HR, 02-10-2007, nr. 03430/06
ECLI:NL:HR:2007:BA8514
- Instantie
Hoge Raad (Strafkamer)
- Datum
02-10-2007
- Zaaknummer
03430/06
- LJN
BA8514
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:PHR:2007:BA8514, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 02‑10‑2007
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2007:BA8514
ECLI:NL:HR:2007:BA8514, Uitspraak, Hoge Raad (Strafkamer), 02‑10‑2007; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2007:BA8514
- Wetingang
art. 359 Wetboek van Strafvordering
- Vindplaatsen
NbSr 2007/395
Conclusie 02‑10‑2007
Inhoudsindicatie
Bewijsconstructie. Uit de bewijsmiddelen kan niet zonder meer worden afgeleid dat het op de Maasboulevard aangetroffen en inbeslaggenomen vuurwapen bij de poging tot moord op de Nieuwe Binnenweg is gebruikt. Aldus is de bewezenverklaring, voor zover behelzende dat verdachte het voorhanden hebben van het vuurwapen en de munitie heeft medegepleegd, ontoereikend gemotiveerd. Anders conclusie AG: dmv verbeterde lezing kan een bewijsmiddel waaruit de link tussen wapen en schietpartij blijkt, aan de bewijsconstructie worden toegevoegd
Griffienr. 03430/06
Mr Wortel
Zitting:26 juni 2007
Conclusie inzake:
[Verzoeker = verdachte]
1. Dit cassatieberoep betreft een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage waarbij verzoeker wegens (feit 1 primair) "medeplegen van poging tot moord", (feit 2, eerste deel van de cumulatieve tenlastelegging) "medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III" en (feit 2, tweede deel van de cumulatieve tenlastelegging) "medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie" is veroordeeld tot zeven jaren gevangenisstraf.
Voorts heeft het Hof de vordering van de benadeelde partij toegewezen - bij wege van voorschot voor zover de vordering betrekking heeft op immateriële schade - met veroordeling van verzoeker in de kosten van de benadeelde partij, ten tijde van de bestreden uitspraak begroot op nihil, en verzoeker op de voet van art. 36f Sr, ten behoeve van de benadeelde partij en tot hetzelfde bedrag, een betalingsverplichting jegens de Staat opgelegd, met bepaling van vervangende hechtenis en met bepaling dat elk van de opgelegde betalingsverplichtingen zal komen te vervallen indien en voor zover verzoeker aan de andere, jegens of ten behoeve van de benadeelde partij opgelegde, betalingsverplichting zal hebben voldaan dan wel een mededader de benadeelde partij zal hebben betaald.
2. Namens verzoeker heeft mr A.N. Slijters, advocaat te Amsterdam, een schriftuur houdende cassatieklachten ingediend.
In een samenhangende zaak met griffienummer 03431/06 concludeer ik heden eveneens.
3. Het enige middel betreft de bewezenverklaring van hetgeen als feit 2 is tenlastegelegd, en komt er op neer dat uit de gebezigde bewijsmiddelen niet valt af te leiden dat verzoeker het wapen en de munitie tezamen met zijn mededader voorhanden heeft gehad.
4. De gebezigde bewijsmiddelen houden het volgende in.
5. Zekere [medeverdachte 1], bijgenaamd [medeverdachte 1], heeft verzoeker in de nacht van 22 op 23 januari 2005 gebeld. [Medeverdachte 1] heeft verzoeker verteld dat hij had gevochten in een café, en hem gevraagd mee terug te gaan. Toen [medeverdachte 1] verzoeker ophaalde zag verzoeker dat zijn vriend een dik oog en bloed op zijn gezicht had. Toen zij in de auto van [medeverdachte 1] weer bij het café, aan de Nieuwe Binnenweg te Rotterdam, waren aangekomen kwam [medeverdachte 1]'s tegenstander juist naar buiten. [medeverdachte 1] heeft op die tegenstander geschoten en verzoeker heeft hem met een mes gestoken. Op de Posthumalaan (dus op de andere maasoever) surveillerende politiemensen zagen een auto van de Erasmusbrug komen die voldeed aan een inmiddels doorgegeven beschrijving, en die auto gevolgd tot in de Cronjéstraat, alwaar zij de bestuurder lieten stoppen. Verzoeker bleek als passagier in de auto te zitten. Nadat hij zijn naam had genoemd heeft de politie hem kennelijk laten gaan. De bestuurder van de auto, [medeverdachte 1], is aangehouden. Dezelfde dag heeft de politie bericht gekregen dat bij een pand aan de Maasboulevard een enveloppe op straat lag met daarin een vuurwapen plus (lege) patroonhouder.
