genoemde omstandigheden concludeert het hof dat er voor verdachte en zijn vriendin meerdere momenten zijn geweest waarin zij tijd hadden om zich te beraden op de te nemen of genomen besluiten, zodat er meerdere gelegenheden hebben bestaan om over de betekenis en de gevolgen van hun voorgenomen daad na te denken en zich daarvan rekenschap te geven.
Aldus acht het hof bewezen dat bij de verdachte en zijn vriendin het opzet en de voorbedachte rade heeft voorgezeten om het kind van het leven te beroven, zodat het verweer wordt verworpen.’
2
Blijkens de in hoger beroep overgelegde pleitnotitie is aangevoerd dat verzoeker ervan overtuigd was dat het kindje al voor de geboorte dood was en dat de paniek toesloeg toen hij bij de bevalling in de woning ontdekte dat sprake was van een levend geboren kindje. De paniek en het korte tijdsbestek na de geboorte hebben geen ruimte gelaten voor kalm beraad en rustig overleg, aldus het verweer.
3
De enkele omstandigheid dat zich theoretisch wel tijd voor beraad heeft voorgedaan, zoals het hof overweegt, sluit echter niet uit dat beraad feitelijk niet mogelijk was door de paniek waarop verzoeker zich beroept. Inzoverre is hier sprake van een Meer-en-Vaartverweer dat niet weerlegd wordt door de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen. Het paniek-verweer is inzoverre een bewijsverweer aangaande het opzet, waarop beslist dient te worden. In oudere rechtspraak over het inzicht van de dader komt dit ook naar voren. Zie HR 8 juni 1971 NJ 1972, 90 m.nt. C.B. en HR, 12 mei 1964 NJ 1965, 26 m.nt. WP. Weliswaar domineert bij opzet het normatieve element boven het psychologische, subjectieve element, maar de rechtspraak ten aanzien van het voorwaardelijk opzet illustreert dat het niet helemaal geabstraheerd kan worden van het subjectieve wilselement.
De bewezenverklaring is reeds op grond hiervan ontoereikend.
4
Voorzover het hof voor het bewijs van de voorbedachten rade betekenis heeft toegekend aan het feit dat verzoeker tijdens de wurghandelingen van de moeder aanwijzingen heeft gegeven over de wijze waarop dit diende te gebeuren, haar een mes heeft gegeven en tegen zijn vriendin heeft gezegd dat ze harder moest snijden of meer kracht moest zetten, miskent het hof dat de voorbedachten rade niet mede betrekking hoeft te hebben op de uitvoering van de levensberoving (vgl. HR 15 april 1986, NJ 1986, 741).
De voorbedachten rade ziet immers op de levensberoving en niet op het daartoe gebezigde middel, in casu een mes (vgl. HR 24 juni 1986, NJ 1987, 177).
5
Het bewijsverweer is dus op ontoereikende gronden verworpen nu het hof juist zo de nadruk heeft gelegd op verzoekers' participatie in de fase van de uitvoering en het te bezigen middel.
Middel 2
Het recht is geschonden en/of er zijn vormen verzuimd waarvan niet naleving nietigheid medebrengt.
In het bijzonder zijn de artikelen 8 en 14 EVRM, 17 en 26IVBPR, 359, 415Sv, 290, 291Sr geschonden doordien het hof het verweer dat verzoeker een beroep toekomt op de toepasselijkheid van de geprivilegieerde strafbepalingen van de artikelen 290, 291 Sv heeft verworpen op gronden die deze verwerping niet kunnen dragen. 's Hofs arrest is op grond hiervan niet naar de eis van de wet voldoende met redenen omkleed.
Toelichting
1
Het hof overwoog, zakelijk weergegeven:
‘De verdediging heeft aangevoerd dat de verdachte, in weerwil van het bepaalde in artikel 292 WvS, een beroep toekomt op toepasselijkheid van de geprivilegieerde strafbepalingen van de artikelen 290/291 WvS. Daartoe is aangevoerd dat aan de moeder met toepasselijkheid van deze bepalingen tevens het recht op bescherming van artikel 8 EVRM is gegeven, welk recht weliswaar volgens het tweede lid van artikel 8 EVRM bij wet kan worden beperkt, maar welke beperking niet zover mag gaan dat deze het non-discriminatie gebod van artikel 14 EVRM doorkruist. De verdediging beroept zich in dit verband — naar het hof begrijpt — op een bij de verdachte bestaan hebbende vrees voor de ontdekking van de geboorte van zijn kind.
