HR, 15-05-2007, nr. 01925/05H
ECLI:NL:HR:2007:AX9182
- Instantie
Hoge Raad (Strafkamer)
- Datum
15-05-2007
- Zaaknummer
01925/05H
- LJN
AX9182
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:PHR:2007:AX9182, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 15‑05‑2007
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2007:AX9182
ECLI:NL:HR:2007:AX9182, Uitspraak, Hoge Raad (Strafkamer), 15‑05‑2007; (Herziening)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2007:AX9182
- Vindplaatsen
Conclusie 15‑05‑2007
Inhoudsindicatie
Herzieningsaanvraag. Overgelegde appelakte. Uit n.a.v. de aanvrage door de AG ingewonnen ambtsberichten rijst het vermoeden dat een overgelegd geschrift een kopie betreft van een door een op de griffie van de Rb Amsterdam, sector kanton te Hilversum, werkzame griffiemedewerker ondertekende appelakte, dat daartoe bij vergissing een voor kantonzaken bestemd model is gebruikt en dat het origineel in het ongerede is geraakt. Gelet daarop gaat de HR ervan uit dat de overgelegde kopie van de akte rechtsmiddel overeenstemt met het originele exemplaar. Dat betekent dat aanvrager destijds als veroordeelde tijdig appel heeft ingesteld tegen het vonnis waarvan hij nu herziening vraagt, en dat is verzuimd de bedoelde akte door te sturen naar de griffier van de Rb te Amsterdam voor de verdere behandeling van die zaak. Dit laatste verzuim mag niet strekken ten nadele van de aanvrager. De aanvrage zal niet tot herziening kunnen leiden omdat de hier bedoelde veroordeling niet is een in kracht van gewijsde gegane einduitspraak houdende veroordeling i.d.z.v. art. 457.1. Sv. De aanvrage kan daarom niet worden ontvangen. De HR stelt de stukken ter behandeling van dat appel in handen van de griffier van het Gerechtshof te Amsterdam.
Nr. 01925/05 H
Mr Machielse
Zitting 6 maart 2007
Aanvullende conclusie inzake:
[Aanvrager]
1. Deze aanvullende conclusie heeft betrekking op het door de aanvrager op 15 juli 2005 ingediende en door zijn raadsvrouw S.M. Milani, advocaat te Lelystad, op 17 januari 2006 aangevulde herzieningsverzoek voorzover daarin herziening wordt gevraagd van het op 7 februari 2002 door de Politierechter in de Rechtbank te Amsterdam gewezen vonnis in de zaak met parketnummer 13-111253/01. Blijkens dat vonnis heeft de Politierechter aanvrager wegens overtreding van artikel 163, tweede lid, WVW 1994 veroordeeld tot twee weken gevangenisstraf, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en tot een geldboete van € 800,-, subsidiair 32 dagen hechtenis, met ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van twaalf maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.
2. Op 20 juni 2006 is door mij geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het door aanvrager ingediende verzoek tot herziening, dat behoudens tegen het onder 1 vermelde vonnis van de Politierechter ook gericht is tegen twee arresten van het Hof Arnhem, te weten het op 21 maart 2002 gewezen arrest in de zaak met parketnummer 21-002150/01 en het arrest van 2 december 2003, gewezen in de zaak met parketnummer 21-002849/02. Wat betreft die twee arresten blijf ik bij mijn eerder genomen conclusie.
Op 9 oktober 2006 is bij de Hoge Raad per fax een (aanvullende) reactie op mijn conclusie ingekomen van de raadsvrouw van de aanvrager. Hetgeen in die schriftelijke reactie - onder bijvoeging van een afschrift van een akte rechtsmiddel - wordt opgemerkt ten aanzien van bedoeld vonnis van de Politierechter geeft mij aanleiding om in zoverre aanvullend te concluderen.
