Het volgen van deze redenering zou ook soelaas bieden in die zaken waarin bijvoobeeld geen straf of een lage geldboete is opgelegd, maar wel de tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde straf inhoudende hechtenis wordt gelast.
HR, 06-11-2007, nr. 01847/06
ECLI:NL:PHR:2007:BA7897
- Instantie
Hoge Raad (Strafkamer)
- Datum
06-11-2007
- Zaaknummer
01847/06
- LJN
BA7897
- Vakgebied(en)
Bijzonder strafrecht / Verkeersstrafrecht
Materieel strafrecht (V)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2007:BA7897, Uitspraak, Hoge Raad (Strafkamer), 06‑11‑2007; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2007:BA7897
ECLI:NL:PHR:2007:BA7897, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 06‑11‑2007
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2007:BA7897
Beroepschrift, Hoge Raad, 02‑11‑2006
- Wetingang
- Vindplaatsen
NbSr 2007/431
Uitspraak 06‑11‑2007
Inhoudsindicatie
Art. 427 Sv. Ingevolge art. 427.2 en 427.3 Sv staat tegen arresten van de gerechtshoven betreffende overtredingen beroep in cassatie niet open indien (a) met toepassing van art. 9a Sr geen straf of maatregel werd opgelegd of (b) geen andere straf of maatregel werd opgelegd dan een geldboete tot een maximum - of wanneer bij het arrest twee of meer geldboetes zijn opgelegd, tot een gezamenlijk maximum - van EUR 250,—, tenzij het arrest een overtreding betreft van een verordening van een provincie, een gemeente, een waterschap of een met toepassing van de Wet gemeenschappelijke regelingen ingesteld openbaar lichaam. Uit de tekst en de strekking van art. 427 Sv volgt dat voor de vraag of cassatieberoep openstaat, de beslissing t.z.v. de tenlastegelegde overtreding(en) beslissend is en de – tevens in het arrest opgenomen - uitspraak op een vordering tot tul. buiten beschouwing blijft. Verdachte kan derhalve niet in zijn beroep worden ontvangen.
6 november 2007
Strafkamer
nr. 01847/06
DV/SM
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam, Enkelvoudige Kamer, van 24 februari 2006, nummer 23/005138-05, in de strafzaak tegen:
[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1974, wonende te [woonplaats].
1. De bestreden uitspraak
Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Kantonrechter in de Rechtbank te Haarlem, locatie Zaandam van 20 september 2005 - de verdachte ter zake van "overtreding van artikel 107, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994" strafbaar verklaard, doch bepaald dat geen straf of maatregel wordt opgelegd. Voorts heeft het Hof de tenuitvoerlegging gelast van een voorwaardelijk opgelegde straf.
2. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben mr. G.P. Hamer en mr. B.P. de Boer, beiden advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Vellinga heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad de verdachte niet-ontvankelijk zal verklaren in het beroep.
3. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3.1. Het bestreden arrest heeft betrekking op een overtreding van art. 107, eerste lid, Wegenverkeerswet 1994. Op grond van art. 177, eerste lid onder a, in verbinding met art. 178, tweede lid, Wegenverkeerswet 1994 wordt dit delict als overtreding aangemerkt. Het Hof heeft de verdachte ter zake van dat feit strafbaar verklaard, doch bepaald dat geen straf of maatregel wordt opgelegd.
Voorts heeft het Hof de tenuitvoerlegging gelast van een voorwaardelijk opgelegde geldboete van € 300,-, subsidiair zes dagen hechtenis.
3.2. Ingevolge het tweede en derde lid van art. 427 Sv staat tegen arresten van de gerechtshoven betreffende overtredingen beroep in cassatie niet open indien (a) met toepassing van art. 9a Sr geen straf of maatregel werd opgelegd of (b) geen andere straf of maatregel werd opgelegd dan een geldboete tot een maximum - of wanneer bij het arrest twee of meer geldboetes zijn opgelegd, tot een gezamenlijk maximum - van € 250,-, tenzij het arrest een overtreding betreft van een verordening van een provincie, een gemeente, een waterschap of een met toepassing van de Wet gemeenschappelijke regelingen ingesteld openbaar lichaam.
3.3. Uit de tekst en de strekking van art. 427 Sv volgt dat voor de vraag of cassatieberoep openstaat, de beslissing ter zake van de tenlastegelegde overtreding(en) beslissend is en de - tevens in het arrest opgenomen - uitspraak op een vordering tot tenuitvoerlegging buiten beschouwing blijft.
3.4. De verdachte kan derhalve niet in zijn beroep worden ontvangen.
4. Beslissing
De Hoge Raad verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president G.J.M. Corstens als voorzitter, en de raadsheren J.W. Ilsink en W.M.E. Thomassen, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.J. Verhoeven, en uitgesproken op 6 november 2007.
