De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure
Einde inhoudsopgave
De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure (IVOR nr. 105) 2017/3.8:3.8 Tussenconclusie
De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure (IVOR nr. 105) 2017/3.8
3.8 Tussenconclusie
Documentgegevens:
F. Eikelboom, datum 01-06-2017
- Datum
01-06-2017
- Auteur
F. Eikelboom
- JCDI
JCDI:ADS369703:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie Hammerstein 2009 en Willems Oratie.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Wat kan nu uit het bovenstaande worden geconcludeerd? Op hoofdlijnen heeft de wetgever een duidelijke regeling getroffen. Het is duidelijk waarop (onmiddellijke) voorzieningen gericht moeten zijn. Tevens vormen de (onmiddellijke) voorzieningen die de ondernemingskamer kan treffen een vrij compleet geheel, die in bijna alle gevallen wel een oplossing kunnen bieden.
Feit is echter wel dat de wetgever zich bijna geheel tot de hoofdlijnen heeft beperkt. Daardoor bestonden en bestaan op detailniveau veel onbeantwoorde rechtsvragen, althans ruimte voor de rechtspraak om aan rechtsontwikkeling te doen.1 Met name heeft de wetgever weinig aandacht besteed aan de vraag wat de betekenis van het recht buiten Afdeling 2 van Titel 8 Boek 2 BW is voor het treffen van (onmiddellijke) voorzieningen.
Is dat een gemiste kans? De praktijk laat in ieder geval zien dat de rechtspraak de geboden ruimte voor rechtsontwikkeling gebruikt om tot (creatieve) oplossingen te komen. Het is maar de vraag of deze oplossingen aan de tekentafel van de wetgever bedacht zouden zijn.
Neem bijvoorbeeld de bevoegdheid van de ondernemingskamer om door middel van tijdelijk afwijken van de statuten de emissiebevoegdheid te verleggen van de aandeelhoudersvergadering naar het bestuur en voorbij te gaan aan het voorkeursrecht van de aandeelhouders. Zoals in par. 3.7 ter sprake kwam, is deze mogelijkheid min of meer toevallig ontstaan. De mogelijkheid om de emissiebevoegdheid en het voorkeursrecht in de statuten te regelen, vindt zijn oorsprong in de gedachte dat de aandeelhouders van een BV nauw genoeg betrokken zijn bij de vaststelling en wijziging van de statuten om deze kwesties aan deze statuten over te laten. Indien de wetgever zich had gerealiseerd dat dit tevens aan de ondernemingskamer de mogelijkheid verschaft om de aandeelhouders buiten spel te zetten bij een emissie, dan is denkbaar dat de wetgever dit had opgevat als een onwenselijke aantasting van aandeelhoudersrechten en zich niet zou hebben gerealiseerd dat hierdoor ook ondernemingen kunnen worden gered. Voorstelbaar is dat de wetgever in dat geval had voorzien in additionele bescherming van aandeelhoudersrechten die aan noodzaakfinanciering in de weg had gestaan.
Daarnaast bevindt het enquêterecht zich niet in een vacuüm. In de gevallen dat (onmiddellijke) voorzieningen in het enquêterecht leiden tot rechtsvragen, kan het antwoord daarop vaak worden gevonden in het recht buiten Afdeling 2 van Titel 8 Boek 2 BW.
Dat betekent echter niet dat het in alle gevallen gelukkig uitpakt dat de wetgever niet heeft voorzien in de details van (onmiddellijke) voorzieningen. Daardoor kunnen immers onwenselijke situaties optreden die zouden zijn verhinderd, indien de wetgever zich deze zou hebben gerealiseerd.
Zoals in hoofdstuk 17 ter sprake zal komen, gaan de aandelen die tijdelijk ten titel van beheer worden overgedragen over op het vermogen van de beheerder. Indien de beheerder vervolgens sterft, gaan de aandelen door erfopvolging over naar zijn erfgenamen. Ook kunnen de schuldeisers van de beheerder zich verhalen op de desbetreffende aandelen. Indien de wetgever zich dat had gerealiseerd, dan zou daarvoor een regeling zijn getroffen.
Daarnaast zou de rechtszekerheid zijn gebaat, indien de wetgever zou hebben voorzien in een regeling. Justitiabelen hoeven dat niet via trial and error uit te vinden hoe het recht in elkaar zit en weten waar zij aan toe zijn.
Zoals in par. 14.6 ter sprake zal komen, is onduidelijk of er een tijdslimiet verbonden is aan de mogelijkheid om besluiten te vernietigen in het kader van de enquêteprocedure en zo ja, welk regime deze tijdslimiet bepaalt, wanneer de desbetreffende termijn ingaat en hoe lang deze duurt. Aangenomen mag worden dat op een gegeven moment in de rechtspraak tot een billijk regime zal worden gekomen, maar in de tussentijd weet niemand tot wanneer het mogelijk is om een besluit te vernietigen in het kader van de enquêteprocedure.