HR, 10-06-2025, nr. 23/01883
ECLI:NL:HR:2025:846
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
10-06-2025
- Zaaknummer
23/01883
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Bijzonder strafrecht (V)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2025:846, Uitspraak, Hoge Raad, 10‑06‑2025; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2025:402
In cassatie op: ECLI:NL:GHDHA:2023:896
ECLI:NL:PHR:2025:402, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 01‑04‑2025
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2025:846
- Vindplaatsen
Uitspraak 10‑06‑2025
Inhoudsindicatie
Negeren van opdracht van burgemeester tot beëindiging van betoging (art. 7 jo. 11.1.b WOM). Vrijspraak in eerste aanleg. Ontvankelijkheid cassatieberoep, art. 427.2 Sv. Uitzondering van art. 427.3 Sv van toepassing, nu samenstel van WOM en APV Den Haag aan de orde is? HR: Om redenen vermeld in CAG kan HR cassatieberoep van verdachte niet in behandeling nemen. CAG: Hof heeft bewezenverklaard dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het in art. 7 jo. art. 11.1.b WOM omschreven feit, welk feit zoals blijkt uit art. 11.2 WOM een overtreding is. Hof heeft t.z.v. dat feit een geheel voorwaardelijke geldboete opgelegd van € 250, subsidiair 5 dagen hechtenis. Ex art. 427.2.b Sv staat tegen ‘s hofs uitspraak in beginsel beroep in cassatie niet open. Geen sprake van overtreding van gemeentelijke verordening a.b.i. art. 427.3 Sv. Aan tekst noch aan wetsgeschiedenis van art. 427.3 Sv kunnen aanwijzingen worden ontleend dat uitzondering op cassatieverbod zich ook uitstrekt tot indirect relevante regelgeving van lagere overheden. Verdachte n-o.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 23/01883
Datum 10 juni 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 2 mei 2023, nummer 22-001954-22, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1970,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat R. Dijkstra bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal M.E. van Wees heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het beroep.
2. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
De Hoge Raad kan het cassatieberoep van de verdachte niet in behandeling nemen. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal.
3. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren M. Kuijer en C. Caminada, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P.J. Lugtenburg, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 juni 2025.
Conclusie 01‑04‑2025
Inhoudsindicatie
Conclusie plv. AG. Negeren verbod tot beëindiging betoging (art. 7 en 11 WOM). Ontvankelijkheid cassatieberoep bij oplegging van een straf onder de cassatiedrempel (427 lid 2 sub b Sv). Geen sprake van de overtreding van een gemeentelijke verordening als bedoeld in 427 lid 3 Sv. Conclusie strekt tot niet-ontvankelijkheid van het beroep.
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 23/01883
Zitting 1 april 2025
CONCLUSIE
M.E. van Wees
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1970,
hierna: de verdachte.
De verdachte is bij arrest van 2 mei 2023 door het gerechtshof Den Haag wegens “handelen in strijd met een opdracht als bedoeld in artikel 7 van de Wet openbare manifestaties” veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke geldboete van € 250, subsidiair vijf dagen hechtenis, met een proeftijd van twee jaren.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mr. R. Dijkstra, advocaat in Utrecht, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.
3.1
Met betrekking tot de ontvankelijkheid van het onderhavige cassatieberoep merk ik het volgende op. Het hof heeft bewezenverklaard dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het in art. 7 jo. art. 11 lid 1, aanhef en onder b, WOM omschreven feit, welk feit zoals blijkt uit art. 11 lid 2 WOM een overtreding is. Het hof heeft ter zake van dat feit een geheel voorwaardelijke geldboete opgelegd van € 250, subsidiair vijf dagen hechtenis, met een proeftijd van twee jaren. Ingevolge art. 427 lid 2, aanhef en onder b, Sv staat tegen de bestreden uitspraak in beginsel beroep in cassatie niet open.
3.2
In de schriftuur wordt echter gewezen op art. 427 lid 3 Sv. Deze bepaling luidt:
“Tegen de arresten, bedoeld in het tweede lid, onder a en b, staat niettemin beroep in cassatie open indien zij een overtreding betreffen van een verordening van een provincie, een gemeente, een waterschap of een met toepassing van de Wet gemeenschappelijke regelingen ingesteld openbaar lichaam.”
Deze uitzondering zou volgens de steller van het middel hier van toepassing zijn omdat een samenstel van de WOM en de Algemene Plaatselijke Verordening van de Gemeente Den Haag aan de orde is.
4.1
Voor de bespreking van dit punt haal ik eerst de relevante wetsbepalingen aan, te beginnen met artikel 4 WOM:
“1. De gemeenteraad stelt bij verordening regels vast met betrekking tot de gevallen waarin voor vergaderingen en betogingen op openbare plaatsen een voorafgaande kennisgeving vereist is.
2. De verordening voorziet ten minste in:
a. regels betreffende de gevallen waarin een schriftelijke kennisgeving wordt vereist van degene die voornemens is een vergadering of betoging te houden;
b. regels betreffende het tijdstip waarop de kennisgeving moet zijn gedaan, de bij de kennisgeving te verstrekken gegevens, en het verstrekken van een bewijs van ontvangst aan degene die de kennisgeving doet.