3.1 In voormeld schrijven van de raadsvrouw wordt ten aanzien van het vonnis van 7 februari 2002 aangevoerd dat in deze wel degelijk sprake is van een novum, omdat uit de bijgevoegde akte rechtsmiddel volgt dat aanvrager nooit in het door hem ingestelde hoger beroep tegen dat vonnis is ontvangen.(1)
3.2 Bedoelde akte rechtsmiddel, kennelijk opgemaakt ter griffie van het Kantongerecht te Hilversum, houdt - onder vermelding van het parketnummer 13/111253-01 - voorzover hier van belang het volgende in:
"Op 7 februari 2002 kwam ter griffie van dit Kantongerecht
Naam [achternaam aanvrager]
Voornamen [voornaam aanvrager]
geboren op [geboortedatum] 1968 te [geboorteplaats]
wonende te [woonplaats]
adres en postcode [a-straat 1, postcode]
die verklaarde hoger beroep in te stellen tegen het eindvonnis dd. 7 februari 2002, in de zaak met bovenvermeld parketnummer op tegenspraak gewezen tegen verdachte voornoemd."
3.3 Bij de archiefstukken betreffende een eerder tegen dit vonnis van de Politierechter ingediend herzieningsverzoek trof ik een brief d.d. 27 mei 2003 van de (waarnemend) griffier van de Rechtbank Amsterdam M. Veenboer aan, waaruit volgt dat deze strafzaak volgens de administratie van bedoelde Rechtbank in kracht van gewijsde is gegaan.(2) Namens mij is door de strafadministratie van de Hoge Raad nadere informatie omtrent de onder 3.2 genoemde akte rechtsmiddel ingewonnen bij de griffie van het Kantongerecht te Hilversum. Op 22 februari 2007 is bij de Hoge Raad een brief ingekomen van E. Heijnis-Pekela, AJM-er bij de sector kanton Hilversum, inhoudende onder meer het volgende:
"Hoger beroepen worden bij ons handmatig ingeschreven in een daarvoor bestemd register. In dit geval betreft het een politie-rechter zaak. De originele akte wordt doorgestuurd naar het parket aangezien het geen kanton-zaak is. Een kopie van de akte rechtsmiddel wordt opgeborgen in een daarvoor bestemde map. Ik ben de akte waar het hier om gaat niet tegengekomen.
(Niet in de map en niet in het register.)
Ik vermoed dat de akte wel hier is opgemaakt maar dat het origineel in het ongerede is geraakt. De handtekening die op de door u overgelegde kopie staat afgebeeld is de betekening van mijn collega dhr. W. Lindner.
Tevens merk ik op dat niet de juiste akte is gebruikt. Dit is de akte die voor kantonzaken bestemd is.
Tegenwoordig wordt de akte via Compas uitgedraaid.
Daarbij wordt het appel automatisch geregistreerd.
De akte waar het hier om gaat is via wp opgemaakt. De registratie vond toen plaats bij team 5 van het arrondissementsparket.
Het origineel is mijns inziens nooit ingeschreven in het register en ook niet doorgestuurd.
Voor de goede orde merk ik nog op dat deze zaak ook niet is opgeborgen in de map kantonzaken en ook niet is ingeschreven in het register voor kanton strafzaken."
3.4 Uit de inhoud van de bij het schrijven van de raadsvrouw gevoegde akte rechtsmiddel in samenhang met hetgeen omtrent die akte is opgemerkt door E. Heijnis-Pekela, zoals hiervoor onder 3.3 vermeld, volgt dat verdachte kennelijk tijdig - te weten binnen de in art. 408, eerste lid onder b, Sv genoemde termijn - hoger beroep heeft ingesteld tegen het onder 1 genoemde vonnis van de Politierechter. Dat verdachte het rechtsmiddel heeft ingesteld bij de verkeerde instantie doet daaraan in beginsel niet af.(3) De enkele omstandigheid dat waarschijnlijk is verzuimd de akte door te sturen naar de griffier van de Rechtbank Amsterdam, zodat dit gerecht niet op de hoogte is geraakt van het
aangewende rechtsmiddel en er derhalve vanuit is gegaan dat het vonnis van de Politierechter in kracht van gewijsde is gegaan, mag niet strekken ten nadele van aanvrager.(4)
4. Deze aanvullende conclusie strekt er dan ook toe dat de Hoge Raad zal verstaan dat aanvrager tegen het vonnis van de Politierechter in de Rechtbank te Amsterdam van 7 april 2002 hoger beroep heeft ingesteld en zal bepalen dat de stukken van het geding zullen worden gezonden aan de griffier van het Gerechtshof te Amsterdam.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
1 Waarom de akte pas in een zo laat stadium van de procedure is overgelegd wordt overigens in dit schrijven niet uitgelegd. Het had toch voor de hand gelegen om dit stuk meteen bij de aanvraag, danwel bij één van de vier reeds eerder ingediende - en alle ongegrond verklaarde - herzieningsverzoeken te voegen.