Conclusie 06‑11‑2007
Inhoudsindicatie
Art. 427 Sv. Ingevolge art. 427.2 en 427.3 Sv staat tegen arresten van de gerechtshoven betreffende overtredingen beroep in cassatie niet open indien (a) met toepassing van art. 9a Sr geen straf of maatregel werd opgelegd of (b) geen andere straf of maatregel werd opgelegd dan een geldboete tot een maximum - of wanneer bij het arrest twee of meer geldboetes zijn opgelegd, tot een gezamenlijk maximum - van EUR 250,—, tenzij het arrest een overtreding betreft van een verordening van een provincie, een gemeente, een waterschap of een met toepassing van de Wet gemeenschappelijke regelingen ingesteld openbaar lichaam. Uit de tekst en de strekking van art. 427 Sv volgt dat voor de vraag of cassatieberoep openstaat, de beslissing t.z.v. de tenlastegelegde overtreding(en) beslissend is en de – tevens in het arrest opgenomen - uitspraak op een vordering tot tul. buiten beschouwing blijft. Verdachte kan derhalve niet in zijn beroep worden ontvangen.
Nr. 01847/06
Mr. Vellinga
Zitting: 19 juni 2007
Conclusie inzake:
[Verdachte]
1. Aan de verdachte is door het Gerechtshof te Amsterdam wegens "overtreding van artikel 107, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994" met toepassing van art. 9a Sr geen straf of maatregel opgelegd. Daarnaast is de tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde geldboete van € 300,=, subsidiair zes dagen hechtenis, gelast.
2. Namens verdachte hebben mr. G.P. Hamer en B.P. de Boer, beiden advocaat te Amsterdam, één middel van cassatie voorgesteld.
3. Alvorens ik aan bespreking van het middel toe kan komen, moet eerst de vraag worden beantwoord of de verdachte in zijn cassatieberoep kan worden ontvangen. In de inleiding op de schriftuur bepleiten de indieners daarvan dat het cassatieberoep ontvankelijk is, omdat weliswaar aan de verdachte geen straf of maatregel is opgelegd in verband met de te zijnen laste bewezenverklaarde overtreding, maar daarbij wel de tenuitvoerlegging van een geldboete van meer dan €250,= is gelast en daarmee het bagatel-karakter aan de zaak is komen te ontvallen.
4. 's Hofs arrest houdt in dat ten laste van de verdachte wordt bewezen verklaard dat hij zich op 14 december 2004 schuldig heeft gemaakt aan het rijden zonder geldig rijbewijs, een overtreding van art. 107, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994. Dat feit is, ingevolge het bepaalde in art. 177, eerste lid aanhef en sub a, in verbinding met art. 178, tweede lid van de Wegenverkeerswet 1994 een overtreding.
5. Art. 427, tweede lid Sv, bepaalt:
"Tegen arresten van de gerechtshoven, als uitspraak gegeven, betreffende overtredingen staat beroep in cassatie open voor het openbaar ministerie bij het gerecht dat het arrest heeft gewezen, en de verdachte, tenzij terzake in de einduitspraak:
a. met toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht geen straf of maatregel werd opgelegd, of
b. geen andere straf of maatregel werd opgelegd dan een geldboete tot een maximum - of, wanneer bij het arrest twee of meer geldboetes werden opgelegd, geldboetes tot een gezamenlijk maximum - van € 250,=."
6. De onderhavige bepaling noemt het geven van een bevel tot tenuitvoerlegging ter zake van een straf die de grens van € 250,= te boven gaat niet als een geval waarin ondanks het feit dat - zoals in het onderhavige geval - met toepassing van artikel 9a Sr geen straf of maatregel is opgelegd beroep in cassatie openstaat.(1) Naar de tekst van de wet staat in het onderhavige geval dus geen beroep in cassatie open. Toch zou die bepaling, aldus schriftuur, zo moeten worden verstaan omdat art. 427 Sv beoogt alleen bagatelzaken van cassatie uit te sluiten en een zaak waarin een tenuitvoerlegging is bevolen van een straf die € 250,= te boven gaat, niet meer als bagatelzaak kan worden aangemerkt.
7. Tot de Wet van 26 november1986(2) tot herziening van de regeling van de voorwaardelijke veroordeling en de voorwaardelijke invrijheidsstelling was geen enkele beslissing tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke veroordeling aan enig rechtsmiddel onderworpen (art. 14k lid 1 (oud) Sr). Dat veranderde toen bij genoemde wet uit een oogpunt van rationalisering van het strafproces(3) werd bepaald, dat de vordering tot tenuitvoerlegging gebaseerd op het begaan van een nieuw strafbaar feit, aanhangig diende te worden gemaakt bij de rechter die met de berechting van dat nieuwe feit was belast (art. 14g lid 3 Sr). De Memorie van Toelichting houdt daarover in:
"8. Een belangrijke vernieuwing ten opzichte van de bestaande regeling van de voorwaardelijke veroordeling vormt het voorstel, gedaan in grote lijnen in navolging van de Commissie-Van Andel, om in geval van schending van de algemene voorwaarde de rechter bij wie de berechting van een nieuw strafbaar feit aanhangig wordt gemaakt de bevoegdheid toe te kennen bij de uitspraak over dit feit tevens de tenuitvoerlegging te gelasten van een door hem of een andere rechter voorwaardelijk opgelegde straf of een gedeelte daarvan. Een dergelijke gang van zaken kan aanmerkelijk bijdragen tot een rationalisering van het straftoemetingsproces. Een gang van zaken als voorgesteld impliceert dat het openbaar ministerie, belast met de vervolging van het nieuwe feit, de vordering tot tenuitvoerlegging aanhangig dient te maken, ook al is dat openbaar ministerie niet ingevolge artikel 553 Sv. met de tenuitvoerlegging van de straf belast. Het kan ook voorkomen dat de aanvankelijke voorwaardelijke veroordeling is opgelegd in hoger beroep door een gerechtshof. Dan zal, volgens de voorgestelde regeling, bij beslissing van de rechtbank voor welke het nieuwe feit in eerste aanleg wordt vervolgd de tenuitvoerlegging van het door het hof voorwaardelijk opgelegde gedeelte kunnen worden gelast. Wij achten dat niet bezwaarlijk, omdat volgens de voorgestelde regeling de beslissing tot tenuitvoerlegging in zo'n geval deel van de uitspraak van de rechtbank over het nieuwe strafbare feit dient te zijn, welke uitspraak in haar geheel (artikel 407 Sv.) weer voor hoger beroep vatbaar is. Bovendien achten wij dit niet bezwaarlijk omdat de bevoegdheden tot straftoemeting van rechtbank en hof gelijk zijn. Anders ligt dit ten aanzien van de verhouding tussen kantongerecht en arrondissementsrechtbank. Wij achten het bezwaarlijk de kantonrechter bevoegd te maken tot het gelasten van de tenuitvoerlegging van een in eerste aanleg door de rechtbank opgelegde voorwaardelijke straf, zeker van straf tot de oplegging waarvan de kantonrechter niet bevoegd is (gevangenisstraf). Vandaar dat wij voorstellen dat een vordering tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke veroordeling alleen bij een andere rechter kan worden ingesteld dan de rechter die deze aanvankelijk oplegde, als eerstgenoemde rechter naar regels van absolute competentie in eerste aanleg of in hoger beroep van eenzelfde feit had kunnen kennisnemen als waarvoor de voorwaardelijke straf werd opgelegd.
9. Voorgesteld wordt dat ingeval vervolging ter zake van een nieuw feit plaatsvindt en voor de ter zake van dat feit bevoegde rechter een vordering tot tenuitvoerlegging wordt ingesteld, de behandeling van die vordering gelijktijdig met de behandeling van het vervolgde feit geschiedt en dat die vordering slechts bij gelegenheid van een veroordeling voor dat feit kan worden toegewezen. De vordering tot tenuitvoerlegging is geen onderdeel van de dagvaarding ter zake van het nieuwe feit, maar kan gelijktijdig met deze aan de verdachte worden betekend of los daarvan, binnen de wettelijk gestelde termijnen. Een bezwaarschrift tegen de dagvaarding, waarbij een vordering tot tenuitvoerlegging is gevoegd, kan dan ook niet mede op die vordering betrekking hebben. De rechter dient wel in één en hetzelfde vonnis uitspraak te doen omtrent het ten laste gelegde nieuwe feit en omtrent de vordering tot tenuitvoerlegging. Met het oog daarop wordt de invoeging van een nieuw artikel 361a in het Wetboek van Strafvordering voorzien, dat voorschrijft, dat het vonnis van de rechtbank in dergelijke gevallen tevens de beslissing omtrent die vordering bevat,
De gezamenlijke behandeling van een nieuw feit en van de vordering tot tenuitvoerlegging kan voor de politierechter geschieden als deze een straf, als waarop de vordering betrekking heeft, zelf had kunnen opleggen. Bepalend voor de bevoegdheid van de politierechter is voorts artikel 376 van het Wetboek van Strafvordering, dat hem verbiedt om op grond van één tenlastelegging gevangenisstraf van meer dan zes maanden op te leggen. Een vordering tot tenuitvoerlegging is echter geen onderdeel van de tenlastelegging voor een nieuw feit en de toewijzing van zo'n vordering leidt niet tot de "oplegging" van een straf, doch tot de tenuitvoerlegging van het geheel of een deel van een reeds eerder opgelegde straf. Artikel 376 Sv. verzet zich er derhalve niet tegen, dat de politierechter in één vonnis zes maanden gevangenisstraf oplegt en de tenuitvoerlegging van drie maanden aanvankelijk voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf gelast.
