HR, 02-10-2007, nr. 03390/06 H
ECLI:NL:PHR:2007:BA8513
- Instantie
Hoge Raad (Strafkamer)
- Datum
02-10-2007
- Zaaknummer
03390/06 H
- LJN
BA8513
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2007:BA8513, Uitspraak, Hoge Raad (Strafkamer), 02‑10‑2007; (Herziening)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2007:BA8513
ECLI:NL:PHR:2007:BA8513, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 02‑10‑2007
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2007:BA8513
Beroepschrift, Hoge Raad, 23‑11‑2006
- Vindplaatsen
Uitspraak 02‑10‑2007
Inhoudsindicatie
Herziening. Aanvrager is veroordeeld voor onverzekerd rijden. I.c. kan het schrijven van X Assurantiën, kortgezegd inhoudend dat aanvrager zijn auto telefonisch bij X heeft aangemeld om verzekerd te worden maar dat er aan de kant van X iets fout is gegaan, niet het ernstig vermoeden wekken dat de Ktr. - ware deze daarmee bekend geweest - aanvrager zou hebben vrijgesproken dan wel zou hebben ontslagen van rechtsvervolging op de grond dat aanvrager er in redelijkheid op mocht vertrouwen dat de verzekeringsmaatschappij de door hem aangevraagde dekking had verleend.
2 oktober 2007
Strafkamer
nr. 03390/06 H
SM
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op een aanvrage tot herziening van een in kracht van gewijsde gegaan vonnis van de Kantonrechter in de Rechtbank te Utrecht, sector kanton Amersfoort, van 27 mei 2004, nummer 16/402340-03, ingediend door mr. R.A.J. Verploegh, advocaat te 's-Gravenhage, namens:
[aanvrager], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1965, domicilie kiezende te 's-Gravenhage.
1. De uitspraak waarvan herziening is gevraagd
De Kantonrechter heeft de aanvrager ter zake van "als degene aan wie het kenteken is opgegeven voor een motorrijtuig waarvoor een kentekenbewijs is afgegeven niet een verzekering overeenkomstig de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen sluiten en in stand houden", veroordeeld tot hechtenis voor de duur van twee weken, met ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van zes maanden.
2. De aanvrage tot herziening
2.1. De aanvrage tot herziening is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
2.2. De aanvrage tot herziening berust op de stelling dat sprake is van een omstandigheid als bedoeld in art. 457, eerste lid aanhef en onder 2°, Sv, aangezien uit de aan de aanvrage gehechte bescheiden blijkt - zakelijk weergegeven - dat de verzekeringstussenpersoon van de aanvrager heeft verzuimd aan de verzekeringsmaatschappij te melden dat de aanvrager de personenauto met het kenteken [AA-BB-00] ter verzekering had aangeboden.
3. De conclusie van de Advocaat-Generaal
De Advocaat-Generaal Wortel heeft geconcludeerd dat de aanvrage gegrond zal worden verklaard, voor zoveel nodig de opschorting of schorsing van de tenuitvoerlegging van het op 27 mei 2004 gewezen vonnis zal worden bevolen, en de zaak naar het bevoegde Gerechtshof zal worden verwezen teneinde op de voet van art. 467 Sv opnieuw te worden behandeld en afgedaan.
4. Beoordeling van de aanvrage
4.1. Als grondslag voor een herziening kunnen, voor zover hier van belang, krachtens het eerste lid, aanhef en onder 2° van art. 457 Sv slechts dienen een of meer door een opgave van bewijsmiddelen gestaafde omstandigheden van feitelijke aard die bij het onderzoek op de terechtzitting niet zijn gebleken en die het ernstig vermoeden wekken dat, waren zij bekend geweest, het onderzoek der zaak zou hebben geleid hetzij tot vrijspraak van de veroordeelde, hetzij tot ontslag van rechtsvervolging, hetzij tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, hetzij tot toepasselijkverklaring van een minder zware strafbepaling.