2 Het handelt zich hierbij om het eerste tegen dit vonnis ingediende herzieningsverzoek van 28 mei 2003, door de Hoge Raad ongegrondverklaard bij arrest van 30 september 2003, nr. 01181/03.
3 Zie in dit kader HR NJ 1983, 433, HR DD 97.177 en HR NJ 1990, 50.
4 Vgl. HR 23 mei 2000, nr. 01518/99 H en HR 5 december 2000, nr. 02405/00 H.
Nr. 01925/05 H
Mr Machielse
Zitting 20 juni 2006
Conclusie inzake:
[Aanvrager]
1. Aanvrager van herziening is door het Hof Arnhem op 21 maart 2002 in de zaak met parketnummer 21-002150/01 terzake van overtreding van art. 8, tweede lid, aanhef en onder a, WVW 1994 veroordeeld tot een geldboete van € 450,--, subsidiair negen dagen hechtenis, alsmede tot een ontzegging van de rijbevoegdheid van zes maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk met twee jaren proeftijd. Door hetzelfde Hof is aanvrager op 2 december 2003 in een zaak met parketnummer 21-002849/02 voor drie overtredingen van art. 9, zesde lid, (oud) WVW 1994 veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van veertig uren, subsidiair twintig dagen hechtenis. Daarnaast is aan hem door het Hof voor alle drie feiten telkens een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van twee maanden opgelegd. Voorts is hij nog door de Politierechter in de Rechtbank te Amsterdam op 7 februari 2002 in de zaak met parketnummer 13-111253/01 wegens overtreding van artikel 163, tweede lid, WVW 1994 veroordeeld tot twee weken gevangenisstraf, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en tot een geldboete van € 800,-, subsidiair 32 dagen hechtenis, met ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van twaalf maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.
2. Het oorspronkelijke herzieningsverzoek, gericht tegen voornoemde arresten van het Hof Arnhem, is op 15 juli 2005 ingediend door aanvrager. Op 17 januari 2006 is de aanvraag door mr. S.M. Milani, advocaat te Lelystad, aangevuld, zodat de aanvraag nu tevens betrekking heeft op voornoemd vonnis van de Politierechter in de Rechtbank Amsterdam.
3.1 De aanvraag berust allereerst op de stelling dat - indien het Hof Arnhem reeds ten tijde van de behandeling ter terechtzitting bekend zou zijn geweest met een administratieve omissie van het parket Zwolle-Lelystad - het onderzoek in de zaken met parketnummers 21-002150/01 en 21-002849/02 naar alle waarschijnlijkheid zou hebben geleid hetzij tot vrijspraak van de veroordeelde, hetzij tot ontslag van rechtsvervolging, hetzij tot niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie, hetzij tot toepasselijkverklaring van een minder zware strafbepaling.
3.2 Ter staving van deze stelling is bij de aanvraag onder meer een aan verzoeker gericht schrijven d.d. 21 april 2005 gevoegd, afkomstig van het Arrondissementsparket Zwolle-Lelystad en opgesteld namens de Hoofdofficier van Justitie. Die brief houdt als reactie op een klacht van aanvrager onder meer het volgende in:
"(...) Door een omissie is uw rijbewijs in de periode van 24 juli 2001 tot en met 7 mei 2002 in de administratie van mijn parket ten onrechte geregistreerd blijven staan als ingehouden.
Uw klacht daaromtrent is gegrond."
