Betrouwbaar getuigenbewijs
Einde inhoudsopgave
Betrouwbaar getuigenbewijs 2014/14:14 Samenvatting
Betrouwbaar getuigenbewijs 2014/14
14 Samenvatting
Documentgegevens:
Mr. Dr. M.J. Dubelaar, datum 01-12-2013
- Datum
01-12-2013
- Auteur
Mr. Dr. M.J. Dubelaar
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Strafprocesrecht / Voorfase
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Inleiding
Dit onderzoek richt zich op de omgang met getuigenverklaringen in het Nederlandse strafproces, waarbij onder meer wordt gekeken of het bestaande kader van strafvordering en de werkwijzen in de strafrechtspraktijk aanpassing behoeven in het licht van de waarheidsvinding. Kennisverwerving met behulp van getuigenverklaringen is namelijk niet zonder problemen. Het recht onderkent dat ook. Het besef dat aan getuigenverklaringen gebreken kunnen kleven, heeft zijn weerslag gevonden in de regelingen van het Wetboek van Strafvordering, dat stamt uit 1926. Echter, sinds de totstandkoming van het wetboek is de rechtspraktijk en wetenschappelijke kennis over getuigenverklaringen niet stil blijven staan. Met name de afgelopen decennia is de kennis over de gebreken die kunnen kleven aan getuigenverklaringen, sterk toegenomen. Die nieuwe inzichten hebben echter niet geleid tot wezenlijke aanpassingen in het wettelijk stelsel. Bovendien heeft de strafrechtspraktijk zich in een andere richting ontwikkeld dan de wetgever aanvankelijk in 1926 voor ogen had, waardoor een deel van de beoogde en nog steeds bestaande wettelijke waarborgen met betrekking tot getuigenverklaringen zijn uitgehold. Door het grote accent op de schriftelijke stukken staat de Nederlandse strafrechtspleging onder verdenking niet over het juiste instrumentarium te beschikken om de inhoud van verklaringen optimaal te kunnen toetsen en daarmee de kwaliteit van de strafrechtelijke waarheidsvinding voldoende te kunnen waarborgen.
Het doel van dit onderzoek is om te bezien in hoeverre het bestaande kader van strafvordering en de werkwijzen in de praktijk aanpassing behoeven. De centrale vraag luidt daarbij als volgt. Vormen bestaande wetenschappelijke inzichten en de huidige strafrechtspraktijk aanleiding om de wijze van totstandkoming en waardering van getuigenverklaringen in het Nederlandse strafproces nader te normeren of aan te passen ten behoeve van de waarheidsvinding en zo ja, op welke wijze? Deze vraag omvat ten minste een aantal deelvragen: 1) Wat zijn getuigenverklaringen en onder welke omstandigheden kunnen zij bijdragen aan de strafrechtelijke waarheidsvinding? 2) Hoe wordt het begrip verklaring van een getuige in het Nederlandse strafproces ingevuld en welke eisen worden in de wet en jurisprudentie van de Hoge Raad gesteld aan de totstandkoming en waardering van getuigenverklaringen? 3) Hoe krijgt de totstandkoming en waardering van getuigenverklaringen in de praktijk vorm en hoe kunnen de daaraan gerelateerde werkwijzen worden gewaardeerd in het licht van de waarheidsvinding? 4) Hoe verhoudt de strafrechtspraktijk zich tot de geldende regelgeving en wat zijn in dit verband hiaten en mogelijke oplossingen?