4.2. Ten laste van de aanvrager is bewezenverklaard dat hij op 21 januari 2003 als degene aan wie voor een motorrijtuig (personenauto) het kenteken [AA-BB-00] was opgegeven, en waarvoor een kentekenbewijs was afgegeven, niet een verzekering overeenkomstig de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen had gesloten en in stand gehouden.
4.3. Bij de aanvrage is onder meer overgelegd een getypt schrijven van "[bedrijf A]" van 25 juni 2004 aan de aanvrager, inhoudende, voor zover hier van belang:
"Onderwerp: Verzekeringsdekking Mercedes 350 TD
Kenteken [AA-BB-00]
Geachte [aanvrager],
Middels deze brief wil ik bevestigen dat de auto met bovengenoemd kenteken telefonisch bij mij is aangemeld om verzekerd te worden per 4 Januari 2004 (hetgeen handmatig is gewijzigd in 2003). Dat er iets fout is gegaan betreur ik zeer. Het feit dat U een heel wagenpark bij mijn kantoor verzekerde en er regelmatig auto's afgemeld werden en weer bij kwamen en in al die jaren er nooit iets fout is gegaan zegt iets over U als persoon dat U nooit een auto onverzekerd heeft laten rond rijden. Ik neem dan ook alle schuld op mij, nogmaals ik betreur het zeer dat U hierdoor problemen met Justitie heeft."
4.4. Dit schrijven houdt onvoldoende in om het hiervoor onder 4.1 bedoelde ernstig vermoeden te kunnen wekken. In het bijzonder kan het niet het ernstig vermoeden wekken dat de Kantonrechter - ware deze daarmee bekend geweest - de aanvrager zou hebben vrijgesproken dan wel zou hebben ontslagen van rechtsvervolging op de grond dat de aanvrager er in redelijkheid op mocht vertrouwen dat de verzekeringsmaatschappij de door hem aangevraagde dekking met ingang van 4 januari 2003 had verleend.
5. Beslissing
De Hoge Raad wijst de aanvrage tot herziening af.
Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren J.P. Balkema, A.J.A. van Dorst, J. de Hullu en H.A.G. Splinter-van Kan, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 2 oktober 2007.
Conclusie 02‑10‑2007
Inhoudsindicatie
Herziening. Aanvrager is veroordeeld voor onverzekerd rijden. I.c. kan het schrijven van X Assurantiën, kortgezegd inhoudend dat aanvrager zijn auto telefonisch bij X heeft aangemeld om verzekerd te worden maar dat er aan de kant van X iets fout is gegaan, niet het ernstig vermoeden wekken dat de Ktr. - ware deze daarmee bekend geweest - aanvrager zou hebben vrijgesproken dan wel zou hebben ontslagen van rechtsvervolging op de grond dat aanvrager er in redelijkheid op mocht vertrouwen dat de verzekeringsmaatschappij de door hem aangevraagde dekking had verleend.
Griffienr. 03390/06 H
Mr. Wortel
Zitting:26 juni 2007
Conclusie inzake:
[aanvrager]
1. Namens de bovengenoemde persoon - hierna te noemen: de aanvrager - heeft mr R.A.J. Verploegh, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur herziening gevraagd van een op tegenspraak gewezen vonnis van de kantonrechter in de Rechtbank te Utrecht, zitting houdend te Amersfoort, waarbij de aanvrager wegens "als degene aan wie het kenteken is opgegeven voor een motorrijtuig waarvoor een kentekenbewijs is afgegeven niet een verzekering overeenkomstig de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen sluiten en in stand houden" is veroordeeld tot twee weken hechtenis, met ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van zes maanden. Dit vonnis is onherroepelijk geworden door het verwerpen van een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam, zitting houdend te Arnhem, waarbij de aanvrager in diens beroep tegen dat vonnis niet-ontvankelijk is verklaard.