3.3 Wat betreft de veroordeling door het Hof Arnhem d.d. 21 maart 2002 kan het volgende worden opgemerkt. Het Hof heeft de aanvrager in die zaak blijkens de zich bij de stukken bevindende aantekening mondeling vonnis veroordeeld voor een op 20 juli 2001 te Lelystad gepleegde overtreding van art. 8, tweede lid aanhef en onder a, WVW 1994. In de aanvraag wordt aangevoerd dat verzoeker weliswaar is veroordeeld terzake van rijden onder invloed, maar dat de aanleiding om verzoeker aan te houden was gelegen in de veronderstelling van verbalisanten dat deze op dat moment onbevoegd reed omdat zijn rijbewijs zou zijn ingehouden. Ik begrijp de klacht aldus dat - nu de reden voor het doen stoppen van aanvrager berustte op een onjuiste vermelding van gegevens in de parketadministratie - klagers aanhouding niet beruste op een rechtmatige grondslag, hetgeen tot niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie danwel tot vrijspraak had moeten leiden.
3.4 Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg bij de Politierechter in de Rechtbank Zwolle, nevenvestigingsplaats Lelystad, van 2 oktober 2001 is aan verzoeker aldaar de korte inhoud medegedeeld van een drietal stukken. Eén daarvan is het proces-verbaal van de opsporingsambtenaren [verbalisant 1 en 2] d.d. 20 juli 2001, inhoudende onder meer het volgende:
"Op 20 juli 2001 omstreeks 2.30 uur zagen wij dat een persoon als bestuurder van een voertuig, personenauto, Renault 5 Alpine Turbo, dit bestuurde te Lelystad in de gemeente Lelystad. Het genoemde voertuig beging een snelheidsovertreding.
Ik, eerste verbalisant, sprak de bestuurder aan. Ik had op 20 juni 2001 te 02.30 uur, het eerste directe contact met deze bestuurder. Ik hoorde dat de bestuurder met dubbele tong sprak en ik zag dat de bestuurder onvast ter been was.
De bestuurder gaf op te zijn [aanvrager], geboren [geboortedatum] 1968, wonende [woonplaats].
Dit heeft geleid tot een voltooid ademonderzoek, overeenkomstig de bijgevoegde afdruk."
3.5 Uit het hiervoor aangehaalde processtuk volgt derhalve dat aanvrager niet is gevraagd zijn auto langs de kant te zetten omdat de verbalisanten in de veronderstelling verkeerden dat hij een voertuig bestuurde tijdens een aan hem opgelegde ontzegging van de rijbevoegdheid, maar omdat werd geconstateerd dat met die wagen een snelheidsovertreding werd begaan.(1) Bovendien is aanvrager op 20 juli 2001 aangehouden, terwijl de foutieve registratie van de periode van inhouding van aanvragers rijbewijs het tijdvak van 24 juli 2001 tot en met 7 mei 2002 beslaat. Er lijkt dus geen enkel verband te bestaan tussen deze aanhouding van verdachte en de omissie van het parket Zwolle-Lelystad, zodat de door aanvrager aangevoerde herzieningsgrond reeds daarom niet tot het beoogde doel kan leiden.(2)
3.6 De aanvraag houdt ten aanzien van de tweede veroordeling van het Hof Arnhem d.d. 2 december 2003 in dat verdachte in die zaak is veroordeeld terzake van drie overtredingen van art. 9, zesde lid, (oud) WVW 1994 in de periode november-december 2001, welke overtredingen dus alle vallen binnen het tijdsbestek waarin verzoekers rijbewijs bij het parket Zwolle-Lelystad ten onrechte als ingehouden geregistreerd stond. +
3.7 Ten laste van aanvrager is door het Hof kort gezegd bewezenverklaard dat hij op 5 november 2001, 29 november 2001 en 1 december 2001 te Lelystad een voertuig zou hebben bestuurd terwijl zijn rijbewijs was ingevorderd.
3.8 Op mijn verzoek tot nadere informatie omtrent de bewuste omissie is mij door mr. R. Verheul, stafmedewerker bij het parket Zwolle-Lelystad, bij brief van 30 mei 2006 onder meer het volgende bericht:
"Het rijbewijs van [aanvrager] is in de periode van 24 juli 2001 tot en met 7 mei 2002 door een omissie van de administratie van mijn parket ten onrechte daarin geregistreerd geweest als ingehouden. Een klacht daaromtrent van [aanvrager] is bij brief van 21 april 2005 gegrond verklaard. Dat betekent dat het rijbewijs op 24 juli 2001(3) wel feitelijk aan [aanvrager] is teruggegeven, zodat hij er op die datum weer vrijelijk over heeft kunnen beschikken."