Het hof verwerpt dit verweer en overweegt daartoe als volgt:
De wetgever heeft bij de artikelen 290/291 WvS ten gunste van de moeder die, onder de werking van vrees voor de ontdekking van haar bevalling respectievelijk ter uitvoering van een onder de werking van vrees voor de ontdekking van haar aanstaande bevalling genomen besluit, haar kind bij of kort na de geboorte opzettelijk van het leven berooft, in de delictsomschrijvingen een wettelijke strafverminderingsgrond verdisconteerd. De strafverminderingsgrond is gelegen in de bedoelde bijzondere gemoedstoestand, die uit zijn aard slechts bij de moeder kan bestaan en die aan uitsluitend haar persoonlijk betreffende omstandigheid betreft. Niet is in te zien dat deze wettelijke strafverminderingsgrond in enigerlei opzicht in relatie staat tot het recht op respect voor het privéleven en het familie- en gezinsleven zoals bedoeld in artikel 8 EVRM, dat derhalve — ook bezien in relatie tot artikel 14 EVRM, welke bepaling geen rechtstreekse werking heeft — niet in het geding kan zijn. Waar de verdachte zich beroept op een bij hemzelf bestaan hebbende vrees voor de ontdekking van de geboorte van zijn kind, overweegt het hof dat artikel 292 WvS, dat bepaalt dat de in de artikelen 290/291 WvS bedoelde misdrijven ten aanzien van anderen die er aan deelnemen als doodslag respectievelijk moord worden aangemerkt, onverlet laat dat het ter vrije beoordeling van de strafrechter staat de gemoedstoestand als door de verdachte bedoeld, indien aanwezig geacht, ten aanzien van de verdachte als strafverminderende factor aan te merken. Zoals hierna uit de strafmotivering zal blijken, acht het hof deze gemoedstoestand bij de verdachte niet in relevante mate aanwezig, zodat in zoverre de verdachte ook geen belang heeft bij zijn verweer in deze.’
2
De Memorie van Toelichting bij artikel 291 Sr luidt voorzover hier van belang als volgt:
‘De bijzondere gemoedsbeweging waarin de moeder verkeert, onder den invloed van vrees voor de ontdekking van hare bevalling hetzij tijdens de baring of terwijl deze reeds hebben plaats gehad, hetzij ze nog aanstaande zij, is de regtskundige grond van de ligtere strafbaarheid. Die grond is, evenzeer als bij provocatie, in de omschrijving zelve van de in de artt. 314 en 315 vermelde feiten uitgedrukt. Door die handelwijze blijft men bewaard voor de gevaren der casuïstiek, en kan de bepaling steeds worden toegepast overeenkomstig de bedoeling van den wetgever. Zoo toch heeft deze niet te beslissen, in hoever uitsluitend een ongehuwde moeder — en dan nog al of niet de eerste maal — of wel ook eene overspelige, of wel ook eene moeder van een vóór haar huwelijk door een ander dan haren echtgenoot verwekt kind, zich op de lageren strafbedreiging kan beroepen. Zoo stuit men niet op de moeijelijkheid, dat daarvan misbruik zoude kunnen gemaakt worden door de ongehuwde vrouw van slecht levensgedrag, die geenerlei vrees heeft voor de ontdekking van hare bevalling, maar veeleer, met het oogmerk om onbezorgd hare losbandige levenswijs te kunnen voortzetten, haar kind van het leven berooft.
Hieromtrent zijn geen algemeene regelen te stellen; de regter blijve vrij in zijne beslissing, naarmate van het antwoord door hem telkens te geven op de zuiver feitelijke vraag: heeft deze moeder gehandeld onder de werking van vrees voor de ontdekking van hare bevalling?’