2. In de aanvrage wordt het volgende aangevoerd. Deze zaak betreft een op 21 januari 2003 geconstateerde overtreding van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen. De aanvrager is bij de kantonrechter verschenen, samen met zijn verzekeringstussenpersoon. Er is aangevoerd dat de auto in kwestie wel degelijk was verzekerd. Daarop is de behandeling aangehouden zodat de aanvrager het bewijs kon leveren. De aanvrager heeft niet begrepen dat hij op een latere terechtzitting diende te verschijnen. Daarom is de zaak buiten zijn tegenwoordigheid verder behandeld, en (bij gebreke van nadere informatie aangaande het verzekerd zijn van de auto) in een veroordeling geëindigd.
Nadien heeft de aanvrager bemerkt dat er op 8 januari 2003 ook al proces-verbaal was opgemaakt wegens het onverzekerd zijn van dezelfde auto. Dat heeft eveneens tot een veroordeling gevoerd (een vonnis van de kantonrechter in de Rechtbank te 's-Gravenhage), maar in die zaak is de aanvrager in hoger beroep vrijgesproken, nadat diens verzekeringstussenpersoon ter terechtzitting had verklaard dat de aanvrager de betreffende auto bij hem had aangemeld voor opname in een bedrijfspolis, maar hij, de tussenpersoon, was vergeten die aanmelding aan de verzekeraar door te geven.
3. Het is een merkwaardige affaire. In de zaak waarvan nu herziening wordt gevraagd is de verdachte verschenen op de in Amersfoort gehouden terechtzitting van de Kantonrechter van 1 april 2004. De aanvrager was vergezeld van [betrokkene 1]. Blijkens dit proces-verbaal heeft de verdachte toen al gemeld dat de betreffende auto op 8 januari 2003 was inbeslaggenomen. De officier van justitie heeft voorgesteld de zaak aan te houden om de aanvrager de kans te geven een "artikel 34 WAM-verklaring" te overleggen, en genoemde [betrokkene 1] heeft verklaard:
"Ik werk bij [bedrijf B] en behartig de verzekeringen van [aanvrager]. [Aanvrager] is een goede klant van de [...] verzekering. Ik ben tussenpersoon voor de [...] verzekering.
Ik zal me inzetten om een "artikel 34 WAM-verklaring" te verkrijgen en te overleggen."
Daarop is de behandeling voor bepaalde tijd aangehouden, uiteraard met aanzegging van dag en tijdstip van de volgende zitting aan de verdachte.
4. De andere zaak waarop in de aanvrage wordt gedoeld, betreffende het op 8 januari 2003 geconstateerde feit, heeft in eerste aanleg gediend bij de kantonrechter in de Rechtbank te 's-Gravenhage. Op diens zitting van 27 januari 2004 verscheen de verdachte in gezelschap van een 'vertegenwoordiger', [betrokkene 2]. Blijkens het proces-verbaal van deze terechtzitting heeft de verdachte verklaard dat de tussenpersoon, [betrokkene 1], in het ziekenhuis lag. De behandeling is aangehouden om de verdachte de gelegenheid te geven een art. 34 WAM-verklaring over te leggen. In die zaak is de behandeling voortgezet op de terechtzitting van 21 juni 2004, wederom in aanwezigheid van de verdachte en diens vertegenwoordiger. De verdachte verklaarde geen WAM-verklaring te hebben.
5. Toen het Hof zich in de nu te beoordelen zaak boog over de ontvankelijkheid van de verdachte in diens hoger beroep werd deze ter zitting bijgestaan door mr R.A.J. Verploegh, advocaat te 's Gravenhage, die ook de onderhavige aanvrage heeft ingediend. Mr Verploegh heeft een korte notitie overgelegd met beschouwingen over de mogelijkheid dat de verdachte niet had begrepen dat de kantonrechter hem had aangezegd op de volgende terechtzitting te verschijnen, en dat hij zelf voor de WAM-verklaring had moeten zorgen.