In het door ons gekozen systeem dient de rechter zich expliciet uit te laten over de vordering tot tenuitvoerlegging en zijn beslissing daaromtrent te motiveren. Wij volgen in dit opzicht niet de gedachte van de meerderheid van de Commissie-Van Andel de rechter te laten volstaan met de constatering ((er mee rekening te hebben gehouden)) dat het nieuwe feit in de proeftijd is gepleegd, een gedachte, die door een minderheid van de Commissie niet werd onderschreven en die door degenen die over het rapport van de Commissie advies hebben uitgebracht over het algemeen werd afgewezen. Uit de door ons in navolging van de opvattingen van de minderheid van de Commissie (zie blz. 20 van het rapport) gekozen opzet vloeit wel nog een verdere aanpassing van het Wetboek van Strafvordering voort, nl. van artikel 424, dat op de besluitvorming in hoger beroep betrekking heeft. De ratio om een gezamenlijke behandeling mogelijk te maken van de vordering tot tenuitvoerlegging en de vervolging van een nieuw feit en daarover in één vonnis uitspraak te verkrijgen, noopt er tevens toe hoger beroep slechts tegen dat vonnis in zijn geheel toe te laten. Artikel 407, eerste lid, Sv. is derhalve op een dergelijk vonnis onverkort toepasselijk. Waar het voorgestelde artikel 361a Sv. evenwel voorschrijft, dat uit het vonnis moet blijken hoeveel voorwaardelijk opgelegde straf moet worden tenuitvoergelegd en hoeveel nieuwe straf is opgelegd, dient te worden verduidelijkt, onder welke omstandigheden tot een wijziging van het vonnis in hoger beroep met eenparigheid van stemmen dient te worden besloten. Dit is, zo stellen wij voor, slechts vereist als de appellant er ten gevolge van een dergelijke beslissing per saldo op achteruit zou gaan.
Tegen het vonnis waarbij onder meer een tenuitvoerlegging van een voorwaardelijk opgelegde straf wordt bevolen kan slechts in zijn geheel hoger beroep worden ingesteld. Dit betekent dat het hoger beroep niet kan worden beperkt tot hetzij de veroordeling in de hoofdzaak hetzij de beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging.(4) Die beslissing, door G.E. Mulder betiteld als de beslissing in de bijzaak(5), maakt een onlosmakelijk deel uit van het vonnis en volgt dus de processuele lotgevallen van de beslissing in de strafzaak.
8. Uit de wetgeschiedenis blijkt niet dat onder ogen is gezien dat een kantonrechter in een zaak waarin toepassing werd gegeven aan het bepaalde in art. 9a Sr, de tenuitvoerlegging kon bevelen van een straf die de toenmalige grenzen voor hoger beroep van een kantongerechtsvonnis (art. 44 (oud) Wet RO) te boven ging. Wel laat de hiervoor aangehaalde passage uit de Memorie van Toelichting zien dat aan een beslissing tot tenuitvoerlegging niet zo zwaar werd getild dat de duur van de ten uitvoer te leggen straf in aanmerking werd genomen bij de bepaling van de competentie van de Politierechter.
9. De bijrol die de berechting van de vordering tot tenuitvoerlegging in het strafgeding is toegedacht, wijst niet in de richting van het in de schriftuur bepleite standpunt. Dat geldt ook voor HR 5 december 2006, NJ 2007, 93, m.nt. Reijntjes. In mijn conclusie voorafgaand aan dit arrest had ik bepleit dat gelet op de bedoeling van de wetgever om het cassatieberoep uit te sluiten voor zogeheten 'bagatel-zaken', aangenomen moest worden dat de in art. 427, tweede lid Sv gegeven beperking van het cassatieberoep voor overtredingen waarvoor een geldboete van meer dan € 250,= is opgelegd, aldus moest worden verstaan dat die geldboete onvoorwaardelijk is opgelegd. De Hoge Raad overwoog echter:
"In de tekst van art. 427 Sv wordt geen onderscheid gemaakt tussen voorwaardelijk en onvoorwaardelijk opgelegde geldboetes. Ook aan de strekking van deze bepaling kan niet een voldoende duidelijk aanknopingspunt worden ontleend voor de uitleg dat dit artikel enkel betrekking heeft op geldboetes die onvoorwaardelijk zijn opgelegd."