3
Ingevolge het bepaalde in artikel 292 Sr worden de in de artikelen 290 en 291 omschreven misdrijven ten aanzien van anderen die eraan deelnamen als doodslag of als moord aangemerkt. Van Bemmelen (- Van Hattum) II p. 199 meent terecht dat deze bepaling in haar algemeenheid te ver gaat, omdat het ook zeer goed denkbaar is dat personen die de moeder behulpzaam zijn bij de volbrenging van een van deze misdrijven zelf ook aangestoken wordt door haar vrees of zoveel medelijden zal hebben, dat zij daardoor tot hun hulp worden gebracht. Nochtans is deze wettelijke bepaling blijven bestaan.
De wetgever heeft verder in art. 50 Sr in zijn algemeenheid opgenomen dat de persoonlijke omstandigheden waardoor de strafbaarheid uitgesloten, verminderd of verhoogd wordt, bij de toepassing van de strafwet alleen in aanmerking komen ten aanzien van die dader of medeplichtige wie zij persoonlijk betreffen. Niettemin is door H.O. Demeersseman in zijn monografie ‘Met voorbedachten rade’ (p. 79 e.v.) de opvatting verdedigd dat artikel 50 Sr niet op de voorbedachte-radedelicten zou slaan.
4
De vraag rijst tegen de achtergrond van dit wettelijk stelsel of het nog wel verdedigbaar is dat in dit geval een persoonlijke strafverminderende omstandigheid, op de voet van het bepaalde in de artikelen 50, 292 Sr wordt onthouden aan een deelnemer van het delict, die rechtens op één lijn geplaatst kan worden met de normadressaat in de artikelen 290, 291 Sr? In het omgangsrecht geldt dat de biologische vader op grond van artikel 8 EVRM in beginsel een omgangsrecht met zijn kind toekomt. Voor de toepassing van de strafverzwaringsgrond van artikel 304 aanhef en onder 1 Sr is ook voldoende dat komt vast te staan dat het ‘zijn kind’ betreft. Hetzelfde is het geval bij artikel 249 eerste lid Sr.
Zodra de biologische band tussen een vader en zijn kind vaststaat verbindt het recht daar dus rechtsgevolgen aan. Vader en kind staan dan ook in een door het recht beheerste en erkende rechtsbetrekking. Gegeven die biologische band en die rechtsbetrekking is het in beginsel eenzijdig daaraan strafrechtelijk alleen strafbepalende en strafverzwarende gevolgen te verbinden, maar de strafverminderende aan de vader te onthouden.
5
Dat zo zijnde houdt ons rechtssysteem vervat in de artikelen 50, 290, 291, 292 Sr een discriminatoire situatie in. Want waarom alleen de moeder laten profiteren van een persoonlijke strafverminderende omstandigheid die even zo goed voor de vader kan gelden?
6
Nu heeft de wetgever blijkens voormelde MvT de rechtsgrond voor de strafvermindering wel gezocht in de vrees voor bevalling etc., maar de bijzondere gemoedsbeweging die zich bij deze ingrijpende gebeurtenis in het menselijk leven pleegt voor te doen is met name in situaties waarin de vader/man bij de bevalling aanwezig is niet voorbehouden aan de vrouw. Degene die het tegendeel beweert maakt zich schuldig aan sekse-discriminatie. En dit laatste is nu net verboden in de artikelen 14 EVRM en 26IVBPR.
7
Ons wettelijk systeem van persoonlijke strafverminderende omstandigheden als bedoeld in de artikelen 50, 290, 291 en 292 Sr is dus anno 2006 voorzover zij de bij de bevalling aanwezige vader uitsluit in het licht van het bepaalde in de artikelen 14 EVRM en 26IVBPR een discriminatoir wettelijk systeem, aangezien hiervoor geen redelijke en objectieve rechtvaardiging kan gelden.
8
Het verdragsrechtelijke verbod van discriminatie van artikel 14 EVRM ziet blijkens de verdragstekst echter alleen op de ‘rights and freedoms set forth in this Convention.’