3.9 Bij de stukken bevindt zich voorts een proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg bij de Rechtbank Zwolle d.d. 7 oktober 2002. Dit proces-verbaal houdt, voorzover hier van belang, de volgende verklaring van aanvrager in:
"A. Mijn rijbewijs is op 3 november 2001 ingevorderd. Ik heb mijn rijbewijs op 24 juli 2002 weer terug gekregen. Op 29 november 2001 heb ik inderdaad in mijn auto gereden, maar dat was maar 3 meter. (...)
B. Ik heb op 5 november 2001 niet in mijn auto gereden. Ik was die dagen met [betrokkene 1] op stap. Hij reed mij die dag naar het politiebureau, omdat ik geen rijbewijs had. Hij rijdt mij wel vaker. Ik kwam voor [verbalisant 1]. Ik haalde de namen door elkaar. Ik vroeg naar [verbalisant 2]. Op 1 december 2001 heb ik ook niet gereden. Ik stond buiten mijn auto om mijn telefoon uit de auto te pakken. Ik ben toen aangehouden. (...)"
3.10 Uit voormelde verklaring van aanvrager kan derhalve worden afgeleid dat zijn rijbewijs - dat hem op 24 juli 2001 weer feitelijk ter hand was gesteld - op 3 november 2001 wederom is ingevorderd. Dit rijbewijs heeft hij volgens eigen zeggen pas op 24 juli 2002 teruggekregen. Op de terechtzitting in hoger beroep bij het Hof d.d. 18 november 2003 heeft verzoeker voorts verklaard dat hij op 1 december 2001 is aangehouden en dat op die dag zijn auto is weggehaald. Tevens heeft hij aldaar verklaard dat het klopt dat zijn rijbewijs was ingevorderd.(4) Hij ontkent dan ook niet dat hij op 5 november 2001, 29 november 2001 en 1 december 2001 zijn rijbewijs nog niet had teruggekregen, doch enkel dat hij in zijn auto (meer dan enkele meters) heeft gereden.
Uit het voorgaande volgt dan ook dat verzoekers rijbewijs in de tussentijd kennelijk terecht als ingehouden stond geregistreerd, wat er ook zij van de voor die inhouding in het administratiesysteem vermelde grondslag. Gelet daarop kan niet worden volgehouden dat het Hof, ware het bekend geweest met de bewuste vergissing van het parket Zwolle-Lelystad, aanvrager zou hebben vrijgesproken van het hem tenlastegelegde, hem ter zake van de drie tenlastegelegde misdrijven zou hebben ontslagen van rechtsvervolging danwel een minder zware strafbepaling zou hebben toegepast.
3.11 Tot slot nog een enkele opmerking omtrent het óók in het herzieningsverzoek vermelde vonnis van de Politierechter te Amsterdam van 7 februari 2002, waarbij ten laste van verdachte is bewezenverklaard dat hij op 3 november 2001 heeft geweigerd mee te werken aan een ademonderzoek als bedoeld in art. 163, tweede lid, WVW 1994.(5) In de aanvulling op het verzoek van de hand van mr. S.M. Milani is vermeld dat de in deze zaak gewraakte aanhouding niet heeft plaatsgehad op grond van de omissie van het Openbaar Ministerie, maar ingevolge een omissie van het CJIB. Omtrent die gestelde vergissing zijn echter geen (nieuwe) nadere bewijsstukken bij de aanvraag gevoegd. Reeds daarom kan deze grond niet tot herziening leiden.
4. Deze conclusie strekt tot ongegrondverklaring van de aanvraag.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
1 Uit het zich bij de stukken bevindende proces-verbaal met nr. 2001036383-1 volgt voorts dat bij navraag bij de Rijksdienst voor het wegverkeer tevens bleek dat de Apk zijn geldigheid had verloren. Zie blad 1 van voornoemd proces-verbaal.
2 Daarbij kan nog worden opgemerkt dat ook al zouden de agenten aanvrager hebben doen stoppen in verband met de onjuiste informatie in de parketadministratie, dit nog niet wegneemt dat verzoekers aanhouding terzake van overtreding van art. 8, tweede lid onder a, WVW 1994 rechtmatig is geschied. Aan die informatie mochten verbalisanten immers hoe dan ook een redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit ontlenen. Het bestaan van een redelijk vermoeden sluit immers niet uit dat bij nader onderzoek blijkt dat de verdachte dit feit niet heeft begaan (maar wel een ander strafbaar feit). Zie bijv. HR NJ 1987, 851 en Melaï, aant. 2a bij art. 27 Sv.