Wat er van dat betoog zij: het belang van zo'n WAM-verklaring is ter sprake geweest tijdens de zitting van de kantonrechter in Amersfoort van 1 april 2004, terwijl daar ook al over was gesproken op de zitting van de Haagse kantonrechter van 27 januari van dat jaar.
6. In ieder geval is in de nu te beoordelen zaak dus al aan de orde geweest dat de aanvrager aannemelijk wilde maken dat de betreffende auto op 21 januari 2003 wel degelijk was verzekerd. Ik laat maar in het midden dat het er bij mij niet goed in wil dat de aanvrager steeds, bij de behandeling van de beide strafzaken, in de veronderstelling heeft verkeerd dat het allemaal wel goed zou komen, en dat hij verder geen moeite behoefde te doen voor de WAM-verklaring die zowel de Amersfoortse als de Haagse kantonrechters onder ogen wilden hebben.
7. Verder is bij de aanvrage gevoegd een kopie van een schrijven gedateerd 25 juni 2004, met de ondertekening "[bedrijf A]" en de tekst:
"Middels deze brief wil ik bevestigen dat de auto met bovengenoemd kenteken telefonisch bij mij is aangemeld om verzekerd te worden per 4 januari 2003. Dat er iets fout is gegaan betreur ik zeer. Het feit dat U een heel wagenpark bij mijn kantoor verzekerde en er regelmatig auto's afgemeld werden en weer bij kwamen en in al die jaren er nooit iets fout is gegaand zeg iets over U als persoon dat U nooit een auto onverzekerd heeft laten rond rijden. Ik neem dan ook alle schuld op mij, nogmaals ik betreur het zeer dat hierdoor problemen met Justitie heeft, U bent een geen geval schuldig hieraan. Hopend U hiermee van dienst te zijn geweest wenst ik U heel veel goede zaken toe voor nu en in de toekomst,"
8. Bij de aanvrage is ook gevoegd (als Bijlage III) een kopie van een stuk met opschrift "De [...] / Bedrijven pakketpolis". Dit stuk vermeldt als "reden afgifte: Wijziging onderliggende polis" met wijzigingsdatum 1 januari 2003, en bevat onder de hoofdjes
INGANGS/
OMSCHRIJVING VERZEKERD WIJZIGINGS-
”POLISNUMMER VERZEKERING BEDRAG DATUM TERMIJNBEDRAG”
een lijst van posten, waaronder
“[0001] PERSONENAUTO ZIE POLISBLAD 01-01-2003 E 208,18”
In deze regel is met de hand achter “Personenauto” geschreven “[AA-BB-00]”.
9. Bij de aanvrage is verder gevoegd, eveneens genummerd "Bijlage III", een stuk met opschrift De [...] / Afrekeningsoverzicht bedrijven pakketpolis", gedagtekend (met de vermelding "[bedrijf A]") 10 december 2002.
Dit stuk betreft de specificatie van afrekening of verrekening over de periode 1 januari 2003 tot 1 april 2003 betreffende polisnummer [0002].
10. In de aanvrage is vermeld dat [betrokkene 1] tijdens de terechtzitting van het Haagse Hof (waarna de vrijspraak ter zake van de op 8 januari 2003 begane overtreding van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen volgde) als getuige heeft verklaard dat verzoeker hem op 4 januari 2003 heeft verzocht de bewuste auto in de verzekering op te nemen, dat hij - [betrokkene 1] - verzoeker daarbij heeft toegezegd dat de verzekering onmiddellijk zou ingaan, maar dat hij is vergeten dit aan de verzekeraar door te geven. Van de zitting van het Haagse hof is evenwel geen proces-verbaal is opgemaakt.
11. Is met dit alles nu een 'novum' als bedoeld in art. 457, eerste lid, aanhef en onder 2o Sv aannemelijk gemaakt? Ik blijf het een moeizame geschiedenis vinden.
