Nemo tenetur in belastingzaken
Einde inhoudsopgave
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/10.4.1:10.4.1 Inleiding
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/10.4.1
10.4.1 Inleiding
Documentgegevens:
Mr. L.C.A. Wijsman, datum 27-11-2016
- Datum
27-11-2016
- Auteur
Mr. L.C.A. Wijsman
- JCDI
JCDI:ADS497121:1
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
EHRM 29 juni 2007 (O’Halloran en Francis t. Verenigd Koninkrijk), NJ 2008, 25 (m.nt. Alkema); FED 2008/81 (m.aant. Thomas), § 59.
EHRM 10 januari 2008 (Lückhof en Spanner t. Oostenrijk), § 56.
EHRM 11 juli 2006 (Jalloh t. Duitsland), NJ 2007, 226 (m.nt. Schalken); NJCM-Bulletin, jrg. 32 (2007) (m.nt. Van Kempen), § 120.
EHRM 10 maart 2009 (Bykov t. Rusland), § 104.
Vgl. EHRM 10 maart 2009 (Bykov t. Rusland).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Met betrekking tot de gedwongen bewijsgaring bij de verdachte en het (latere) bewijsgebruik tegen hem, kunnen verschillende waarborgen spelen die een beperking van het recht tegen gedwongen zelfbelasting in het strafproces compenseren. Welke dat zijn, wordt uiteindelijk bepaald door de nationale wetgeving, rechtspraak en praktijk. Het is ondoenlijk om deze uitputtend te noemen. Ik beperk mij tot enkele voorbeelden uit de Straatsburgse rechtspraak.
In de zaak O’Halloran en Francis wijst het EHRM op de omstandigheid dat de eigenaar van de auto waarmee een verkeersovertreding werd begaan en op wie een informatieplicht rustte, zichzelf kon disculperen wanneer hij niet kon weten wie de auto ten tijde van de overtreding bestuurde. De Engelse regeling behelsde geen strafaansprakelijkheid, terwijl het risico van onbetrouwbare verklaringen was te verwaarlozen.1 Nadien constateert het Hof in Lückhof en Spanner dat de in het geding zijnde Oostenrijkse voorschriften, de autoriteiten verplichten om informatie zo nodig te verifiëren en bezitters van een auto te vrijwaren van bestraffing, wanneer het niet verstrekken van informatie hen niet kan worden verweten.2 In Bykov wijst het Hof op het gebrek aan normering van de bewijsgaring in het Russische rechtssysteem. De mogelijkheid voor de klager om het bewijs onrechtmatig te (doen) verklaren in een gerechtelijke procedure, werd hierdoor ondermijnd. Zie ook Jalloh. Daarin wijst het Hof erop dat de Duitse strafwetgeving voorschrijft dat lichamelijk onderzoek in het kader van de bewijsgaring moet worden uitgevoerd door een arts in een ziekenhuis (en dan nog alleen als er geen risico is dat betrokkenes gezondheid hierdoor wordt aangetast).3
Waarborgen bewijsgaring
Enkele waarborgnormen keren vaker terug in de nemo tenetur-jurisprudentie. Voor wat betreft de waarborgen omtrent de bewijsgaring in het vooronderzoek (‘pre trial proceedings’), lijkt het Hof vooral belang te hechten aan het recht op rechtsbijstand en de cautieplicht (zie § 10.4.2). De waarborgen betreffende het bewijsgebruik tijdens het strafgeding zelf, concentreren zich rond het rechterlijk toezicht op de toelaatbaarheid en betrouwbaarheid van het bewijs (‘the safeguards which surrounded the evaluation of the admissibility and reliability of the evidence concerned’)4 en bewijsuitsluiting (§ 10.4.3). Aan toetsing van deze waarborgen wordt niet toegekomen, wanneer de schending van het recht tegen gedwongen zelfbelasting tijdens het vooronderzoek betekent dat de verdachte van aanvang af een behoorlijk strafproces is onthouden en dit niet kan worden hersteld door de rechter die over de gegrondheid van de criminal charge moet oordelen.5