Einde inhoudsopgave
Bestuurdersaansprakelijkheid in theorie (IVOR nr. 108) 2017/9.2.2
9.2.2 Van Dullemen/Sala (nakomingsfrustratie)
mr. W.A. Westenbroek, datum 01-09-2017
- Datum
01-09-2017
- Auteur
mr. W.A. Westenbroek
- JCDI
JCDI:ADS343661:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
HR 31 januari 1958, NJ 1958, 251 (Van Dullemen/Sala).
Bijvoorbeeld door nagenoeg alle vermogensbestanddelen te onttrekken (‘leegtrekken’), door bepaalde vermogensbestanddelen buiten de vennootschap te houden, door middel van uitkeringen op aandelen en/of het selectief verrichten van onverplichte betalingen. Zie o.a.: HR 26 maart 2010, NJ 2010, 189 (Zandvliet/ING Bank), HR 11 september 2009,NJ 2009, 565 m.nt. H.J. Snijders en P. van Schilfgaarde (Comsystems/Van den End q.q.), HR 17 juni 2005, JOR 2005/234 m.nt. S.M. Bartman (De Berghorst/Maas), HR 3 april 1992, NJ 1992, 411 m.nt. J.M.M. Maeijer (Van Waning/Van der Vliet), Hof’s-Hertogenbosch 16 maart 2010, RN 2013/17 (X./Etesmi), Hof Amsterdam 27 maart 2012, RN 2012/96, Hof Arnhem 27 november 2012, JIN 2013/9 m.nt. F.M. van Peski en P.J. Peters, Rb. Utrecht 7 november 2012, RO 2013/12 (DAM Invest/X.) en Rb. Arnhem 14 december 2011, ECLI:NL:RBARN:2011:BV0508 (Kampschöer/Le Roux FruitExporters).
De Hoge Raad overwoog in het in 1958 gewezen arrest Van Dullemen/Sala1 dat de weigering van een natuurlijk persoon als orgaan van een vennootschap om een verbintenis van die vennootschap na te komen, onder omstandigheden als een onrechtmatige daad van die natuurlijk persoon jegens een derde kan worden aangemerkt. De Hoge Raad overwoog:
“dat in het bijzonder in de te dezen door het Hof vastgestelde omstandigheden moet worden geoordeeld dat de zorgvuldigheid welke [V]an Dullemen persoonlijk naar verkeersnormen t.a.v. Sala c.s. had in acht te nemen medebracht dat hij zijn volle medewerking gaf aan de ontruiming per 31 Dec. van het door de naaml. venn. van Sala c.s. gehuurde, zodat het tegenwerken van die ontruiming [door] [V]an Dullemen als een onrechtmatige daad jegens Sala c.s. is aan te rekenen.”
De Hoge Raad heeft in deze zaak, aan de hand van concrete door het hof vastgestelde omstandigheden, een maatschappelijke betamelijkheidsnorm (of zorgvuldigheidsnorm) geconcretiseerd (hetgeen ik als rechtsverfijning aanmerk), die persoonlijk op de bestuurder rustte. In deze casus luidde deze norm – kort gezegd – ‘indien de vennootschap waarvan gij bestuurder bent het verhuurde dient te ontruimen, bent u als bestuurder onder deze omstandigheden persoonlijk jegens de huurder gehouden om daar volle medewerking aan te verlenen’. Er zijn hierna vergelijkbare normen in de jurisprudentie ontwikkeld als gevolg waarvan een bestuurder aansprakelijk is indien hij de nakoming van verplichtingen van de vennootschap frustreert, dan wel indien hij feitelijke betalingsonmacht creëert met voorzienbare benadeling van haar crediteur(en) tot gevolg (verhaalsfrustratie/betalingsonwil).2 Ik zal daar hierna niet verder op ingaan. In het kader van dit proefschrift vat ik deze normen samen als de ‘nakomingsfrustratie-norm’.