HR, 02-10-2007, nr. 02891/06 B
ECLI:NL:PHR:2007:BA7921
- Instantie
Hoge Raad (Strafkamer)
- Datum
02-10-2007
- Zaaknummer
02891/06 B
- LJN
BA7921
- Vakgebied(en)
Bijzonder strafrecht / Verkeersstrafrecht
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2007:BA7921, Uitspraak, Hoge Raad (Strafkamer), 02‑10‑2007; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2007:BA7921
ECLI:NL:PHR:2007:BA7921, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 02‑10‑2007
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2007:BA7921
- Vindplaatsen
VR 2008, 6
VR 2008, 6
Uitspraak 02‑10‑2007
Inhoudsindicatie
Beklag. Het cassatieberoep is gericht tegen een beschikking van de Rb d.d. 19-9-06 waarbij een klaagschrift van klager strekkende tot teruggave van zijn rijbewijs ongegrond is verklaard. Een “Aantekening mondeling vonnis” van een vonnis d.d. 19-9-06 van de Ktr. in de strafzaak waarmee de invordering van het rijbewijs verband houdt, houdt in dat zowel verdachte als de OvJ afstand van rechtsmiddelen heeft gedaan, zodat voornoemd vonnis van de Ktr. onherroepelijk is geworden. Klager heeft daarom geen belang meer bij het cassatieberoep en wordt niet-ontvankelijk verklaard.
2 oktober 2007
Strafkamer
nr. 02891/06 B
SG/SM
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de Rechtbank te ’s-Gravenhage van 19 september 2006, nummer RK 06/1961, op een beklag als bedoeld in artikel 164, achtste lid van de Wegenverkeerswet 1994, ingediend door:
[Klager], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1972, ten tijde van de betekening van de aanzegging gedetineerd in het Justitieel Complex "Koning Willem II" te Tilburg.
1. De bestreden beschikking
De Rechtbank heeft het in het door de klager ingediende klaagschrift vervatte verzoek, strekkende tot teruggave aan hem van het in bovenvermelde beschikking omschreven rijbewijs, ongegrond verklaard.
2. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de klager. Namens deze heeft mr. J.P.A. van Schaik, advocaat te Veenendaal, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld.
De Advocaat-Generaal Vellinga heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad de klager in het beroep niet-ontvankelijk zal verklaren.
3. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3.1. Het cassatieberoep is gericht tegen een beschikking van de Rechtbank van 19 september 2006 waarbij een klaagschrift van de klager strekkende tot teruggave van zijn rijbewijs ongegrond is verklaard.
3.2. Bij de stukken van het geding bevindt zich een
"Aantekening mondeling vonnis", inhoudende dat de Kantonrechter in de Rechtbank te 's-Gravenhage de klager in de strafzaak waarmee de invordering van het rijbewijs verband houdt, bij vonnis van 19 september 2006 onder meer heeft veroordeeld tot een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van zes maanden met aftrek overeenkomstig art. 179, zesde lid, Wegenverkeerswet 1994, waarvan vijf maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. De aantekening van het mondeling vonnis houdt in dat zowel de verdachte als de Officier van Justitie afstand van rechtsmiddelen heeft gedaan, zodat voornoemd vonnis van de Kantonrechter onherroepelijk is geworden. Dit betekent dat de klager geen belang meer heeft bij het beroep tegen de beschikking van de Rechtbank, zodat hij daarin niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
4. Beslissing
De Hoge Raad verklaart de klager niet-ontvankelijk in het beroep.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren A.J.A. van Dorst en H.A.G. Splinter-van Kan, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, in raadkamer en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 2 oktober 2007.
Conclusie 02‑10‑2007
Inhoudsindicatie
Beklag. Het cassatieberoep is gericht tegen een beschikking van de Rb d.d. 19-9-06 waarbij een klaagschrift van klager strekkende tot teruggave van zijn rijbewijs ongegrond is verklaard. Een “Aantekening mondeling vonnis” van een vonnis d.d. 19-9-06 van de Ktr. in de strafzaak waarmee de invordering van het rijbewijs verband houdt, houdt in dat zowel verdachte als de OvJ afstand van rechtsmiddelen heeft gedaan, zodat voornoemd vonnis van de Ktr. onherroepelijk is geworden. Klager heeft daarom geen belang meer bij het cassatieberoep en wordt niet-ontvankelijk verklaard.
Nr. 02891/06 B
Mr. Vellinga
Zitting: 19 juni 2007
Conclusie inzake:
[Verzoeker = klager]
1. De Rechtbank te 's-Gravenhage heeft bij beschikking van 19 september 2006 een namens verzoeker ingediend klaagschrift als bedoeld in art. 164, lid 8, WVW 1994 strekkende tot teruggave van zijn rijbewijs ongegrond verklaard.
2. Namens verdachte heeft mr. J.P.A. van Schaik, advocaat te Veenendaal, één middel van cassatie voorgesteld.
3. Ambtshalve vestig ik de aandacht op het volgende.
4. Blijkens de stukken is het rijbewijs van klager op 17 augustus 2006 ingevorderd en heeft de Officier van Justitie op 25 augustus 2006 op de voet van art. 164, vierde lid (oud) WVW 1994 besloten het rijbewijs voor de duur van vier maanden in te houden. Bij de stukken bevindt zich tevens een aantekening mondeling vonnis van de Kantonrechter te 's Gravenhage d.d. 19 september 2006, inhoudende dat de verdachte wegens een op 17 augustus 2006 begane overtreding van artikel 20, aanhef en onder A, van het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990 wordt veroordeeld tot een geldboete van € 1.200,= subsidiair 24 dagen hechtenis - te voldoen in zes maandelijkse termijnen van elk € 200,= - alsmede tot een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van zes maanden met aftrek overeenkomstig artikel 179 lid 6 van de Wegenverkeerswet 1994, waarvan vijf maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Bedoelde aantekening mondeling vonnis houdt tevens in dat door zowel de verdachte als door de Officier van Justitie ter terechtzitting afstand van rechtsmiddelen is gedaan, waarmee de uitspraak onherroepelijk is geworden.
5. Telefonische navraag bij het arrondissementsparket te 's -Gravenhage heeft voorts opgeleverd dat het rijbewijs op 19 september 2006 als uitvloeisel van de hiervoor genoemde uitspraak aan klager is teruggegeven. Het voorgaande in aanmerking genomen heeft klager bij het cassatieberoep geen belang meer, vgl. HR 1 februari 2005, LJN AR7624.
6. Deze conclusie strekt ertoe dat klager in het cassatieberoep niet-ontvankelijk zal worden verklaard.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG