Billijkheidsuitzonderingen
Einde inhoudsopgave
Billijkheidsuitzonderingen (SteR nr. 40) 2018/1.5.7:1.5.7 Corrigerende interpretatie
Billijkheidsuitzonderingen (SteR nr. 40) 2018/1.5.7
1.5.7 Corrigerende interpretatie
Documentgegevens:
mr. F.S. Bakker, datum 01-01-2018
- Datum
01-01-2018
- Auteur
mr. F.S. Bakker
- JCDI
JCDI:ADS360697:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht / Rechtspraak
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Par. 1.5.5.
Hoofdstuk 3, par. 3.5.1.
HR 9 januari 2001, ECLI:NL:HR:2001:AA9368, NJ 2001/203, m.nt. J. de Hullu (Van Dijke). De zaak komt ook ter sprake in hoofdstuk 5, par. 5.5. Het hof interpreteerde de tenlastelegging aldus. Een andere optie was geweest de strafbepaling te interpreteren bij de kwalificatievraag. De verschillen komen aan de orde in hoofdstuk 5, par. 5.2.2.
Hoofdstuk 4, par. 4.4; hoofdstuk 5, par. 5.5; hoofdstuk 6, par. 6.5.
Hoofdstuk 3 ar. 3.5.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De tekst van strikt en/of feitelijk geformuleerde wettelijke voorschriften en gebonden bevoegdheden biedt de toepasser de ruimte voor maar één beslissing.1 Ervaart hij deze als evident onbillijk, dan ligt het gezien die formulering niet voor de hand de voorschriften toch zo te interpreteren dat een evident onbillijke beslissing wordt voorkomen. Daardoor zou immers worden afgeweken van de betekenis die de woorden van het voorschrift in het normale spraakgebruik hebben. Toch zijn dergelijke interpretaties niet ongebruikelijk, zelfs niet wanneer een vergelijkbare beslissing – veelal op minder gekunstelde wijze – ook had kunnen worden genomen door een uitzondering.2
Een voorbeeld is een arrest waarin groepsbelediging wegens homoseksuele gerichtheid ten laste was gelegd (art. 137c Sr). Het hof sprak met goedkeuring van de Hoge Raad de verdachte vrij omdat het bestanddeel ‘zich beledigend uitlaten’ in de tenlastelegging niet bewezen was.3 Het hof oordeelde weliswaar dat de gedane uitlatingen ‘op zichzelf, los van de context’ een beledigende uitlating opleverden, maar stelde dat in deze zaak de godsdienstvrijheid en vrijheid van meningsuiting in de weg stonden aan een bewezenverklaring.
Hoewel dit onderzoek zich in beginsel niet richt op zaken waarin de toepasser een voorschrift zodanig interpreteert dat een geval daarbuiten valt, worden interpretaties met een resultaat vergelijkbaar met een billijkheidsuitzondering –‘corrigerende interpretaties’ – wel behandeld. Bij corrigerende interpretatie wordt geen billijkheidsuitzondering gemaakt: een voorschrift wordt niet eerst gezien zijn bewoordingen op een geval van toepassing verklaard, waarna het vanwege bijzondere omstandigheden buiten toepassing wordt gelaten. Wél wordt het bereik van een voorschrift in algemene zin beperkt. Materieel hebben corrigerende interpretaties een met een uitzondering vergelijkbaar resultaat: de beslissing die een voorschrift tekstueel bezien voorschrijft, wordt om billijkheidsredenen niet genomen. Strikt en/of feitelijk geformuleerde wettelijke voorschriften die gezien hun formulering van toepassing lijken, worden zo uitgelegd dat zij toch niet van toepassing worden geacht. Corrigerende interpretaties zijn dan ook een met uitzonderingen concurrerend leerstuk en verdienen het daarom om bij dit onderzoek te worden betrokken. Aandacht wordt ook geschonken aan de stromingen in de literatuur die interpretatie beschouwen als een volwaardig alternatief voor uitzonderingen, en aan de vraag in hoeverre de mogelijkheden van interpretatie de behoefte van de rechter aan uitzonderingen terecht beperken. De verhouding van uitzonderingen tot corrigerende interpretatie in de verschillende rechtsgebieden is onderzocht.4
Net zoals voor uitzonderingen gelden voor corrigerende interpretatie constitutionele beperkingen, die in een later hoofdstuk ter sprake komen.5