10. Aan de hiervoor beschreven herziening van de regeling van de voorwaardelijke veroordeling heeft niet de bedoeling ten grondslag gelegen in afwijking van de tot dan geldende regeling een mogelijkheid van beroep tegen een beslissing op een vordering tot tenuitvoerlegging te scheppen. Die mogelijkheid werd als uitvloeisel van de nieuwe wettelijke regeling aanvaard, niet beoogd. In zoverre kan aan de strekking van de wet dus niet een voldoende duidelijk aanknopingspunt worden ontleend voor het in de schriftuur bepleite standpunt.
11. Rest nog de vraag of de omstandigheid dat de beslissing tot tenuitvoerlegging een straf van meer dan € 250,= betreft, terwijl art. 427, tweede lid Sv hoger beroep alleen uitsluit voor zover niet hoger is gestraft dan € 250,=, van voldoende gewicht is om in weerwil van al het voorgaande aan te nemen dat de wetgever beoogde in een geval als het onderhavige hoger beroep mogelijk te maken ook al is de veroordeling in de strafzaak gebleven onder de in art. 427, tweede lid Sv bepaalde grens waarboven hoger beroep mogelijk is. Naar mijn mening is dat niet het geval. Daarvoor heeft de wetgever de vordering tot tenuitvoerlegging in het strafgeding een te ondergeschikte positie toegekend. Daarbij dient te worden bedacht dat voor wat betreft de beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging alleen de vraag speelt of tot gehele of gedeeltelijke tenuitvoerlegging dient te worden overgegaan. Uit de beslissing in de strafzaak volgt immers reeds dat de algemene voorwaarde is overtreden.
12. Uit het voorgaande volgt dat de verdachte niet in zijn beroep in cassatie kan worden ontvangen. Het middel kan derhalve buiten bespreking blijven.
13. Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in zijn beroep in cassatie.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
1 Terwijl het bevel evenmin kan worden beschouwd als een "conviction" of "sentence" in de zin van art. 14, vijfde lid, IVPBR, vgl. HR 6 januari 1998, NJ 1998, 644.
2 Stb. 593, in werking getreden per 1 januari 1987.
4 Vgl. HR 19 oktober 1993, NJ 1994, 233 en HR 14 juni 1994, NJ 1994, 675.
5 Noot bij HR 6 november 1990, NJ 1991, 275.
Beroepschrift 02‑11‑2006
Geacht College,
Ondergetekenden,
mr G.P. Hamer en mr B.P. de Boer, advocaten te Amsterdam,
kantoorhoudende te Amsterdam aan het Van der Helstplein 3, Cleerdin & Hamer Advocaten, (Postbus 51143, 1007 EC),
die in deze zaak bijzonderlijk gevolmachtigd zijn door rekwirant in cassatie:
de heer [verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1974 te [geboorteplaats] ([geboorteland]),
wonende op het adres [adres] te [woonplaats],
hebben hierbij de eer aan uw College te doen toekomen een schriftuur in cassatie ten vervolge op het tijdig ingestelde beroep in cassatie tegen het arrest, alsmede de tussenarresten van het Gerechtshof te Amsterdam, gewezen tegen rekwirant in de zaak met parketnummer 23/005138-05.
In deze zaak heeft het Gerechtshof Amsterdam bij arrest van 24 februari 2006 rekwirant ter zake van overtreding van art. 107 lid 1 WVW 1994 schuldig verklaard zonder oplegging van straf of maatregel en heeft het Hof tevens de tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde geldboete van 300 euro gelast.
Ontvankelijkheid cassatieberoep
Art. 427 lid 2 Sv bepaalt dat tegen arresten van gerechtshoven als uitspraak gegeven betreffende overtredingen geen cassatieberoep openstaat als met toepassing van art. 9a Sr geen straf of maatregel ter zake die overtreding is opgelegd of geen andere straf of maatregel is opgelegd dan een geldboete tot een maximum — of, wanneer bij het arrest twee of meer geldboetes werden opgelegd, geldboetes tot een gezamenlijk maximum — van € 250.
In de onderhavige zaak is rekwirant met betrekking tot het ten laste gelegde feit, te weten overtreding van art. 107 lid 1 WVW 1994, hetgeen blijkens art. 178 lid 2 WVW een overtreding is, ex art. 9a Sr geen straf of maatregel opgelegd door het Hof. Het Hof heeft echter wel de tenuitvoerlegging gelast van een eerder aan rekwirant voorwaardelijk opgelegde geldboete van € 300.
De vraag die in de onderhavige zaak allereerst moet worden beantwoord is of rekwirant gelet op de zojuist genoemde beslissingen van het Hof ontvankelijk moet worden geacht in zijn cassatieberoep. Naar de mening van ondergetekenden dient deze vraag bevestigend beantwoord te worden.