Die beperking voert ons tot de vraag of het hof het wel bij het rechte eind heeft of juridisch plechtig gezegd blijk heeft gegeven van een juiste of onjuiste rechtsopvatting voorzover het hof overweegt dat niet is in te zien dat de wettelijke strafverminderingsgrond in enigerlei opzicht in relatie staat tot het recht op respect voor het privé-leven en het familie- en gezinsleven zoals bedoeld in artikel 8 EVRM.
9
Die rechtsopvatting, die verzoeker voor onjuist houdt, prikkelt tot de vraag waarmee die wettelijke strafverminderingsgrond dan wèl in relatie staat, gegeven het feit dat de rechtsgrond van die strafverminderingsgrond gelegen is in die vrees, in de bijzondere gemoedsbeweging?
De wetgever geeft weliswaar geen uitsluitsel over de maatschappelijke reden van het hanteren van deze bijzondere gemoedsbeweging en het honoreren van die vrees. Maar die vrees moet uiteraard wel een maatschappelijke achtergrond hebben. Zij komt niet uit de lucht vallen. Simons noemt de bijzondere motieven en de tengevolge van de gemoedstoestand verminderde aansprakelijkheid van de daderes (vgl. D. Simons, Strafrecht II, p. 12). Een ieder met enig sociaal historisch besef weet echter dat overeenkomstig de toen geldende zedelijke moraal de maatschappelijke (uitstotings)gevolgen van het niet volgens de geldende regels van fatsoen verwekken en baren van kinderen bar en boos waren. In termen als ‘een moetje’ klinkt dat nog enigszins door. De in de artikelen 290, 291 Sr bedoelde vrees houdt cultuurhistorisch gezien rechtstreeks verband met de negatieve, afkeurende maatschappelijke reacties op geboorte van bepaalde kinderen, meestal bastaardjes geheten, en de uit die negatieve reacties voortvloeiende negatieve impact op het privé-leven van de desbetreffende moeder. Men vindt dit terug in de wet die in 1624 in het Engelse parlement is aangenomen onder de titel ‘Act to prevent the destroying and murthering of bastard children’, welke wet tot in de negentiende eeuw van kracht bleef. De wet bracht tot uitdrukking dat het ging om ‘lewd women who bore bastards to avoid their shame and to escape punishment’.
10
Kortom, de wettelijke strafverminderingsgrond als bedoeld in de infanticideën/of neonaticide-misdrijven strafbaar gesteld in de artikelen 290, 291 Sr staat-anders dan het hof meent-wel degelijk in verband met het recht op respect voor het privé-leven als bedoeld in artikel 8 EVRM, dat blijkens de rechtspraak ruim moet worden opgevat en bijgevolg ook de man moet bestraffen.
11
Aan het voorgaande doet voor wat betreft die vrees en de honorering van die vrees niet af dat de maatschappelijke gevolgen nu, ten tijde van het delict, voor zover valt in te schatten voor zowel moeder als vader wat minder dramatisch plegen te zijn dan enkele eeuwen terug. De wet is vooreerst niet aangepast aan die eventueel gewijzigde maatschappelijke constellatie en de naam van verzoeker doet voorts vermoeden dat zijn cultuurbesef en dat van zijn omgeving ook aansluiting heeft bij de nog immer bestaande voor de vrouw geldende strafverminderingsgrond in kwestie. Uit het verweer blijkt dat hij in dit opzicht niet op de moeder (die 3 jaren gevangenisstraf + TBS kreeg) achtergesteld wenst te worden.
12
De onjuiste rechtsopvatting van het hof als hierbedoeld brengt dus mee dat het arrest niet in stand kan blijven.
13
Nog één ander aspect verdient bespreking.
Het discriminatieverbod opgenomen in artikel 26 IVBPR is ruimer van aard dan het discriminatieverbod van artikel 14 EVRM, in die zin dat het niet beperkt is tot de rechten genoemd in het verdrag. Het discriminatieverbod van artikel 26 IVBPR luidt immers:
‘All persons are equal before the law and are entitled without any discrimination to the equal protection of the law. In this respect, the law shall prohibit any discrimination and guarantee to all persons equal and effective protection against discrimination on any ground such as race, colour, sex, language, religion or other opinion, national or social origin, property, birth of other status.’