Het leidende perspectief waarmee binnen dit onderzoek naar het Nederlandse strafproces wordt gekeken, is dat van waarheidsvinding. Het achterhalen van ‘de’ waarheid en het vaststellen van de geloofwaardigheid van getuigenverklaringen in de strafrechtelijke context is niet een louter juridische aangelegenheid, maar wordt in belangrijke mate gestuurd door factoren waarover niet-juridische disciplines meer inzicht kunnen verschaffen. Zo verschaft de juridische epistemologie onder meer inzicht in wat getuigenverklaringen naar hun aard zijn en de omstandigheden waaronder daaraan gerechtvaardigd geloof mag worden gehecht. De (rechts)psychologie biedt kennis van de factoren die de waarneming en het geheugen beïnvloeden en de mate waarin getuigen in staat zijn verklaringen af te leggen die de werkelijkheid adequaat beschrijven. De taal- en communicatiewetenschappen kunnen op hun beurt kennis verschaffen over de totstandkoming van verklaringen tijdens het verhoor en de verslaglegging daarvan. Dit onderzoek brengt de verschillende inzichten in kaart en met elkaar in verbinding. De verzamelde inzichten bieden vervolgens een kader om de wettelijke procedures en werkwijzen in de praktijk ten aanzien van de totstandkoming en waardering van getuigenverklaringen nader te beschouwen.
Het onderzoek is onderverdeeld in een viertal delen, die grotendeels parallel lopen met de vier onderzoeksvragen zoals die hiervoor zijn geformuleerd. Deel I heeft betrekking op de algemene problematiek van de getuigenverklaring als bron van kennis en de weerslag daarvan op de strafprocessuele context in algemene zin. In dit deel wordt het interdisciplinaire speelveld van de getuigenverklaring in kaart gebracht. De analyses uit dit deel vormen het perspectief waarmee in het vervolg van het onderzoek wordt gekeken naar het Nederlandse stelsel en de praktijk. Deel II richt zich op het niveau van het nationale stelsel, waarbij de actuele wettelijke regeling en jurisprudentie van de Hoge Raad over het gebruik van getuigenverklaringen centraal staat. Deel III heeft betrekking op de rechtspraktijk waarbij wordt ingegaan op de werkwijzen met betrekking tot de totstandkoming en de waardering van getuigenverklaringen in de Nederlandse strafrechtspraktijk. Deel IV voorziet in een antwoord op de centrale vraagstelling en aanbevelingen voor het verbeteren van de totstandkoming en waardering van getuigenverklaringen.
Deel I – Getuigenverklaringen als instrument van waarheidsvinding
In deel I staat de vraag centraal naar de aard van de getuigenverklaring en naar de omstandigheden waaronder getuigenverklaringen (kunnen) bijdragen aan de strafrechtelijke waarheidsvinding. Om deze vraag te kunnen beantwoorden wordt in het tweede hoofdstuk allereerst ingegaan op waarheidsvinding als doelstelling van het strafproces en op de theorievorming over strafrechtelijk bewijs en bewijzen. Vervolgens wordt in het derde hoofdstuk de rol van getuigenverklaring in het proces van waarheidsvinding nader belicht. Het vierde hoofdstuk maakt inzichtelijk waar in grote lijnen de verschillen liggen voor wat betreft de verwerking en toetsing van getuigenverklaringen in strafprocessuele contexten. Het vierde en vijfde hoofdstuk zijn gewijd aan de psychologische inzichten met betrekking tot de totstandkoming respectievelijk de waardering van getuigenverklaringen.
Uit het tweede hoofdstuk wordt duidelijk dat het strafproces waarheidsvinding tot doel heeft, waarbij correspondentie met de werkelijkheid als ideaal geldt. Men streeft er naar de ware toedracht te achterhalen en de rechterlijke beslissing te doen baseren op de ‘feiten’. De realiteit is dat de voorbije werkelijkheid niet volledig kenbaar is en de rechterlijke bewijsbeslissing in het vonnis in belangrijke mate een constructie behelst. Niettemin fungeert de waarheid wel als toetssteen voor de juistheid van de feitenvaststelling in het rechterlijk vonnis en kunnen procedures worden gewaardeerd in het licht van de waarheidsvinding door te beoordelen in hoeverre zij bijdragen aan een deugdelijke feitenvaststelling. Die waardering geschiedt in het tweede en derde deel van het onderzoek, waar wordt gekeken naar de wijze waarop de omgang met getuigenverklaringen wettelijk is genormeerd en in de praktijk vorm krijgt.