6. Uit de bewijsmiddelen blijkt voorts dat een bloedmonster op het heft van het mes, aangetroffen op de Nieuwe Binnenweg nabij het café, overeenstemt met het DNA van het slachtoffer. De aldaar eveneens aangetroffen (T-003, T-005 en T-007) patroonhulzen waren van hetzelfde kaliber als het pistool dat op de Maasboulevard is aangetroffen.
7. De door het Hof gebezigde bewijsmiddelen bevatten geen andere aanwijzingen dat dit het vuurwapen is waarmee [medeverdachte 1] op het slachtoffer heeft geschoten. Opmerking verdient dat evenwel in de bewijsconstructie van de Rechtbank nog een deskundigenrapport voorkomt waaruit blijkt dat de patroonhulzen, aangetroffen op de Nieuwe Binnenweg, "met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid" zijn afgeschoten met het op de Maasboulevard aangetroffen vuurwapen.
Aangezien de in hoger beroep bereikte bewezenverklaring impliceert dat verzoeker en zijn mededader een vuurwapen hebben gebruikt en dat zij het elders teruggevonden wapen gezamenlijk voorhanden hebben gehad, kan worden uitgesloten dat het Hof dit deskundigenbericht ter zijde heeft willen stellen.
8. Uitgaande van de feitelijke vaststelling dat het op de Maasboulevard inbeslaggenomen vuurwapen bij het onder 1 bewezenverklaarde feit is gebruikt, is niet onbegrijpelijk dat op grond van dezelfde bewijsmiddelen bewezen is verklaard dat verzoeker het wapen en de daarmee verschoten munitie tezamen met zijn mededader voorhanden heeft gehad. Daar [medeverdachte 1] op het slachtoffer heeft geschoten, en vervolgens verzoeker het slachtoffer met een mes heeft gestoken, dadelijk nadat zij met [medeverdachte 1]'s auto bij het café waren gearriveerd, kan worden aangenomen dat verzoeker op dat moment wist wat zijn mededader van plan was en dus ook wist dat deze een (geladen) vuurwapen bij zich had. Aangezien uit de bewijsmiddelen volgt dat [medeverdachte 1] het vuurwapen niet bij zich had toen hij, betrekkelijk korte tijd na het onder 1 bewezenverklaarde feit, door de politie werd aangehouden, kan tevens uit die bewijsmiddelen worden afgeleid dat hetzij verzoeker en zijn mededader het wapen en de daaruit genomen patroonhouder in een envelopppe op de Maasboulevard hebben gedeponeerd toen zij van de Nieuwe Binnenweg naar de Erasmusbrug reden, hetzij verzoeker ten tijde van de aanhouding van zijn mededader het wapen van hem had overgenomen, en zich er nadien van heeft ontdaan.
9. De bewijsmiddelen vertonen een hiaat omdat niet het door de Rechtbank als laatste bewijsmiddel aangehaalde deskundigenbericht is opgenomen, waaruit met grote mate van zekerheid kan worden afgeleid dat het op de Maasboulevard aangetroffen vuurwapen bij feit 1 is gebruikt. Overigens is de bewezenverklaring van de beide feiten volkomen begrijpelijk, zodat er geen redelijke twijfel over kan bestaan dat een nieuwe feitelijke behandeling na vernietiging van de bestreden uitspraak dezelfde bewezenverklaring zal opleveren.
Daarom stel ik voor de bestreden uitspraak verbeterd te lezen, aldus dat door een kennelijk abuis is verzuimd het deskundigenrapport van het Nederlands Forensisch Instituut gedateerd 18 maart 2005, kenmerk 2005.02.02.013 bij de bewijsmiddelen aan te halen, zodat dit rapport, voor zover inhoudend dat de patroonhulzen van het kaliber 6,35 mm genummerd T-003, T-005 en T-007 met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid zijn verschoten met het vuurwapen genummerd T-602, moet worden geacht tot de gebezigde bewijsmiddelen te behoren.
Daarmee zal de feitelijke grondslag aan de klacht ontvallen.
10. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,
Uitspraak 02‑10‑2007
Inhoudsindicatie
Bewijsconstructie. Uit de bewijsmiddelen kan niet zonder meer worden afgeleid dat het op de Maasboulevard aangetroffen en inbeslaggenomen vuurwapen bij de poging tot moord op de Nieuwe Binnenweg is gebruikt. Aldus is de bewezenverklaring, voor zover behelzende dat verdachte het voorhanden hebben van het vuurwapen en de munitie heeft medegepleegd, ontoereikend gemotiveerd. Anders conclusie AG: dmv verbeterde lezing kan een bewijsmiddel waaruit de link tussen wapen en schietpartij blijkt, aan de bewijsconstructie worden toegevoegd
2 oktober 2007
Strafkamer
nr. 03430/06
IC/SM
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 25 september 2006, nummer 22/004116-05, in de strafzaak tegen:
[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1974, ten tijde van de betekening van de aanzegging gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting "Rijnmond" te Krimpel aan den IJssel.
1. De bestreden uitspraak
Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Rechtbank te Rotterdam van 29 juni 2005 - de verdachte ter zake van 1. "medeplegen van poging tot moord" en 2 eerste cumulatief "medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III" en 2 tweede cumulatief "medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie" veroordeeld tot zeven jaren gevangenisstraf. Voorts heeft het Hof de vordering van de benadeelde partij toegewezen en aan de verdachte een betalingsverplichting opgelegd een en ander zoals in het arrest vermeld.
2. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. A.N. Slijters, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Wortel heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad het beroep zal verwerpen.
3. Beoordeling van het middel
3.1. Het middel klaagt dat de bewezenverklaring van het onder 2 tenlastegelegde feit niet uit de bewijsmiddelen kan volgen.
3.2.1. Ten laste van de verdachte is onder 2 bewezenverklaard dat:
"hij op 23 januari 2005 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een ander een wapen als bedoeld in artikel 2 lid 1 Categorie III onder sub 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1 onder sub 3 van die wet in de vorm van een pistool van het merk TANFOGLIO, model GT-28, kaliber 6.35 mm (een omgebouwd alarm- c.q. startpistool) voorhanden heeft gehad,
en
hij op 23 januari 2005 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een ander munitie in de zin van artikel 1 onder sub 4 van de Wet wapens en munitie, te weten munitie als bedoeld in artikel 2 lid 2 van die wet, van de Categorie III te weten drie kogelpatronen van het kaliber .25 AUTO (gelijk aan 6.35 mm) (met bodemstempel CCI) voorhanden heeft gehad."
3.2.2. De bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:
a. een proces-verbaal van politie, voor zover inhoudende als verklaring van [slachtoffer 1]:
"Op 23 januari 2005 is er op mij geschoten en ben ik gestoken bij café [A] te Rotterdam. Ik was daar samen met een vriendin van mij, [betrokkene 1]. Ik kreeg daar op een gegeven moment ruzie met een Surinaamse man. Ik zal hem verder dader 1 noemen. Er ontstond een vechtpartij. Tijdens deze vechtpartij heb ik dader 1 behoorlijke klappen gegeven. Hij had daardoor bloedende verwondingen in zijn gezicht gekregen. Na de vechtpartij is dader 1 weggegaan. Ik ben op een gegeven moment naar buiten gegaan samen met [betrokkene 1]. Toen ik daar buiten stond, zag ik opeens dader 1 op mij afkomen. Ik zag dat er nog een man bij was. Deze man zal ik verder dader 2 noemen. Ik zag dat dader 1 een klein pistool in zijn hand had, waarmee hij een paar keer op mij schoot. Ik zag dader 2 pas voor het eerst toen dader 1 teruggekomen was. Ik heb later in het ziekenhuis gehoord dat dader 2 mij met een mes in mijn borst gestoken heeft."
b. een op 14 juni 2005 door de forensische arts L.C. Los opgemaakte medische verklaring, inhoudende als relaas van deze arts:
"S = aanvraag info, O = objectieve bevindingen,
E = bijkomende gegevens, P = genezingsduur
S Info chirurg en Intensive Care arts EMC over opname van 23-01 t/m 15-02-05.