3. Over de inhoud van de te openbaren gedachten of gevoelens worden geen gegevens verlangd.“
4.2
Artikel 7 WOM luidt:
“De burgemeester kan aan degenen die een samenkomst tot het belijden van godsdienst of levensovertuiging, vergadering of betoging houden of daaraan deelnemen opdracht geven deze terstond te beëindigen en uiteen te gaan, indien:
a. de vereiste kennisgeving niet is gedaan, of een verbod is gegeven;
b. in strijd wordt gehandeld met een voorschrift, beperking of aanwijzing;
c. een van de in artikel 2 genoemde belangen dat vordert.”
4.3
Artikel 11 lid 1 sub b WOM luidt:
“1. Met hechtenis van ten hoogste twee maanden of geldboete van de tweede categorie wordt gestraft:
(…)
b. handelen in strijd (…) met een opdracht als bedoeld in artikel 7 (…).”
4.4
Artikel 2:3 lid 1 van de Algemene plaatselijke verordening voor de gemeente Den Haag luidde ten tijde van het gepleegde feit:
“1. Degene die het voornemen heeft op een openbare plaats, als bedoeld in artikel 1 Wet openbare manifestaties, een betoging of vergadering te houden, als bedoeld in de artikelen 3 en 4 Wet openbare manifestaties, moet vóór de openbare aankondiging van deze vergadering of betoging en tenminste 4 x 24 uur voordat deze zal worden gehouden, de burgemeester hiervan schriftelijk kennis geven.”
5.1
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
“zij op 10 oktober 2020 te [plaats] , niet heeft voldaan aan de door de burgemeester op grond van artikel 7 Wet openbare manifestaties gegeven| opdracht de betoging terstond te beëindigen en uiteen te gaan, door nadat krachtens artikel 7 sub a Wet openbare manifestaties en/of artikel 7 sub c Wet openbare manifestaties door de burgemeester de opdracht was gegeven om de demonstratie te beëindigen en uiteen te gaan, zich niet te verwijderen van die betoging.”
5.2
Aan de bewijsoverwegingen van het hof kan het volgende worden ontleend:
“Het samenstel van de WOM en de Algemene Plaatselijke Verordening van de gemeente ‘sGravenhage (hierna: APV Den Haag) houdt in dat in de gemeente Den Haag ter bescherming van de gezondheid, in het belang van het verkeer en ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden vóór de openbare aankondiging van een betoging schriftelijk daarvan aan de burgemeester moet worden kennis gegeven.
In dat stelsel past als sluitstuk dat bij het achterwege blijven van een vereiste kennisgeving, de burgemeester op grond van artikel 7 WOM gebruik kan maken van zijn bevoegdheid opdracht te geven de betoging terstond te beëindigen en uiteen te gaan. Daaraan doet niet af dat de burgemeester van het hanteren van die bevoegdheid ook kan afzien, indien de eerder genoemde belangen zich daartegen niet verzetten.
Op grond van het verhandelde ter terechtzitting en de stukken in het dossier stelt het hof vast dat op 10 oktober 2020 een betoging heeft plaatsgevonden op en nabij [a-straat] te [plaats] en dat van deze betoging niet vooraf een kennisgeving is gedaan aan de burgemeester als bedoeld in artikel 4 van de WOM en artikel 2.3 van de APV, zodat de burgemeester bevoegd was opdracht te geven de bijeenkomst op grond van artikel 7, sub a, WOM te beëindigen en opdracht te geven uiteen te gaan.”
6.1
Uit het voorgaande volgt dat het gerechtshof heeft vastgesteld dat de verdachte een gebod van de burgemeester heeft genegeerd om de betoging te beëindigen. De bevoegdheid van de burgemeester om dit gebod uit te vaardigen berust op de WOM (art. 7). De strafbaarstelling van handelen in strijd met dit gebod berust eveneens op de WOM (art. 11). Ik zie dan ook niet in dat het arrest een overtreding ‘betreft’ van een verordening van een gemeente als bedoeld in art. 427 lid 3 Sv. Zowel de materiële norm als de strafbaarstelling staan immers in een wet in formele zin.
6.2
Dit wordt niet anders doordat in de toepassingsvoorwaarden voor deze bevoegdheid wordt verwezen naar een gemeentelijke verordening. Het hof beschrijft de bevoegdheid de betoging te beëindigen als het “sluitstuk” van een stelsel dat de voorafgaande melding van betogingen eist, waarbij die meldingseis is opgenomen in een gemeentelijke verordening. Bij een dergelijke ‘handhavingsbevoegdheid’ is deze verordening echter slechts indirect aan de orde.
6.3
Aan de tekst noch aan de totstandkomingsgeschiedenis van art. 427 lid 3 Sv kan ik aanwijzingen ontlenen dat de uitzondering op het cassatieverbod zich ook uitstrekt tot dergelijke indirect relevante regelgeving van lagere overheden. Deze uitzondering is tot twee keer toe bij amendement in de wet opgenomen, eerst in art. 68 RO (oud)1.en daarna in het huidige art. 427 Sv.2.Uit de toelichting op deze amendementen volgt dat het doel van de bepaling is de Hoge Raad controle te laten houden op lagere regelgeving. De toelichting op het amendement van art. 68 RO (oud) vermeldde daarbij dat het ging om “boetes die door de kantonrechter op grond van lagere regelgeving worden opgelegd”. De toelichting op het amendement van art. 427 Sv houdt onder andere in dat het gaat om “personen die zijn veroordeeld voor overtreding van [e]en verordening van een (…) gemeente” (cursiveringen toegevoegd, MvW). Daarvan is in de onderhavige zaak geen sprake.
7. Deze conclusie strekt dan ook tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
plv. AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 01‑04‑2025