Het derde hoofdstuk laat zien dat de afhankelijkheid van verklaringen (testimony) van anderen voor kennisverwerving over de werkelijkheid erg groot is. Veel van onze overtuigingen en kennis die wij voor waar houden, zijn gebaseerd op de uitspraken van onze medemens. In het strafproces is dat niet anders. Getuigenverklaringen zijn in de meeste strafzaken onontbeerlijk om te achterhalen wat er in werkelijkheid is gebeurd. Het gaat bij verklaringen in de kern om beweringen over de werkelijkheid waarbij de toehoorder wordt uitgenodigd om de bewering als waar te accepteren, op grond van de informatiepositie van de declarant (position to know). Vooral onder invloed van de rechtspsychologie is de verklaring als kenbron van de werkelijkheid onder druk komen te staan. Getuigen kunnen immers – zonder zich daarvan bewust te zijn – onjuiste verklaringen afleggen als gevolg van de gebreken die kleven aan de menselijke waarneming en het geheugen. Nadere analyse van kennisvergaring op basis van verklaringen laat echter zien dat het probleem niet alleen ligt bij de getuige. Voor het vergaren van kennis op basis van verklaringen is het immers niet alleen noodzakelijk dat de getuige een oprechte verklaring aflegt, maar ook dat de toehoorder deze op waarde weet te schatten. Er bestaat echter geen consensus over de omstandigheden waaronder gerechtvaardigd geloof kan worden gehecht aan de afgelegde verklaring. Voorts kunnen zich ook bij de toehoorder onbewuste processen voordoen die leiden tot een onjuiste inschatting van waarheidsgetrouwheid van de verklaring. De vaststelling dat het gebruik van getuigenverklaringen voor het bewijs niet onproblematisch is, hoeft echter niet te leiden tot defaitisme. Getuigen kunnen onder de juiste omstandigheden wel degelijk een waarheidsgetrouwe verklaring afleggen, maar het is noodzakelijk om te (blijven) zoeken naar manieren om eventuele gebreken in de verklaring tot een minimum te beperken en het waarderingsproces te optimaliseren.
Uit vierde hoofdstuk blijkt dat de manier waarop in de strafprocessuele context wordt getracht de problemen met getuigenverklaringen te ondervangen, per rechtstelsel verschilt. In dit verband kan onderscheid worden gemaakt tussen het Anglo-Amerikaanse en het continentale procesmodel. In het Anglo- Amerikaanse procesmodel ligt het accent sterk op een onmiddellijke informatieoverdracht en worden getuigen in beginsel ter terechtzitting gehoord alvorens hun verklaringen voor het bewijs kunnen worden gebruikt. In het continentale procesmodel ligt van oorsprong meer nadruk op de schriftelijke stukken die zijn verzameld in het vooronderzoek en die zijn neergelegd in het procesdossier. De rechter mag deze aan zijn beslissing ten grondslag leggen zonder zelf de oorspronkelijke bron ter terechtzitting te hebben gehoord, mits de rechten van de verdediging in acht zijn genomen. Op het eerste gezicht lijkt het Anglo- Amerikaanse procesmodel beter toegerust voor het toetsen van de inhoud van getuigenverklaringen, doordat getuigen daar veel vaker ter terechtzitting verschijnen en worden gehoord ten overstaan van de jury of rechter die over de kwaliteit van de verklaring moet beslissen. Gerechtelijke dwalingen op basis van getuigenverklaringen komen echter zowel in Anglo-Amerikaanse als in continentale rechtsstelsels voor. Het Anglo-Amerikaanse procesmodel kent zijn eigen waarheid belemmerende praktijken die onder meer zijn gelegen in de wijze waarop getuigen ter terechtzitting worden ondervraagd. Bovendien is de vraag of het noodzakelijk is om getuigen standaard ter terechtzitting te horen. Duidelijk is in ieder geval dat in stelsels waarin het zwaartepunt van het onderzoek ligt in de voorfase, ook in die fase de waarborgen moet liggen.