3 In de oorspronkelijke brief is als datum 24 juni 2001 vermeld. Navraag bij de betrokkene wees uit dat deze dagtekening op een vergissing berust. Dat het rijbewijs op 24 juli 2001 is teruggeven volgt overigens ook uit (een kopie van) de Beslissing van het Openbaar Ministerie, gehecht aan het proces-verbaal met nr. 2001036383-1.
4 De in hoger beroep optredende raadsvrouw van aanvrager - overigens dezelfde raadsvrouw als die het herzieningsverzoek heeft aangevuld - heeft ook aangegeven dat het rijbewijs van verzoeker op 3 november 2001 is ingevorderd en dat deze zich wel bewust was van de ontzegging.
5 Vier eerdere herzieningsverzoeken tegen bedoeld vonnis van de Politierechter zijn overigens reeds ongegrond verklaard, zie HR 30 september 2003, nr. 01181/03 H, HR 4 mei 2004, nr. 00398/04 H, HR 9 november 2004, nr. 02010/04 H en HR 13 september 2005, nr. 00368/05 H.
Uitspraak 15‑05‑2007
Inhoudsindicatie
Herzieningsaanvraag. Overgelegde appelakte. Uit n.a.v. de aanvrage door de AG ingewonnen ambtsberichten rijst het vermoeden dat een overgelegd geschrift een kopie betreft van een door een op de griffie van de Rb Amsterdam, sector kanton te Hilversum, werkzame griffiemedewerker ondertekende appelakte, dat daartoe bij vergissing een voor kantonzaken bestemd model is gebruikt en dat het origineel in het ongerede is geraakt. Gelet daarop gaat de HR ervan uit dat de overgelegde kopie van de akte rechtsmiddel overeenstemt met het originele exemplaar. Dat betekent dat aanvrager destijds als veroordeelde tijdig appel heeft ingesteld tegen het vonnis waarvan hij nu herziening vraagt, en dat is verzuimd de bedoelde akte door te sturen naar de griffier van de Rb te Amsterdam voor de verdere behandeling van die zaak. Dit laatste verzuim mag niet strekken ten nadele van de aanvrager. De aanvrage zal niet tot herziening kunnen leiden omdat de hier bedoelde veroordeling niet is een in kracht van gewijsde gegane einduitspraak houdende veroordeling i.d.z.v. art. 457.1. Sv. De aanvrage kan daarom niet worden ontvangen. De HR stelt de stukken ter behandeling van dat appel in handen van de griffier van het Gerechtshof te Amsterdam.
15 mei 2007
Strafkamer
nr. 01925/05 H
SM
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op een aanvrage tot herziening
a) van een vonnis van de Politierechter in de Rechtbank te Amsterdam van 7 februari 2002, nummer 13/111253-01,
b) van een in kracht van gewijsde gegaan arrest van het Gerechtshof te Arnhem van 21 maart 2002, nummer 21/002150-01,
alsmede
c) van een in kracht van gewijsde gegaan arrest van het Gerechtshof te Arnhem van 2 december 2003, nummer 21/002849-02 ingediend door:
[Aanvrager], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1968, wonende te [woonplaats], alsmede namens hem door zijn raadsvrouwe mr. S.M. Milani, advocaat te Lelystad.
1. De uitspraken waarvan herziening is gevraagd
a) De Politierechter heeft de aanvrager bij vonnis van 7 februari 2002 ter zake van "overtreding van artikel 163, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994" veroordeeld tot twee weken gevangenisstraf voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en tot een geldboete van € 800,-, subsidiair 32 dagen hechtenis, met ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van twaalf maanden waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.
b) Het Hof heeft in hoger beroep bij arrest van 21 maart 2002 - met vernietiging van een vonnis van de Politierechter in de Rechtbank te Zwolle, zitting houdende te Lelystad - de aanvrager ter zake van "overtreding van artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994" veroordeeld tot een geldboete van € 450,-, subsidiair negen dagen hechtenis, met ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van zes maanden waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.
c) Het Hof heeft in hoger beroep bij arrest van 2 december 2003 - met vernietiging van een vonnis van de Politierechter in de Rechtbank te Zwolle - de aanvrager ter zake van 1, 2 en 3, telkens opleverend "overtreding van artikel 9, zesde lid, Wegenverkeerswet 1994" veroordeeld tot een taakstraf bestaande uit een werkstraf voor de duur van 40 uren, subsidiair 20 dagen hechtenis, met voor 1, 2 en 3 telkens de ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van twee maanden.
