Einde inhoudsopgave
De reikwijdte van medezeggenschap (MSR nr. 63) 2014/4.2.4
4.2.4 Groepsbegrip WEOR
Datum 01-01-2014
- Datum
01-01-2014
- JCDI
JCDI:ADS388506:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
De richtlijn spreekt over ‘zeggenschap uitoefende onderneming’ en definieert dit als een onderneming die overheersende invloed kan uitoefenen op een andere onderneming (‘de onderneming waarover zeggenschap wordt uitgeoefend’) bijvoorbeeld door eigendom, financiële deelneming, of op haar van toepassing zijnde voorschriften.
De richtlijn spreekt over ‘zeggenschap uitoefende onderneming’ en definieert dit als een onderneming die overheersende invloed kan uitoefenen op een andere onderneming (‘de onderneming waarover zeggenschap wordt uitgeoefend’) bijvoorbeeld door eigendom, financiële deelneming, of op haar van toepassing zijnde voorschriften.
De WEOR is de volgende wet waarin een groepsbegrip is opgenomen. Ondanks dat de richtlijn spreekt van concern heeft de Nederlandse wetgever, net als in Boek 2 BW en de WOR, gekozen voor het begrip groep. Het begrip groep van de WEOR heeft geen betrekking op de vraag wanneer een rechtspersoon zeggenschap heeft over een andere rechtspersoon. Het geeft slechts met getalscriteria aan in welke gevallen ondernemingen in een groep zijn verbonden. Het begrip moederonderneming1 van art. 2 WEOR geeft wel aan wanneer er sprake is van het uitoefenen van zeggenschap over een andere onderneming. Dit artikel luidt als volgt:
In deze wet wordt onder moederonderneming verstaan: de onderneming die binnen een communautaire groep direct of indirect een overheersende zeggenschap kan uitoefenen op een andere onderneming en die zelf geen onderneming is waarover door een andere onderneming direct of indirect een overheersende zeggenschap wordt uitgeoefend. Een onderneming wordt, tenzij het tegendeel blijkt, vermoed moederonderneming te zijn, indien zij:
meer dan de helft van de leden van het bestuursorgaan of van het leidinggevend dan wel toezichthoudend orgaan van de andere onderneming kan benoemen, of
meer dan de helft van de stemrechten in de algemene vergadering van de andere onderneming kan uitoefenen of
de meerderheid van het geplaatste kapitaal van de andere onderneming verschaft.
Het groepsbegrip van de WEOR is aldus een overwegend formeel groepsbegrip vergelijkbaar met art. 2:24a BW. De onderneming die binnen een communautaire groep direct of indirect overheersende zeggenschap kan uitoefenen op een andere onderneming, is de moederonderneming. Voor de vraag of sprake is van overwegende zeggenschap zijn drie rechtsvermoedens geformuleerd. Indien één of meer van deze rechtsvermoedens, welke lijken op art. 2:24a en art. 2:152/262 BW, zich voordoen, is de onderneming moederonderneming, tenzij het tegendeel blijkt. Het gaat dus om een formeel criterium met ruimte voor nuancering op basis van formele en feitelijke aspecten. De benadering van het hof en de Hoge Raad in Cendris BSC komt sterk overeen met deze bepaling uit de WEOR.
De WEOR is de volgende wet waarin een groepsbegrip is opgenomen. Ondanks dat de richtlijn spreekt van concern heeft de Nederlandse wetgever, net als in Boek 2 BW en de WOR, gekozen voor het begrip groep. Het begrip groep van de WEOR heeft geen betrekking op de vraag wanneer een rechtspersoon zeggenschap heeft over een andere rechtspersoon. Het geeft slechts met getalscriteria aan in welke gevallen ondernemingen in een groep zijn verbonden. Het begrip moederonderneming2 van art. 2 WEOR geeft wel aan wanneer er sprake is van het uitoefenen van zeggenschap over een andere onderneming. Dit artikel luidt als volgt:
In deze wet wordt onder moederonderneming verstaan: de onderneming die binnen een communautaire groep direct of indirect een overheersende zeggenschap kan uitoefenen op een andere onderneming en die zelf geen onderneming is waarover door een andere onderneming direct of indirect een overheersende zeggenschap wordt uitgeoefend. Een onderneming wordt, tenzij het tegendeel blijkt, vermoed moederonderneming te zijn, indien zij:
meer dan de helft van de leden van het bestuursorgaan of van het leidinggevend dan wel toezichthoudend orgaan van de andere onderneming kan benoemen, of
meer dan de helft van de stemrechten in de algemene vergadering van de andere onderneming kan uitoefenen of
de meerderheid van het geplaatste kapitaal van de andere onderneming verschaft.
Het groepsbegrip van de WEOR is aldus een overwegend formeel groepsbegrip vergelijkbaar met art. 2:24a BW. De onderneming die binnen een communautaire groep direct of indirect overheersende zeggenschap kan uitoefenen op een andere onderneming, is de moederonderneming. Voor de vraag of sprake is van overwegende zeggenschap zijn drie rechtsvermoedens geformuleerd. Indien één of meer van deze rechtsvermoedens, welke lijken op art. 2:24a en art. 2:152/262 BW, zich voordoen, is de onderneming moederonderneming, tenzij het tegendeel blijkt. Het gaat dus om een formeel criterium met ruimte voor nuancering op basis van formele en feitelijke aspecten. De benadering van het hof en de Hoge Raad in Cendris BSC komt sterk overeen met deze bepaling uit de WEOR.