Het vijfde hoofdstuk is gewijd aan de totstandkoming en waardering van getuigenverklaringen bezien vanuit rechtspsychologisch perspectief. Daarbij wordt allereerst aandacht besteed aan waarnemings- en geheugenprocessen bij de getuige. Deze vormen immers het beginpunt van de af te leggen verklaring. Inzicht in de cognitieve processen die zich voordoen bij de getuige, is onontbeerlijk voor een goed begrip van de wijze waarop het verhoor doorwerkt op de kwaliteit van de af te leggen verklaring. Vooral bij het reproduceren van gebeurtenissen kan veel misgaan doordat onjuiste elementen in het geheugen kunnen worden opgenomen die de getuige zich bij een volgende gelegenheid als authentiek herinnert. Het geheugen is namelijk kwetsbaar en gevoelig voor informatie van buitenaf. Wanneer meer in detail wordt gekeken naar het afleggen van getuigenverklaringen tijdens het verhoor dan blijkt voorts dat de verhoorder een belangrijke rol speelt bij het reconstrueren van de gebeurtenissen en het optekenen van de verklaring. De verklaring zoals die op schrift wordt gesteld, behelst in de kern een product van constructie ‘in gezamenlijkheid’. Het is om die reden van belang dat de persoon die beslissingen baseert op deze verklaringen, ook zicht heeft op het proces van totstandkoming tijdens verhoor. Dit is een noodzakelijke voorwaarde voor het maken van een deugdelijke inschatting van de waarheidsgetrouwheid van de afgelegde en op schrift gestelde verklaring.
In het zesde hoofdstuk vindt – aan de hand van de rechtspsychologische literatuur – een inventarisatie plaats van de factoren die relevant zijn voor de beoordeling van de geloofwaardigheid van getuigenverklaringen. Hieruit blijkt dat de vaststelling van de geloofwaardigheid niet eenvoudig is, aangezien in beginsel niet van de vorm of de inhoud van de verklaring valt af te lezen in hoeverre deze correspondeert met de werkelijkheid. Zolang de gebeurtenissen waarover wordt verklaard zelf niet objectief zijn geregistreerd, moet voor een oordeel over de mate waarin aan een verklaring geloof kan worden gehecht, meestal dieper worden gegraven. Daarvoor vormt de bron van de bewering een belangrijk aanknopingspunt. Is de getuige in staat om een waarheidsgetrouwe verklaring af te leggen en zijn er geen redenen om te twijfelen aan de oprechtheid van de bron? Inzicht in het totstandkomingsproces, is eveneens van groot belang voor de mate waarin gerechtvaardigd geloof kan worden gehecht aan een verklaring. Duidelijk is echter dat uit de rechtspsychologische literatuur geen algemeen toetsingskader (in de zin van een set positieve indicatoren voor geloofwaardigheid) kan worden afgeleid dat voor alle getuigenverklaringen bruikbaar is. Wel is het mogelijk om een aantal ‘rode vlaggen’ te destilleren die nopen tot het doen van nader onderzoek. Bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van de getuigenverklaring is het van groot belang om niet alleen te letten op factoren die erop duiden dat de verklaring waarheidsgetrouw is, maar ook op signalen die wijzen op het tegendeel.
Deel II – Rol van getuigenverklaringen in het Nederlandse stelsel van strafvordering
In het tweede deel staat het Nederlandse stelsel van strafvordering centraal en de wijze waarop binnen dat stelsel de totstandkoming en waardering van getuigenverklaringen is genormeerd. Het accent ligt op de juridische regelingen en de Nederlandse procescultuur. In het zevende hoofdstuk worden allereerst kort de karakteristieken van het Nederlandse bewijsstelsel uiteengezet. Het achtste hoofdstuk is gewijd aan de persoon van de getuige en de positie die hij inneemt in het Nederlandse strafproces. Vervolgens staat in het negende hoofdstuk de Nederlandse procescultuur centraal en de invulling van het onmiddellijkheidsbeginsel in relatie tot getuigen. Het tiende hoofdstuk behelst een bespreking van het juridisch kader voor wat betreft de totstandkoming van getuigenverklaringen en het gebruik van getuigenverklaringen voor het bewijs.