O Bij opname een steekwond in de linkerborstkas en een schotwond in het linkerbeen. Tevens was er een klaplong links en bloed in de borstkas holte. Hierop volgde direct operatie waarbij een kwab van de linkerlong werd verwijderd. Tevens werd een herstel operatie uitgevoerd aan een slagader van het linkerbeen. Patiënt ontwikkelde o.a. zwelling van de spieren in het been, waarvoor operatie, longontsteking. Op 06-02 werden wonden aan het been (na de operatie tegen de spierzwelling) operatief gesloten. Er is eveneens sprake van zenuwletsel aan het onderbeen waarvoor een loopveer werd gegeven.
E Verdere controle volgt nog. Patiënt moet langere tijd anti stolling gebruiken. Gezien het beloop was er sprake van een levensbedreigende situatie.
P Enkele maanden, blijvend verminderde longcapaciteit, blijvende littekens, langdurig anti stolling gebruik met kans op complicaties."
c. een proces-verbaal van politie, opgemaakt door de opsporingsambtenaar [verbalisant 1] en een andere bevoegde opsporingsambtenaar, voor zover inhoudende als relaas van deze verbalisanten dan wel een van hen:
"Op 23 januari 2005 surveilleerden wij, verbalisanten, in uniform gekleed in een als zodanig herkenbaar politievoertuig op de Posthumalaan te Rotterdam. Kort daarvoor was er door personeel van de politiemeldkamer Rotterdam-Rijnmond het bericht verspreid dat na een schietpartij op de Nieuwe Binnenweg te Rotterdam in de richting van het centrum was weggereden een donkerkleurige personenauto, van het merk Peugeot. Op dat moment zagen wij vanaf de Erasmusbrug een donkerkleurige personenauto aan komen rijden van het merk Peugeot. Hierop reden wij, verbalisanten, achter deze auto aan en gaven de bestuurder op de Cronjestraat te Rotterdam een teken tot stoppen, waaraan hij voldeed. Wij zagen dat het een zwarte Peugeot 307 was, voorzien van het kenteken [AA-00-BB]. Wij zagen dat in deze personenauto twee personen zaten met rastahaar. Ik, verbalisant [verbalisant 2], sprak de passagier van de auto aan. Deze gaf mij op te zijn:
[Verdachte], geboren [geboortedatum] 1974 te [geboorteplaats].
Ik, verbalisant [verbalisant 1], sprak de bestuurder van de auto aan. Ik zag dat de man een bloedende snijwond in zijn gezicht had. De man gaf op te zijn:
[Medeverdachte 1], geboren [geboortedatum] 1975 te [geboorteplaats].
[Medeverdachte 1] verklaarde dat hij zijn verwondingen had opgelopen bij een vechtpartij. Gaandeweg bleek er meer informatie bekend te worden omtrent de schietpartij. Zo bleek er dat bij de schietpartij op de Nieuwe Binnenweg te Rotterdam een donkere personenauto was weggereden, van het merk Peugeot, met daarin twee personen met rastahaar."
d. een proces-verbaal van politie, voor zover inhoudende als verklaring van [betrokkene 2]:
"Ik heb van u begrepen dat mijn vriend [verdachte] door de politie is aangehouden. U vraagt mij of de naam [medeverdachte 1] mij iets zegt. De naam [medeverdachte 1] ken ik wel. Die heb ik wel eens gehoord. Dat is een vriend van [verdachte]. U vraagt mij wat [verdachte] over het schiet/steekincident aan mij heeft verteld. Hij heeft mij verteld dat een vriend, en volgens mij bedoelde hij daar [medeverdachte 1] mee, van hem dronken was en dat die vriend bij een cafe iemand had geschoten. U vraagt mij of ik weet wanneer die schietpartij is geweest. Dat zou in de nacht van 22 januari op 23 januari 2005 moeten zijn. U vraagt mij wanneer [verdachte] mij dat heeft verteld. Diezelfde nacht. Hij kwam die nacht bij mij thuis en hij vertelde toen wat ik zojuist heb gezegd. Hij vertelde dat zijn vriend was opgepakt door de politie en dat hij een taxi had gepakt naar mij toe. Ik begreep dat die vriend [medeverdachte 1] was. [verdachte] zei tegen mij dat hij bij de schietpartij was geweest maar dat hij juist tegen die [medeverdachte 1] had gezegd dat ze weg moesten gaan. Toen had die [medeverdachte 1] dus iemand geschoten.