2. De aanvrage tot herziening
2.1. De aanvrage tot herziening is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
2.2. De aanvrage berust op de stelling dat het onderzoek der onderscheiden zaken telkens zou hebben geleid hetzij tot vrijspraak van de veroordeelde, hetzij tot ontslag van rechtsvervolging, hetzij tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, hetzij tot toepasselijkverklaring van een minder zware strafbepaling aangezien sprake is geweest van omissies:
ad a) van het CJIB waardoor de aanvrager ten onrechte gesignaleerd heeft gestaan als iemand die boetes niet zou hebben voldaan,
ad b) en c) van het Arrondissementsparket Zwolle-Lelystad waardoor aanvragers rijbewijs in de periode van 24 juli 2001 tot en met 7 mei 2002 ten onrechte als ingehouden geregistreerd heeft gestaan.
3. De conclusie van de Advocaat-Generaal
3.1. De Advocaat-Generaal Machielse heeft op 20 juni 2006 geconcludeerd dat de Hoge Raad de aanvrage ongegrond zal verklaren.
3.2. Na de terechtzitting waarop de conclusie is genomen, is bij de Hoge Raad ingekomen een brief van 9 oktober 2006 van de raadsvrouwe van de aanvrager.
3.3. Op 6 maart 2007 heeft de Advocaat-Generaal aanvullend geconcludeerd. Deze aanvullende conclusie strekt ertoe dat de Hoge Raad, wat betreft de onder 1 sub a) genoemde uitspraak, zal verstaan dat de aanvrager tegen het vonnis hoger beroep heeft ingesteld en zal bepalen dat de stukken van het geding zullen worden gezonden aan de griffier van het Gerechtshof te Amsterdam.
3.4. Na de terechtzitting waarop de aanvullende conclusie is genomen, is bij de Hoge Raad ingekomen een brief van 10 maart 2007 van de aanvrager.
4. Beoordeling van de aanvrage
4.1. Als grondslag voor een herziening kunnen, voor zover hier van belang, krachtens het eerste lid, aanhef en onder 2° van art. 457 Sv slechts dienen een of meer door een opgave van bewijsmiddelen gestaafde omstandigheden van feitelijke aard die bij het onderzoek op de terechtzitting niet zijn gebleken en die het ernstig vermoeden wekken dat, waren zij bekend geweest, het onderzoek der zaak zou hebben geleid hetzij tot vrijspraak van de veroordeelde, hetzij tot ontslag van rechtsvervolging, hetzij tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, hetzij tot toepasselijkverklaring van een minder zware strafbepaling.
De onder a) bedoelde veroordeling
4.2. De stukken van het geding houden onder meer in:
- een door de raadsvrouwe aan de aanvrage gehechte kopie van een akte rechtsmiddel, op 7 februari 2002 opgemaakt ter griffie van het Kantongerecht te Hilversum, waarbij de aanvrager als veroordeelde heeft verklaard hoger beroep in te stellen tegen het eindvonnis van 7 februari 2002 in de zaak met nummer 13/111253-01;
- een bij de Hoge Raad ingekomen brief van 27 mei 2003 van de Rechtbank te Amsterdam, sector strafrecht, inhoudende dat de zaak met parketnummer 13/111253-01 in kracht van gewijsde is gegaan.