12. De vrijspraak in de 'Haagse zaak' impliceert dat het Hof zich ervan heeft laten overtuigen dat de auto met het kenteken [AA-BB-00] op 8 januari 2003 daadwerkelijk in een verzekering was opgenomen. Op basis van de nu beschikbare stukken lijkt me dat een vrij gewaagde uitspraak. Als de indiener van deze aanvrage een stuk in handen had gekregen waaruit zonder meer blijkt dat de auto op die dag was verzekerd zou hij dat wel hebben bijgevoegd. Dan waren we snel klaar geweest. Uit het ontbreken van zulk een simpel bewijsstuk maak ik op dat het Haagse Hof is afgegaan op de verklaring die [betrokkene 1] in hoger beroep heeft afgelegd, doch die behelst - naar ik van de indiener van de aanvrage aanneem - slechts dat hij er voor had zullen zorgen dat de auto vanaf 4 januari 2003 was verzekerd maar dit heeft verzuimd. Daarin ligt besloten dat de tussenpersoon bevoegd zou zijn geweest de dekking terstond te verlenen, maar tevens dat die dekking pas van kracht is geworden nadat de tussenpersoon - naar aanleiding van deze strafza(a)k(en) - zijn omissie heeft bemerkt. Als rechter zou ik er daarom de voorkeur aan gegeven hebben verzoeker van alle rechtsvervolging te ontslaan, omdat hij heeft kunnen afgaan op de mededeling van zijn verzekeringstussenpersoon dat de betreffende auto in de verzekering was opgenomen.
13. Het spreekt wel vanzelf dat de bij de aanvrage genoemde kopieën, hierboven onder 8 en 9 genoemd, niets aan het vorenstaande toevoegen, aangezien het onder 9 genoemde stuk een andere polis betreft dan die waaronder de betreffende auto volgens de aantekening op het onder 8 genoemde stuk verzekerd zou zijn, die aantekening op zichzelf beschouwd niet voldoende zekerheid geeft dat de auto met het bewuste kenteken onder dat polisnummer was verzekerd, terwijl een opgave van wijzigingen per 1 januari 2003 veeleer het vermoeden wekt dat het onder 8 genoemde stuk geen betrekking heeft op de verzekering die op 4 januari 2003 van kracht had moeten worden, maar ten gevolge van het verzuim van de tussenpersoon pas (veel) later is ingegaan.
14. Tenslotte blijft dit herzieningsverzoek nogal moeizaam, omdat het betoog dat inmiddels, in de Haagse strafzaak, is gebleken dat verzoeker in januari 2003 aan zijn verzekeringsplicht had voldaan, niet werkelijk een nieuwe omstandigheid kan opleveren. Bij de feitelijke behandeling van de nu te beoordelen zaak, door de te Amersfoort zittende kantonrechter, heeft [betrokkene 1] toegezegd dat hij zich zou inspannen om een "artikel 34 WAM-verklaring" te produceren, waarin noodzakelijkerwijs besloten ligt dat deze verzekeringstussenpersoon meende te weten dat de auto op het in de tenlastelegging genoemde tijdstip was verzekerd.
15. Het zou zo simpel kunnen zijn. Een ondubbelzinnige verklaring van de verzekeraar dat de automobiel met het bewuste kenteken op 21 januari 2003 daadwerkelijk was opgenomen in een verzekering tegen wettelijke aansprakelijkheid zou de zaak onmiddellijk oplossen. Ik voel me niet geroepen, aangezien het toch werkelijk op de weg van de aanvrager (voorzien van rechtskundige bijstand) ligt om het gestelde novum aannemelijk te maken.
Om te voorkomen dat de aanvrager het slachtoffer wordt (en blijft) van minder doeltreffende bijstand en, vooral, het falen van zijn verzekeringstussenpersoon, lijkt mij wenselijk dat feitelijk wordt uitgezocht hoe het met de verzekering van de in de tenlastelegging genoemde auto precies gesteld is geweest.