[Verdachte] vertelde dat hij daarna met [medeverdachte 1] in de auto weg was gereden. [Verdachte] had mij nog wel verteld dat [medeverdachte 1] in een cafe was en dat hij in dat cafe ruzie kreeg met die jongen die hij later had geschoten. Na die ruzie zou hij [verdachte] hebben gebeld."
e. een proces-verbaal van de Rechter-Commissaris, voor zover inhoudende als verklaring van [betrokkene 2]:
"Ik heb één verklaring bij de politie afgelegd. Ik heb bij de politie de waarheid gesproken."
f. een proces-verbaal van politie, voor zover inhoudende als verklaring van de verdachte:
"[Medeverdachte 1] belde mij die zondagmorgen (het hof begrijpt: 23 januari 2005) en zei mij dat hij mij nodig had. Hij zei dat hij had gevochten bij [A] en dat hij met mij terug wilde gaan. Daarna kwam hij bij mij. [medeverdachte 1] wilde mij ophalen zodat we terug konden gaan naar [A]."
g. een proces-verbaal van de Rechter-Commissaris, voor zover inhoudende als verklaring van [medeverdachte 1]:
"Het klopt dat ik [verdachte] heb opgehaald bij zijn vriendin. Ik heb inderdaad tegen [verdachte] verklaard dat ik had gevochten. Ik was gewond in mijn gezicht. Het klopt dat ik in die nacht (het hof begrijpt: van 23 januari 2005) telefonisch contact heb gehad met [verdachte]. Toen hij bij mij in de auto zat heb ik hem de situatie uitgelegd. Ik ben die avond/nacht bij [A] geweest."
h. de verklaring van de getuige [betrokkene 1] ter terechtzit-ting in eerste aanleg, voor zover inhoudende:
"Ik zal u vertellen wat er op 23 januari 2005 is gebeurd. Toen ik met [slachtoffer], na de ruzie in de [A], buiten stond zag ik twee mannen. Één van de twee mannen begon op [slachtoffer] te schieten. De ander die tijdens het schieten erbij stond heeft [slachtoffer] gestoken. Ik herken de persoon die hier in de zaal als verdachte aanwezig is. Dat is de man die gestoken heeft (de getuige doelt op de in de zaal aanwezige verdachte [verdachte], de rechtbank)."
i. een proces-verbaal van politie, opgemaakt door de opsporingsambtenaar [verbalisant 3] en een andere bevoegde opsporingsambtenaar, voor zover inhoudende als relaas van deze verbalisanten dan wel een van hen:
"Op 23 januari 2005 ging ik, verbalisant [verbalisant 3], naar de Nieuwe Binnenweg te Rotterdam, ter hoogte van een aldaar in pand [001] gevestigd café, genaamd "[A]", alwaar eerder die morgen een schiet- en/of steekincident had plaatsgevonden waarbij een man gewond was geraakt.
Op 23 januari 2005 werd ik, verbalisant [verbalisant 4], gebeld met het verzoek een pakketje te onderzoeken dat bij een advocatenkantoor, gevestigd aan de Maasboulevard 116 te Rotterdam was achtergelaten. Hierop zijn wij, verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4], gegaan naar de Maasboulevard, perceel 116, te Rotterdam. Wij zagen dat in de portiek van perceel 118 een witte, niet gesloten, enveloppe lag. In deze enveloppe bevond zich een ontladen vuurwapen en een lege patroonhouder. Tijdens de door ons ingestelde onderzoeken zijn de navolgende goederen of voorwerpen veiliggesteld, te weten:
No T-001
Omschrijving
Lemmet van mes
Herkomst
trottoir Nw Binnenweg t.h.v. 207a
No T-003
Omschrijving
Afgevuurde patroonhuls 6,35 mm
Herkomst
trottoir Nw Binnenweg t.h.v. 210a
No T-005
Omschrijving
Afgevuurde patroonhuls 6,35 mm
Herkomst
Parkeerkom t.h.v. 212b
No T-007
Omschrijving
Afgevuurde patroonhuls 6,35 mm
Herkomst
trottoir Nw. Binnenweg t.h.v. 214b
No T-601
Omschrijving
witte enveloppe
Herkomst
Maasboulevard thv 116
No T-602
Omschrijving
pistool, kaliber 6,35 milimeter
Herkomst
uit T 601
No T-604
Omschrijving
patroonhouder
Herkomst
uit T 601."
j. een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut van 7 juni 2005, opgemaakt en ondertekend door de deskundige ing. M.J.W. Pouwels, voor zover inhoudende als relaas van deze deskundige:
"TR-nummer Identiteitszegel
- RDS727
Omschrijving
een referentiemonster
Wangslijmvlies van het slachtoffer
[slachtoffer 1] (geboren op [geboortedatum] 1974)
T001
AGX980
een lemmet van een mes
Onderzoek naar biologische sporen
Bloed en overige bemonsteringen
Het lemmet [AGX980] is onderzocht op de aanwezigheid van bloed. Op de punt van het lemmet is bloed aangetroffen.