De ratio achter de beperking van het cassatieberoep zoals die is opgenomen in art. 427 lid 2 Sv is er in gelegen uw Raad niet lastig te vallen met bagatelzaken: zaken waarin naar de mening van de wetgever voor de veroordeelde onvoldoende op het spel staat. Het ‘bagatelgehalte’ van de veroordeling wordt allereerst beoordeeld aan de hand van het onderscheid misdrijf-overtreding en vervolgens aan de hand van de hoogte van de opgelegde geldboete(s). Alleen bij overtredingen vindt een beperking van het cassatieberoep plaats en dan nog alleen voor zover het (totale) financiële belang van de verdachte/veroordeelde beperkt is tot maximaal € 250.
In de onderhavige zaak doet zich de zeldzame omstandigheid voor dat aan rekwirant weliswaar geen straf of maatregel is opgelegd ter zake van de wel bewezen verklaarde overtreding van art. 107 lid WVW, maar het financiële belang voor hem wel de genoemde grens van € 250 overstijgt door de door het Hof gelaste tenuitvoerlegging van de eerder voorwaardelijk opgelegde geldboete van € 300, waarmee aan de zaak het ‘bagatel-karakter’ komt te ontvallen. Naar de mening van ondergetekenden is het ontvankelijk achten van rekwirant dan ook, hoewel wellicht op het eerste gezicht in strijd met de letterlijke bewoordingen van art. 427 lid 2 Sv, in ieder geval niet in strijd met de eerder genoemde ratio achter die bepaling1.. Dit te meer nu een honorering van het verweer waarop het hieronder staande middel ziet zou betekenen dat de tenuitvoerlegging van de eerder voorwaardelijk opgelegde geldboete (in deze zaak) onmogelijk wordt. Het oordeel over de strafbaarheid van rekwirant houdt dus direct verband met de mogelijkheid de eerder voorwaardelijk opgelegde geldboete van € 300 alsnog ten uitvoer te leggen.
Gelet op het bovenstaande verzoekt rekwirant u dan ook expliciet hem ontvankelijk te achten in zijn cassatieberoep.
Schending van de artt. 350, 358, 359 en 415 Sv, althans en in elk geval schending en/of onjuiste toepassing van het recht en/of verzuim van vormen
Meer in het bijzonder heeft het Hof het beroep op verontschuldigbare rechtsdwaling ten onrechte verworpen, althans is de verwerping van het beroep op verontschuldigbare (rechts-)dwaling zonder nadere motivering niet begrijpelijk, althans is die verwerping in dit kader onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd, nu het Hof in de verwerping van genoemd verweer slechts ingaat op de vraag of rekwirant in de veronderstelling verkeerde dat Armenië tot de Europese Gemeenschap behoorde en in het geheel niet is ingegaan op de kern van hetgeen door rekwirant en zijn raadsvrouw aan dat verweer ten grondslag was gelegd.
Toelichting
De raadsvrouw van rekwirant, mr B. Roodveldt, heeft blijkens de aan het proces-verbaal terechtzitting gehechte pleitnotities onder meer — en voor zover hier van belang — aangevoerd:
‘(…)De vraag staat centraal of [verdachte] op 14 december 2004 mocht rijden met zijn geldig Armeens rijbewijs binnen Nederland. [verdachte] is al bijna 10 jaar in Nederland en zit nog steeds in de asielprocedure. Hij heeft een geldig rijbewijs uit Armenië maar mag in Nederland daar niet mee rijden omdat zijn rijbewijs hier niet wordt geregistreerd.
Hij moet om te kunnen rijden in Nederland rijexamen doen en dat is een probleem omdat hij asielzoeker is en nog in de procedure zit. Om die reden kan en mag hij niet afrijden2..
(…)
In juli 2003 heeft het Europese Hof een beslissing genomen in een procedure van de commissie van de EG waarbij de commissie vond dat Nederland geen verplichte registratie van Europese rijbewijzen mocht verlangen. Het Europese Hof heeft de commissie in het gelijk gesteld en het Ministerie van V & W moest de WVW op dit punt aanpassen. Hangende het moment van aanpassing werd een soort gedoogperiode ingelast waarin buitenlanders met een geldig buitenlands rijbewijs mochten rijden zonder te worden bekeurd.
[verdachte] was van deze uitspraak op de hoogte, maar bij de politie was dat niet bij iedereen bekend. Hij is toen met een brief waar deze nieuwe regeling opstond naar de politie in Purmerend gegaan en heeft gevraagd of dit geldig was en of hij mocht autorijden. De politie heeft het voor hem nagevraagd en gezegd dat hij mocht rijden. Om dat te bevestigen kreeg [verdachte] van de politie een stempel op de brief en als hij werd aangehouden en de brief toonde mocht hij bijna altijd doorrijden.