Naar aanleiding van de bespreking van het wettelijk bewijsstelsel in het zevende hoofdstuk wordt duidelijk dat veel van de wettelijke waarborgen zoals de wetgever die bij de totstandkoming van het Wetboek van Strafvordering in het leven heeft geroepen, zijn uitgehold. Voorts blijkt dat de empirische kant van het rechtelijk beslisproces in de juridische literatuur en de jurisprudentie van de Hoge Raad lange tijd onderbelicht is gebleven. Mede hierdoor is in Nederland geen juridische bewijsleer tot ontwikkeling gekomen. Noch de wet, noch de juridische doctrine biedt de rechter veel houvast voor het nemen van de bewijsbeslissing. De laatste jaren bestaat echter in toenemende mate aandacht voor het proces van bewijzen en daaraan gerelateerde vragen van betrouwbaarheid.
In het achtste hoofdstuk wordt ten aanzien van de getuigenverklaring de draad weer opgepakt door te kijken wie de hoedanigheid van getuige toekomt en hoe diens positie wettelijk is genormeerd. In het Nederlandse Wetboek van Strafvordering is het begrip getuige thans niet gedefinieerd en ook aan de rechtspraak valt geen definitie te ontlenen. Niet iedere persoon die beschikt over voor het strafproces relevante informatie wordt ook daadwerkelijk als getuige in strafrechtelijke zin aangemerkt. Er kan in dit verband onderscheid worden gemaakt tussen: 1) personen die getuige zijn in levensfeitelijke zin, op grond van hun tegenwoordigheid bij een strafrechtelijk relevante gebeurtenis of handeling en 2) de strafprocessuele hoedanigheid van getuige met de daaraan gekoppelde rechten en plichten, die aan een persoon op grond van zijn optreden als getuige in het strafproces wordt toegekend. Deze beide aspecten lopen in de rechtspraak en de theorie door elkaar. Het is niet altijd duidelijk aan wie de hoedanigheid van getuige toekomt en op welke rechten zij aanspraak kunnen maken. Het Wetboek van Strafvordering geeft in artikel 342 eerste lid wel een omschrijving van wanneer een bewering van een getuige als wettelijk bewijsmiddel heeft te gelden. ‘Onder een verklaring van een getuige wordt verstaan zijne bij het onderzoek ter terechtzitting gedane mededeling van feiten of omstandigheden welke hij zelf heeft waargenomen’. In de praktijk is de eis dat de verklaring op het onderzoek ter terechtzitting moet zijn afgelegd en op eigen waarneming moet berusten, losgelaten. De constructie die daarbij is gekozen, is dat mondeling ter terechtzitting afgelegde verklaringen onder artikel 342 eerste lid vallen, terwijl schriftelijke verklaringen onder artikel 344 eerste lid onder 2 vallen.