14
Dit ruimere discriminatieverbod richt zich dus tot de toepassing van de wet in zijn algemeenheid. Indien aangenomen wordt dat die wet c.q. het hier voorliggende wettelijk systeem sekse-discriminatoir van aard is, dient het oordeel te luiden dat zij in strijd is met artikel 26 IVBPR
15
De juridisch verschillende bejegening van man en vrouw ten aanzien van de infanticide-misdrijven als hier bedoeld doet enigszins, voor wat betreft het maken van verschil, denken aan de kappersbranche. Een wettelijk onderscheid tussen heren- en dameskappersbedrijven leverde volgens Uw raad geen discriminerend onderscheid van vrouwen wegens haar geslacht op. Zie HR 18 december 1984, NJ 1985, 356 m.nt 't H. Ofschoon Uw toenmalige geëerde A-G mr Remmelink de steller van het middel in die zaak van overdrijving beschuldigde, gaf hij wel toe dat er een tijd kan komen dat man en vrouw inderdaad over één kam geschoren moeten worden. Of dat inzicht door de annotator, die een zodanig onderscheid kenmerkend voor het cartesianisme van het juridisch denken typeert, gedeeld wordt lijkt twijfelachtig, gelet op diens instemming met de afwijzing van het cassatieberoep met een vaag beroep op de cirkel van dualisme in mensbeeld en kennisopvatting alsof dat onbetwistbare eenduidige grootheden zouden zijn. Wat hier verder ook van zij, de ontboezeming van Remmelink dat er een tijd kan komen dat man en vrouw inderdaad over één kam geschoren moeten worden, verdient met toepassing van een creatieve rechtsvinding in casu ruim twintig jaren later verwezenlijkt te worden.
16
In dit verband kwamen ook de mooie bespiegelingen over de drijfveren van Tom Schalken boven drijven. In de bundel ‘Ordening en emotie’, verzamelde annotaties van Tom Schalken, merken Jan Watse Fokker, Jan Nayé, Esther Paus, Klaas Rozemond en Bas de Wilde, onder meer op:
‘Het recht tracht juist ordening in publieke sentimenten aan te brengen, in de zin dat het rechtssysteem democratische waarden tot uitdrukking brengt zoals gelijkheid, vrijheid en medemenselijkheid. Deze waarden kunnen slechts op een geordende wijze worden gerealiseerd, omdat vrijheid alleen betekenis heeft in een geordend systeem waarin iedere burger een gelijke aanspraak op vrijheid heeft. ‘De inhoud van het recht van de een wordt vormgegeven door het recht van de ander. Deze gebondenheid van rechtssubjecten aan elkaar bepaalt de geldigheid van argumenten, die met het oog op de ordening van rechtsbetrekkingen in het geding worden gebracht,’ aldus Schalken in zijn oratie.
De ordenende macht van het recht moet de gelijke vrijheid van allen garanderen. Iedere betrokkene binnen het systeem kan aanspraak maken op gelijke behandeling van zijn legitieme belangen en het recht dient de belangen van allen te ordenen zodat iedereen in gelijke mate van zijn vrijheden kan genieten. Zo ontstaat het publieke systeem van gelijkheid en vrijheid, waarbinnen de wetgever en de rechter hun macht uitoefenen ter behartiging van de belangen van alle burgers.’
17
Het zijn overwegingen die ertoe moeten leiden dat het onderscheid tussen moeder en vader in de artikelen 290, 291 Sv komt te vervallen. Inzoverre wordt ook één lijn getrokken met het wettelijk verbod op geslachtsdiscriminatie opgenomen in de artikelen 137d en 429 quaterSr.
Deze schriftuur wordt ondertekend en ingediend door mr [advocaat], advocaat, kantoorhoudende te [plaats], aan de [adres], die bij deze verklaart tot deze ondertekening en indiening bepaaldelijk te zijn gevolmachtigd door verzoeker in cassatie.
[plaats], 27 mei 2006
mr [advocaat]