16. Deze conclusie strekt ertoe dat de aanvraag gegrond zal worden verklaard; voor zoveel nodig de opschorting of schorsing van de tenuitvoerlegging van het op 27 mei 2004 gewezen vonnis zal worden bevolen, en de zaak naar het bevoegde Gerechtshof zal worden verwezen teneinde op de voet van art. 467 Sv opnieuw te worden behandeld en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,
Beroepschrift 23‑11‑2006
VERZOEK TOT HERZIENING (ART. 457 SV.)
Ten behoeve van en namens:
[verzoeker], geboren te [geboorteplaats] (Turkije) op [geboortedatum] 1965 te dezer zake domicilie kiezende te Den Haag aan het Buitenhof 24 (2513 AG) op het kantoor van zijn raadsman mr. R.A.J. Verploegh, die door hem bepaaldelijk is gevolmachtigd om dit herzieningsverzoek te ondertekenen en in te dienen.
1
Bij arrest van 10 oktober 2006 (02951/05) heeft Uw Raad het beroep in cassatie ongegrond verklaard tegen het arrest van 14 april 2005 van het Gerechthof te Amsterdam, zitting houdende te Arnhem. Het Hof heeft daarbij verzoeker niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep tegen het vonnis van 27 mei 2004 van de kantonrechter te Utrecht, locatie Amersfoort waarbij verzoeker is veroordeeld tot twee weken gevangenisstraf en ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 6 maanden.
2
Dit vonnis van de kantonrechter is een einduitspraak houdende veroordeling, hetwelk door Uw arrest van 10 oktober 2006 in kracht van gewijsde is gegaan. Van dat vonnis wordt hierbij herziening aangevraagd.
3
Toelichting:
Door de kantonrechter is bewezen verklaard dat verdachte op 21 januari 2003 te Maarn, althans in het arrondissement Utrecht, als degene aan wie voor een motorrijtuig het kenteken [AA-BB-00] was opgegeven, en waarvoor een kenteken was afgegeven, niet een verzekering overeenkomstig de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen had gesloten en in stand heeft gehouden.
4
Verzoeker is voor diezelfde auto voor hetzelfde feit, echter op 8 januari 2003 te Den Haag gepleegd, ook vervolgd geweest.
Uiteindelijk is hij daarvoor door het Gerechtshof te Den Haag op 8 juni 2005 vrijgesproken (22-004748-04). Van de aantekening van het mondeling vonnis, en het vonnis in eerste aanleg (09/159828-03) is hierachter een kopie als bijlage I en II gevoegd.
5
De omstandigheden zijn als volgt te beschrijven:
Verzoeker is ondernemer en directeur, groot aandeelhouder van ‘[bedrijf X] B.V.’ en heeft een heel wagenpark op zijn naam staan. Hij had daarvoor middels de genoemde besloten vennootschap een bedrijvenpakketpolis voor die auto's bij verzekeringsmaatschappij ‘[bedrijf B]’ afgesloten. Als bijlage III is een afschrift van de opgave van die verzekering gevoegd.
6
Ten behoeve van zijn verzekeringen maakt verzoeker gebruik van de heer [betrokkene 1], handelend onder de naam ‘[bedrijf A]’. De heer [betrokkene 1] is verzekeringsgevolmachtigde van de verzekeringsmaatschappij ‘[bedrijf B]’.
7
Op 4 januari 2003 heeft verzoeker gebeld met [betrokkene 1] en heeft de betreffende auto aangemeld om te worden verzekerd in de genoemde bedrijvenpakettenpolis. [betrokkene 1] heeft als gevolmachtigde van verzekeringsmaatschappij ‘[bedrijf B]’ direct aan verzoeker medegedeeld dat de auto vanaf dat moment was verzekerd.
8
Op 8 januari 2003 vindt er een controle plaats in de registers en blijkt dat de auto volgens de registers niet is verzekerd. Daar merkt [verzoeker] op dat moment niets van. Pas op 21 januari 2003 als de auto fysiek wordt gecontroleerd en in beslag wordt genomen, wordt hem medegedeeld dat er geen verzekering is geregistreerd.