4.3. Uit naar aanleiding van de aanvrage door de Advocaat-Generaal ingewonnen ambtsberichten rijst, naar volgt uit een brief van 20 februari 2007 van de griffie van de Rechtbank te Amsterdam, sector kanton, locatie Hilversum, aan de strafadministratie van de Hoge Raad, het vermoeden dat het overgelegde geschrift een kopie betreft van een door een aldaar werkzame griffiemedewerker ondertekende appelakte, dat daartoe bij vergissing een voor kantonzaken bestemd model is gebruikt en dat het origineel in het ongerede is geraakt. Gelet op de resultaten van dat onderzoek gaat de Hoge Raad ervan uit dat de overgelegde kopie van de akte rechtsmiddel overeenstemt met het originele exemplaar. Dat betekent dat de aanvrager destijds als veroordeelde tijdig hoger beroep heeft ingesteld tegen het vonnis waarvan hij nu herziening vraagt, en dat is verzuimd de bedoelde akte door te sturen naar de griffier van de Rechtbank te Amsterdam voor de verdere behandeling van die zaak. Dit laatste verzuim mag niet strekken ten nadele van de aanvrager.
4.4. Hetgeen hiervoor onder 4.3 is overwogen brengt in de eerste plaats mee dat de aanvrage niet tot herziening zal kunnen leiden omdat de hier bedoelde veroordeling niet is een in kracht van gewijsde gegane einduitspraak houdende veroordeling in de zin van art. 457, eerste lid, Sv. De aanvrage kan daarom niet worden ontvangen.
In de tweede plaats zal de Hoge Raad de stukken ter behandeling van dat hoger beroep in handen stellen van de griffier van het Gerechtshof te Amsterdam.
De onder b) bedoelde veroordeling
4.5. Aan de aanvrage is een brief gehecht van de Hoofdofficier van Justitie van het Arrondissementsparket Zwolle-Lelystad van 21 april 2005, welke onder meer inhoudt:
"Door een omissie is uw rijbewijs in de periode van 24 juli 2001 tot en met 7 mei 2002 in de administratie van mijn parket ten onrechte geregistreerd blijven staan als ingehouden."
4.6. Met een beroep op deze brief wordt in de aanvrage aangevoerd dat de aanleiding om de aanvrager aan te houden ten onrechte daarin heeft gelegen dat hij een motorrijtuig had bestuurd hoewel zijn rijbewijs was ingevorderd en nog niet teruggegeven.
4.7. Gezien de stukken van het dossier, in het bijzonder het proces-verbaal van politie van 20 juli 2001, heeft de aanhouding plaatsgevonden op 20 juli 2001, derhalve buiten de periode waarop de hiervoor onder 4.5 genoemde brief betrekking heeft. Dat brengt mee dat de in die brief genoemde omstandigheid geen grond kan vormen voor een ernstig vermoeden als hiervoor onder 4.1 bedoeld.
De onder c) bedoelde veroordeling
4.8. In de aanvrage wordt aangevoerd dat de overtredingen van art. 9, zesde lid (oud) Wegenverkeerswet 1994, hebben plaatsgehad gedurende de periode dat aanvragers rijbewijs blijkens de hiervoor onder 4.5 weergegeven brief ten onrechte als ingevorderd geregistreerd heeft gestaan.
4.9. Gezien de stukken van het dossier, waaronder het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep voor zover behelzende de verklaring van de aanvrager als verdachte en het aldaar namens hem door zijn raadsvrouwe gevoerde betoog, heeft de aanvrager meegedeeld dat zijn rijbewijs vanaf 3 november 2001 opnieuw ingevorderd is geweest. Aan de inhoud van de hiervoor onder 4.5 weergegeven brief komt dan ook geen bijzondere betekenis toe. Dat brengt mee dat het in die brief gestelde geen omstandigheid kan vormen voor een ernstig vermoeden als hiervoor onder 4.1 bedoeld.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
Verklaart de aanvrage niet-ontvankelijk wat betreft het vonnis van de Politierechter in de Rechtbank te Amsterdam van 7 april 2002, nummer 13/111253-01;
Verstaat dat de aanvrager tegen het vonnis van de Politierechter in de Rechtbank te Amsterdam van 7 april 2002, nummer 13/111253-01, hoger beroep heeft ingesteld en bepaalt dat de stukken van het geding ter behandeling van het hoger beroep worden gezonden aan de griffier van het Gerechtshof te Amsterdam;
Wijst de aanvrage tot herziening af voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president G.J.M. Corstens als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en J.W. Ilsink, in bijzijn van de waarnemend griffier L.J.J. Okker-Braber, en uitgesproken op 15 mei 2007.