(…)
Daarnaast is het zo dat [verdachte] de beschikking had over een door de politie afgestempelde brief die in 99 % van de gevallen bij een aanhouding door de politie werd gehonoreerd, terwijl daarnaast in zijn eigen geval de Amsterdamse kantonrechter de regeling als geldig had bestempeld en hij daarnaast van zijn vriend telkens vernam dat andere rechters in Nederland de regeling ook honoreerden. Hij weet inmiddels ook dat hij nu al ruim een jaar niet meer mag rijden zonder geldig Nederlands rijbewijs. Maar op 14 december 2004 kon en mocht hij erop vertrouwen dat hij met zijn Armeense rijbewijs mocht rijden.
Indien uw Hof meent dat de regeling zoals door mij hiervoor genoemd werd niet opgaat en [verdachte] derhalve op 14 december 2004 de wet overtrad door te rijden zonder geldig rijbewijs doe ik subsidiair een beroep op rechtsdwaling.
[verdachte] wist niet hoe het precies zat, maar heeft zich voor laten lichten door een overheidsinstantie, te weten de politie, die zijn brief hadden afgestempeld als zijnde juist, terwijl daarnaast verschillende rechters in zijn voordeel of in dat van zijn vriend hadden beslist op dit punt. Dan mocht [verdachte] ervan uitgaan dat hij op die bewuste dag mocht autorijden en kan hem geen verwijt worden gemaakt.
Ik verzoek om vernietiging van de uitspraak van de kantonrechter te Zaandam en vraag primair vrijspraak en subsidiair ontslag van alle rechtsvervolging wegens dwaling.’
Blijkens het proces-verbaal ter terechtzitting in eerste aanleg d.d. 20 september 2005 blijkt dat rekwirant daar onder meer — en voor zover hier van belang — heeft verklaard:
‘Ik had een brief, getekend door de politie, bij me waaruit blijkt dat ik hier mocht rijden met mijn Armeense rijbewijs. Ik wist niet dat ik niet mocht rijden.’
Blijkens de zich bij de stukken van het geding bevindende kennisgeving van bekeuring heeft rekwirant, op het moment dat het in deze zaak ten laste gelegde feit werd begaan verklaard:
‘Ik ben al negen jaar in Nederland. Ik ben in het bezit van een Armeens rijbewijs waar ik gewoon mee mag rijden. Ik heb hier al twee rechtzaken over gewonnen.’
Het Hof heeft blijkens het arrest ten aanzien van het hier aan de orde zijnde verweer (onder het kopje ‘Strafbaarheid van de verdachte’) onder meer overwogen:
‘(…)Subsidiair heeft de raadsvrouw een beroep gedaan op rechtsdwaling, nu verdachte zich heeft laten voorlichten door een overheidsinstantie, de politie, die zijn brief hadden afgestempeld als zijnde juist. Verdachte mocht ervan uitgaan dat hij op die bewuste dag mocht autorijden en hem kan mitsdien geen verwijt worden gemaakt.
(…)
Voorts levert hetgeen door de raadsvrouw ter ondersteuning van haar subsidiaire standpunt is aangevoerd geen feiten en omstandigheden op die de conclusie kunnen dragen dat er sprake is van een verschoonbare rechtsdwaling van de zijde van verdachte dat hij niet behoefde te voldoen aan de rijbewijsplicht als bedoeld in art. 107, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994, nu niet is gesteld en evenmin aannemelijk is geworden dat verdachte in de veronderstelling heeft verkeerd dat Armenië tot de Europese Gemeenschap behoort. Het hof verwerpt het verweer derhalve in al zijn onderdelen.
Er is ook overigens geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.’
Voor het slagen van een beroep op AVAS wegens dwaling t.a.v. de wederrechtelijkheid van het bewezenverklaarde feit, is vereist dat aannemelijk is dat verdachte heeft gehandeld in een verontschuldigbare onbewustheid t.a.v. de ongeoorloofdheid van de hem verweten gedraging (HR NJ 1995, 631). Daarvan kan sprake zijn indien verdachte is afgegaan op het advies van een persoon of instantie aan wie of waaraan zodanig gezag valt toe te kennen dat verdachte in redelijkheid op de deugdelijkheid van het advies mocht vertrouwen (HR NJ 1961, 416). Bij de beoordeling van een verweer inhoudende een beroep op rechtsdwaling kunnen verschillende aspecten van belang zijn, waaronder de onafhankelijkheid en de onpartijdigheid van de adviseur; de specifieke deskundigheid van de adviseur; de complexiteit van de materie waarover advies wordt ingewonnen; de manier waarop en de omstandigheden waaronder het advies is ingewonnen en gegeven (HR 4 april 2006, LJN AU4664).