De achtergrond van de uitholling van het wettelijk begrip ‘verklaring van een getuige’ komt in het negende hoofdstuk nader aan de orde. Dit kan worden toegeschreven aan de opstelling van de Hoge Raad in het De auditu-arrest, waarin de Hoge Raad – vlak na de invoering van het nieuwe Wetboek van Strafvordering – bepaalde dat verklaringen van horen zeggen mogen meewerken voor het bewijs. Hieronder vallen volgens de Hoge Raad ook processenverbaal inhoudende getuigenverklaringen afgelegd bij de politie. Het loslaten van de eis dat verklaringen ter terechtzitting moet worden afgelegd, heeft er in de praktijk toe geleid dat op grote schaal getuigenverklaringen uit het vooronderzoek voor het bewijs werden gebruikt. Ook heden ten dage worden getuigen veelal niet ter terechtzitting gehoord. Op grond van artikel 6 van het Europees Verdrag van de Rechten voor de Mens hebben verdachten het recht om getuigen te ondervragen, maar het horen van die getuigen geschiedt in de regel in het kabinet van de rechter-commissaris. Hoewel de Nederlandse stijl van procederen voordelen heeft, bijvoorbeeld voor de getuige die zijns ondanks in het strafproces wordt betrokken, kleven er aan het niet horen van getuigen ter terechtzitting ook belangrijke bezwaren. De rechter verneemt de inhoud van de verklaring niet van de oorspronkelijke bron, maar moet zich verlaten op het proces-verbaal waarin de verklaring is neergelegd. Dit is problematisch gelet op de bevindingen uit het eerste deel waaruit naar voren kwam dat de verhoorder bij het construeren en optekenen van de verklaring een belangrijke rol speelt waar de rechter geen of maar beperkt zicht op heeft. Doordat de rechter voorafgaand aan de terechtzitting kennisneemt van het dossier worden voorts psychologische processen zoals belief perseverance en confirmation bias uitgelokt, waardoor een reëel risico bestaat dat aan ontlastende informatie die op het onderzoek ter terechtzitting nog naar boven komt of uit het dossier kan blijken, onvoldoende gewicht wordt toegekend. Door de dominantie van het procesdossier is de activiteit op het onderzoek ter terechtzitting in hoofdzaak gericht op verificatie en beperkt het eigen onderzoek van de rechter zich in veel gevallen tot het horen van verdachte. Of op de terechtzitting nog nader onderzoek wordt verricht, hangt grotendeels af van inspanningen van de verdediging. Ambtshalve wordt daar in de praktijk niet zo snel toe overgegaan.
Men zou verwachten dat in een stelsel waarin zwaar wordt geleund op de schriftelijke stukken vergaard in het vooronderzoek, ook daar de waarborgen liggen. Bestudering van het juridisch kader in het tiende hoofdstuk leert echter dat ten aanzien van de totstandkoming van getuigenverklaring in de fase van de opsporing in het Wetboek van Strafvordering niets is geregeld. Aan het gebruik van getuigenverklaringen voor het bewijs zijn wel wettelijke bepalingen verbonden, maar de daaruit voortvloeiende waarborgen zijn minimaal door de wijze waarop de wettelijke bepalingen door de Hoge Raad worden uitgelegd. Zo stelt de wet de eis dat de rechter een bewezenverklaring niet uitsluitend mag baseren op één getuigenverklaring, maar er kan (nog steeds) met een relatief geringe hoeveelheid bijkomend bewijsmateriaal worden volstaan. Bovendien hoeft de rechter in geval van een bewezenverklaring niet ambtshalve toe te lichten welke waarde hij heeft toegekend aan zich in het dossier bevindende belastende en ontlastende getuigenverklaringen. Wel dient hij te reageren op verweren die betrekking hebben op de betrouwbaarheid van getuigenverklaringen of op de toepassing van de hiervoor genoemde bewijsminimumregel. Aan die motivering worden echter geen hoge eisen gesteld.
Deel III – Totstandkoming en waardering van getuigenverklaringen in de Nederlandse strafrechtspraktijk
In deel III staat de Nederlandse praktijk centraal. In het elfde en twaalfde hoofdstuk wordt gekeken hoe de totstandkoming en waardering van getuigenverklaringen in de praktijk vorm krijgen en hoe de daaraan gerelateerde werkwijzen kunnen worden gewaardeerd in het licht van de waarheidsvinding.