Dit bloed is bemonsterd. Deze bemonstering [AGX980]#1 is veiliggesteld voor een DNA-onderzoek.
Conclusie
Uit de resultaten van het vergelijkend DNA-onderzoek kan het volgende worden geconcludeerd:
Het DNA-profiel van het bloed in de bemonstering [AGX980]#1 van de punt van het lemmet van een mes komt overeen met het DNA-profiel van het slachtoffer [slachtoffer 1] [RDS727]. Dit betekent dat het bloed afkomstig kan zijn van het slachtoffer [slachtoffer 1]. De kans dat een willekeurig gekozen man hetzelfde DNA-profiel bezit als dat van het onderzochte bloed in de bemonstering [AGX980]#1 bedraagt minder dan één op 1 miljard."
k. een proces-verbaal van politie, opgemaakt door de opsporingsambtenaar [verbalisant 5], voor zover inhoudende als relaas van de verbalisant:
"Op 27 januari 2005 ontving ik een pistool met houder en 3 hulzen van verschoten kogelpatronen. Deze waren in beslaggenomen in verband met een onderzoek na een schietincident op de openbare weg Nieuwe Binnenweg thv Café-Restaurant "[A]". Bij dit onderzoek zag ik:
VDS 62092:
T602 en T604
Een voorwerp zijnde een pistool merk:
TANGFOGLIO, model: GT-28, kaliber: 6,35 MM (is gelijk aan .25 AUTO) en niet voorzien van een serienummer.
Oorspronkelijk is dit pistool een alarm- c.q. startpistool. Door verwijdering van de geheel dichte loop en plaatsing van een ander geheel open loopdeel is de van oorsprong alarm- c.q. startpistool omgebouwd tot een pistool.
Dit pistool is een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3º, gelet op artikel 2, lid 1, Categorie III onder 1º van de Wet wapens en munitie.
VDS 48873:
T003/T005 en T007
Munitiedelen zijnde 3 hulzen van kogelpatronen van het kaliber: .25 AUTO
(is gelijk aan 6,35 MM) met Bodem-stempel CCI.
Deze 3 kogelpatronen waren munitie in de zin van artikel 1, onder 4º, gelet op artikel 2, lid 2, Categorie III van de Wet wapens en munitie."
l. de verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep van 11 september 2006, voor zover inhoudende:
"Het klopt dat ik in de nacht van 23 januari 2005 ben opgehaald door medeverdachte [medeverdachte 1]. Ik ben opgehaald bij [betrokkene 2]. Hij belde mij op en vroeg mij waar ik was. Ik zag dat zijn gezicht open was. Ik vond het er wel ernstig uit zien. Zijn oog was dik en er zat bloed aan één kant van zijn gezicht. Hij vertelde dat hij ruzie kreeg met een jongen. U vraagt mij of ik ene [medeverdachte 1] ken. Ik antwoord daarop dat ik dan denk aan [medeverdachte 1]. Hij is [medeverdachte 1]. Ik ben die nacht met hem geweest."
3.3. Uit de bewijsmiddelen kan niet zonder meer worden afgeleid dat het op de Maasboulevard aangetroffen en inbeslaggenomen vuurwapen bij de poging tot moord op de Nieuwe Binnenweg is gebruikt. Aldus is de bewezenverklaring, voor zover behelzende dat de verdachte het voorhanden hebben van het vuurwapen en de munitie heeft medegepleegd, ontoereikend gemotiveerd. Het middel is derhalve terecht voorgesteld.
4. Slotsom
Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven en als volgt moet worden beslist.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt de bestreden uitspraak maar uitsluitend wat betreft de beslissingen ter zake van het onder 2 tenlastegelegde en de strafoplegging;
wijst de zaak terug naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president G.J.M. Corstens als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en J.W. Ilsink, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.J. Verhoeven, en uitgesproken op 2 oktober 2007.