Gelet op de door het Hof bij de beoordeling van het gevoerde verweer te beantwoorden vragen en mede gelet op hetgeen namens rekwirant ter zitting in hoger beroep was aangevoerd, is (de motivering van) de verwerping van het beroep op verontschuldigbare dwaling — zonder nadere toelichting, welke ontbreekt — niet begrijpelijk.
Kern van het beroep op de verontschuldigbare rechtsdwaling is immers de brief3.‘die rekwirant altijd bij zich droeg’ waarin onder meer was vermeld:
‘Tot aan de wijziging van de Wegenverkeerswet (art. 108, lid 1 onder g en h) kan er niet geschreven worden voor buitenlanders die rijden met een geldig rijbewijs uit het land van herkomst. Je hoeft je dus niet af te vragen uit welk land de bestuurder komt en of hij of zij langer dan een bepaalde tijd in dit land woont, het is altijd goed, tenzij de bestuurder helemaal zonder rijbewijs rijdt. De genoemde brief4. is de door rekwirant getoond op het politiebureau in Purmerend. Rekwirant heeft daar, zo heeft hij in hoger beroep aangevoerd, gevraagd of die regeling geldig was en of hij inderdaad mocht autorijden in Nederland met zijn Armeense rijbewijs. De politie heeft toen een en ander voor hem nagevraagd en gezegd dat hij inderdaad met zijn Armeense rijbewijs mocht rijden in Nederland en om die mededeling te bevestigen kreeg rekwirant van de politie een stempel op de genoemde brief.’
Blijkens hetgeen het Hof heeft overwogen naar aanleiding van het (subsidiair) gedane beroep op rechtsdwaling heeft het Hof ten onrechte geheel in het midden gelaten of rekwirant aan de inhoud van de zojuist genoemde brief, welke inhoud hij heeft geverifieerd bij de politie van zijn woonplaats, en de mededelingen aan hem gedaan door de politie, de conclusie mocht verbinden dat het hem inderdaad was toegestaan in Nederland auto te rijden ondanks het gegeven dat hij slechts in het bezit was van een Armeens rijbewijs. Daarmee heeft het Hof ten onrechte de vraag buiten beschouwing gelaten of de politie van Purmerend kan worden beschouwd als een instantie waaraan zodanig gezag valt toe te kennen dat rekwirant in redelijkheid op de deugdelijkheid van de door hem ingewonnen informatie af mocht gaan en ook vooral of sprake is van een verontschuldigbare onbewustheid ten aanzien van de ongeoorloofdheid van de hem verweten gedraging.
De (motivering van) de verwerping van het hier aan de orde zijnde verweer is te meer onbegrijpelijk nu rekwirant gemotiveerd en geadstrueerd heeft aangevoerd het beleid zoals hem dat ter ore was gekomen heeft geverifieerd bij de instantie die bij uitstek ter zake kundig zou moeten zijn5.. Gelet op de bij de beoordeling van het hier aan de orde zijnde verweer te beantwoorden vragen en gelet op de aspecten die daarbij van belang zijn (zie eerdergenoemd arrest van 4 april 2006) zou, indien hetgeen door en namens rekwirant is gesteld aannemelijk wordt geacht, het beroep op rechtsdwaling gegrond bevonden moeten worden.
Het Hof had hoe dan ook niet in het midden mogen laten of het hetgeen door en namens rekwirant was gesteld met betrekking tot de (gestempelde) brief en de mededelingen van de politie niet aannemelijk achtte of dat het Hof vond dat hetgeen door en namens rekwirant was gesteld niet behoefde te leiden tot het slagen van het beroep op rechtsdwaling. In ieder geval laatstgenoemde oordeel zou, gelet op het aangevoerde, nadere motivering behoeven, welke motivering in het arrest ontbreekt.
Het arrest van het Hof kan gelet op het bovenstaande niet in stand blijven.
Het is op bovengenoemde gronden dat rekwirant uw College eerbiedig verzoekt om het arrest zoals gewezen door het Gerechtshof te Amsterdam 24 februari 2006 te vernietigen en een zodanige uitspraak te doen als uw College juist en noodzakelijk voorkomt.
De bijzonderlijk gevolmachtigden,
Mr G.P. Hamer
mr B.P. de Boer
Amsterdam, 2 november 2006
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 02‑11‑2006
Rekwirant heeft inmiddels kortgeleden een definitieve verblijfsstatus gekregen en is inmiddels (weer) bezig zijn Nederlands rijbewijs te halen (GPH/BDB).
Inhoudende een beleidsregel gericht aan de politie.
Voor alle duidelijkheid als bijlage aan deze schriftuur gehecht.
In dat opzicht verschilt de onderhavige zaak danig met de zaak die ten grondslag lag aan HR 31 oktober 2006, LJN AY8322 waarin nu juist was verzuimd navraag te doen naar de geldende regels.