Het elfde hoofdstuk richt zich op de totstandkoming van de (schriftelijke) getuigenverklaring. Uit rechtspsychologisch onderzoek is veel bekend over de valkuilen bij het verhoor, maar niet over de mate waarin deze zich in de Nederlandse strafrechtspraktijk manifesteren. Naar de kwaliteit van getuigenverhoren door de politie is in Nederland nauwelijks onderzoek verricht. Ook over de kwaliteit van het verhoor door de rechter-commissaris en de zittingsrechter is weinig bekend. Dit is opmerkelijk gelet op de waarde die in de praktijk wordt gehecht aan de schriftelijke producten van deze verhoren. Het gebrek aan aandacht is vooral problematisch ten aanzien van het verhoor bij de politie omdat daarop door de verdediging nauwelijks controle kan worden uitgeoefend. Ook de controle van de zittingsrechter op de totstandkoming van verklaringen in het vooronderzoek is beperkt. Voor de waardering van het product zoals de rechter dat krijgt voorgelegd, is het van belang dat hij zicht heeft op de wijze waarop het verhoor is verlopen. De in een procesverbaal vervatte getuigenverklaring is immers geenszins een waardevrije representatie van de verklaring en de interactie tijdens het verhoor. Zeker in de monoloogvorm wordt de verklaring sterk gekleurd door de persoon die de verklaring optekent. Het probleem is dat dit uit het proces-verbaal zelf niet duidelijk blijkt. Processen-verbaal die niet in vraag- en antwoordvorm zijn opgesteld, geven geen inzicht in de gang van zaken tijdens het verhoor, zoals welke vragen zijn gesteld en wie welke informatie als eerste in het verhoor heeft ingebracht. Het hermetische karakter van het proces-verbaal zorgt ervoor dat de totstandkoming van de verklaring maar beperkt toetsbaar is. Bovendien kan men zich bij bepaalde soorten processen-verbaal afvragen of de inhoud van de verklaring nog voldoende recht doet aan de werkelijkheid. Met het optekenen van een verklaring in een monoloog of een sterk ingedikte vraagen antwoordvorm wint het proces-verbaal aan zeggingskracht, doordat het narratief sterker en eenduidiger is geworden. Echter, door deze versterking komt de waarheidsgetrouwheid van de verklaring onder druk te staan en kan het waarderingsproces van de rechter oneigenlijk worden beïnvloed doordat eerder genoemde psychologische processen van belief perseverance en confirmation bias in de hand worden gewerkt.
In het twaalfde hoofdstuk komt de waardering van de getuigenverklaring door de rechter aan de orde. Ook hier kan worden geconstateerd dat er geen systematisch onderzoek is gedaan naar hoe Nederlandse beroepsrechters met de selectie en waardering van getuigenverklaringen omgaan. Aan de hand van de literatuur en de jurisprudentie kan wel een aantal kwetsbaarheden in het rechterlijk beslisproces worden blootgelegd. Uit het voorgaande hoofdstuk volgde al dat de rechter maar zeer beperkt zicht heeft op het totstandkomingsproces, terwijl kennisname daarvan van wezenlijk belang is voor een adequate inschatting van de waarheidsgetrouwheid van de verklaring. Dit is echter niet het enige punt. Een aantal theoretische, doch belangrijke vragen over het nemen van de bewijsbeslissing is onbeantwoord gebleven. Zo is niet volledig helder welke maatstaf de rechter moet aanleggen in zijn oordeel over de kwaliteit van de verklaring en hoe geloofwaardig de verklaring moet zijn alvorens hij deze aan zijn beslissing ten grondslag mag leggen. Tevens lijkt in de praktijk bij de waardering van bewijs de holistische benadering te domineren, waardoor de vraag is of de atomistische toets van de individuele getuigenverklaring voldoende tot zijn recht komt. De grote waarderingsvrijheid die de Nederlandse rechter heeft met betrekking tot het gebruik van getuigenverklaring, is problematisch nu men zich kan afvragen of rechters in staat zijn om geheel op eigen kracht psychologische mechanismen te herkennen en op te lossen en of er wel voldoende waarborgen zijn om menselijk falen te ondervangen. Doordat de rechter maar in beperkte mate verantwoording hoeft af te leggen over zijn beslissing over het gebruik van getuigenverklaringen voor het bewijs, bestaat daar maar weinig zicht op.