9
Dan blijkt dat de heer [betrokkene 1] verzuimd heeft de vermelding van de auto in de bedrijfspakketpolis van verzoeker te (laten) verwerken, zodat deze niet in de registers vermeld was.
10
Ter terechtzitting van de kantonrechter te Utrecht, locatie Amersfoort op 1 april 2004 is [betrokkene 1] gehoord. Hij heeft aldaar verklaard dat hij werkt bij de assurantie maatschappij Rotterdam en de belangen behartigt van de heer [verzoeker]. Dat hij een goede klant is van de [bedrijf B] en hij daarvan tussenpersoon is en zich in zal zetten om een artikel 34 WAM/verklaring te verkrijgen en te overleggen.
Die verklaring is er echter nimmer gekomen en verzoeker is zonder dat hij op de nadere terechtzitting van de kantonrechter in zijn afwezigheid veroordeeld.
11
De getuige [betrokkene 1] heeft bij de kantonrechter echter niet verklaard wat hij later wel heeft verklaard, als getuige onder ede, ter terechtzitting bij het Gerechthof te Den Haag op 8 juni 2005 in de andere zaak zoals hiervoor vermeld. Namelijk dat hij zelfstandig gevolmachtigd was om verzekering af te sluiten namens verzekeringsmaatschappij de [bedrijf B] en dat verzoeker hem op 4 januari 2003 heeft gebeld met het verzoek om de betreffende auto te verzekeren, en dat hij vervolgens heeft meegedeeld dat de auto vanaf die dag was verzekerd, maar dat hij echter verzuimd heeft dit door te melden aan de [bedrijf B].
12
Verzoeker is vervolgens door het Hof van het ten laste gelegde feit vrijgesproken.
Ondergetekende heeft aan het Hof verzocht om een afschrift van het proces/verbaal van de zitting tevens bevattende de verklaring van de getuige [betrokkene 1]. Ingesloten als bijlage IV, een afschrift van het bericht van 6 juni 2006 dat ik van de zijde van de advocaat generaal bij het Hof mocht ontvangen, waaruit blijkt dat geen proces/verbaal is opgemaakt.
13
Tevens ingesloten als bijlage V, een schrijven hetwelk verzoeker heeft mogen ontvangen van getuige [betrokkene 1], waarin kennelijk door hem nog is verschrijving is hersteld en getekend. De kantonrechter heeft geen kennis genomen van de inhoud van dat schrijven.
14
Verzoeker is van mening dat het ernstig vermoeden krachtens artikel 457, eerste lid onder sub 2 Sv, aanwezig is dat, indien de Kantonrechter op 27 mei 2004 bekend zou zijn geweest met de inhoud van hetgeen de getuige [betrokkene 1] bij het Gerechtshof te Den Haag op 8 juni 2005 heeft verklaard, en hetgeen vermeld staat in Bijlage V, hij de verdachte zou hebben vrijgesproken van hetgeen hem was ten laste gelegd of hem zou hebben ontslagen van rechtsvervolging op grond dat hij niet strafbaar was.
15
Dat zijn de redenen waarom verzoeker zich wendt tot Uw Raad met het eerbiedig verzoek onderhavige herzieningsaanvraag ontvankelijk te achten en de gegrond te verklaren.
16
Indien Uw Raad niet direct tot toewijzing van het verzoek beslist, wordt hierbij verzocht om op grond van de inhoud van het voorstaande, een onderzoek te bevelen bestaande uit het horen van [betrokkene 1] als getuige.
17
Dit verzoek wordt ondertekend en ingediend door mr. R.A.J. Verploegh, advocaat te Den Haag, aan het Buitenhof 24 (2513 AG), die hierbij verklaart tot deze ondertekening en indiening door verzoeker bepaaldelijk te zijn gevolmachtigd.
Den Haag 23 november 2006
R.A.J. Verploegh