Deel IV – Aanvullende waarborgen voor waarheidsvinding
In deel IV wordt gekeken of aanvullende waarborgen ten aanzien van het gebruik van getuigenverklaringen wenselijk zijn. Het dertiende hoofdstuk vormt het concluderende hoofdstuk. Duidelijk is dat de praktijk een aantal zwakheden kent in de omgang met getuigenverklaringen en dat de rechterlijke beslissing op dit punt een risicovolle beslissing is. Naast het feit dat het totstandkomingsaspect onderbelicht blijft in het proces van waarderen, kan worden geconstateerd dat de rechter voor het beoordelen van getuigenverklaringen nauwelijks houvast heeft in de wet of de juridische doctrine. Voorts kunnen kanttekeningen worden geplaatst bij bepaalde werkwijzen in de praktijk. Zo ligt het accent op het onderzoek ter terechtzitting vooral op verificatie en te weinig op falsificatie. Dit komt mede doordat de rechter maar beperkt onderzoek doet (en vooral ook: kan doen), door het zelf horen van de getuige of de verbalisant die het verhoor hebben afgenomen. Voorts hoeft de rechter zijn beslissing over de bewijswaarde die hij heeft toegekend aan de verklaring, maar in beperkte mate te motiveren. Dit komt de transparantie van de rechterlijke beslissing en de controle daarop niet ten goede. Dit alles geeft aanleiding tot het doen van aanpassingen in het juridisch stelsel en de werkwijzen in de praktijk.
De eerste aanbeveling richt zich tot de politie. In een procesvoering waarin zo sterk wordt geleund op op schrift gestelde verklaringen in het vooronderzoek, is van belang dat het vastleggen van de verklaring zo nauwkeurig mogelijk geschiedt. Dit betekent dat processen-verbaal zo veel mogelijk in vraag- en antwoordvorm dienen te worden opgesteld en dat verhoren standaard auditief dan wel audiovisueel zouden moeten worden opgenomen om de controleerbaarheid van het verhoor te vergroten. De tweede aanbeveling is gericht op de rechter-commissaris wiens positie in het vooronderzoek recentelijk is versterkt en die uitdrukkelijk de taak heeft gekregen om toezicht te houden op de evenwichtigheid en volledigheid van het onderzoek. In dit verband is van belang dat hij al in een vroege fase bij het onderzoek wordt betrokken zodat hij ook daadwerkelijk zijn rol adequaat kan uitoefenen en mede richting kan geven aan dit onderzoek. Daarbij moet in het bijzonder worden gedacht aan het (laten) verrichten van onderzoek naar alternatieve scenario’s. De derde aanbeveling betreft de feitenrechter en diens verantwoordelijkheid voor de waarheidsvinding. Deze zou meer falsificerende activiteiten dienen te ondernemen en zijn beslissing over de geloofwaardigheid van getuigenverklaringen vaker en uitvoeriger moeten motiveren op het moment dat er signalen zijn dat de verklaring niet op correcte wijze tot stand is komen of dat er anderszins signalen zijn dat de verklaring mogelijk niet waarheidsgetrouw is. De vierde aanbeveling richt zich tot de Hoge Raad die een betere motivering door de feitenrechter moet afdwingen en deze motivering meer indringend dient te toetsen. De vijfde en laatste aanbeveling is gericht op de wetgever die werk dient te maken van zijn voornemen om voor de getuige een nieuwe titel in het Wetboek van Strafvordering te creëren. In de wet dienen in ieder geval bepalingen te worden opgenomen met betrekking tot de inrichting van het politieverhoor, wat er toe moet leiden dat de controlemogelijkheden op het verhoor worden vergroot en de rechter houvast heeft om de gang van zaken tijdens het verhoor te toetsen. Nu blijft de gang van zaken tijdens het verhoor nog teveel buiten het gezichtsveld van de strafrechtsjurist. Een wettelijke regeling kan hierin verbetering brengen.