Procestaal: Kroatisch.
HvJ EU, 23-03-2023, nr. C-726/21
ECLI:EU:C:2023:764
- Instantie
Hof van Justitie van de Europese Unie
- Datum
23-03-2023
- Magistraten
A. Arabadjiev, T. von Danwitz, P. G. Xuereb, A. Kumin, I. Ziemele
- Zaaknummer
C-726/21
- Conclusie
N. Emiliou
- Roepnaam
INTER CONSULTING
- Vakgebied(en)
EU-recht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:EU:C:2023:764, Uitspraak, Hof van Justitie van de Europese Unie, 12‑10‑2023
ECLI:EU:C:2023:240, Conclusie, Hof van Justitie van de Europese Unie, 23‑03‑2023
Uitspraak 12‑10‑2023
Inhoudsindicatie
Prejudiciële verwijzing — Justitiële samenwerking in strafzaken — Schengenuitvoeringsovereenkomst — Artikel 54 — Handvest van de grondrechten van de Europese Unie — Artikel 50 — Beginsel ne bis in idem — Beoordeling aan de hand van de feiten die zijn vermeld in de motivering van de uitspraak — Beoordeling aan de hand van de feiten die zijn onderzocht in het kader van een onderzoeksprocedure en die zijn weggelaten in de tenlastelegging — Begrip ‘dezelfde feiten’
A. Arabadjiev, T. von Danwitz, P. G. Xuereb, A. Kumin, I. Ziemele
Partij(en)
In zaak C-726/21,*
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Županijski sud u Puli-Pola (rechter in eerste aanleg Pula, Kroatië) bij beslissing van 24 november 2021, ingekomen bij het Hof op 30 november 2021, in de strafprocedure tegen
GR,
HS,
IT,
in tegenwoordigheid van:
Županijsko državno odvjetništvo u Puli-Pola,
wijst
HET HOF (Eerste kamer),
samengesteld als volgt: A. Arabadjiev, kamerpresident, T. von Danwitz, P. G. Xuereb (rapporteur), A. Kumin en I. Ziemele, rechters,
advocaat-generaal: N. Emiliou,
griffier: M. Longar, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 11 januari 2023,
gelet op de opmerkingen van:
- —
GR, vertegenwoordigd door J. Grlić, odvjetnik, en B. Wiesinger, Rechtsanwalt,
- —
HS, vertegenwoordigd door V. Drenški-Lasan, odvjetnica,
- —
Županijsko državno odvjetništvo u Puli-Pola, vertegenwoordigd door E. Putigna, odvjetnik,
- —
De Kroatische regering, vertegenwoordigd door G. Vidović Mesarek als gemachtigde,
- —
de Oostenrijkse regering, vertegenwoordigd door A. Posch, J. Schmoll en F. Zeder als gemachtigden,
- —
de Europese Commissie, vertegenwoordigd door H. Dockry, M. Mataija en M. Wasmeier als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 23 maart 2023,
het navolgende
Arrest
1
Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 54 van de op 19 juni 1990 te Schengen ondertekende en op 26 maart 1995 in werking getreden Overeenkomst ter uitvoering van het tussen de regeringen van de staten van de Benelux Economische Unie, de Bondsrepubliek Duitsland en de Franse Republiek op 14 juni 1985 te Schengen gesloten akkoord betreffende de geleidelijke afschaffing van de controles aan de gemeenschappelijke grenzen (PB 2000, L 239, blz. 19) (Schengenuitvoeringsovereenkomst; hierna: ‘SUO’), en van artikel 50 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: ‘Handvest’).
2
Dit verzoek is ingediend in het kader van een strafprocedure tegen GR, HS en IT, die ervan worden beschuldigd dat zij in Kroatië feiten hebben gepleegd of hebben aangezet tot of hebben geholpen bij het plegen van feiten die worden gekwalificeerd als misbruik van vertrouwen bij handelstransacties.
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
SUO
3
De SUO is gesloten ter uitvoering van het tussen de regeringen van de staten van de Benelux Economische Unie, de Bondsrepubliek Duitsland en de Franse Republiek op 14 juni 1985 te Schengen gesloten akkoord betreffende de geleidelijke afschaffing van de controles aan de gemeenschappelijke grenzen (PB 2000, L 239, blz. 13).
4
Artikel 54 SUO is opgenomen in hoofdstuk 3, met als opschrift ‘Toepassing van het beginsel ne bis in idem’. Dit artikel luidt:
‘Een persoon die bij onherroepelijk vonnis door een overeenkomstsluitende partij is berecht, kan door een andere overeenkomstsluitende partij niet worden vervolgd ter zake van dezelfde feiten, op voorwaarde dat ingeval een straf of maatregel is opgelegd, deze reeds is ondergaan of daadwerkelijk ten uitvoer wordt gelegd, dan wel op grond van de wetten van de veroordelende overeenkomstsluitende partij niet meer ten uitvoer gelegd kan worden.’
5
- ‘1.
Indien door een overeenkomstsluitende partij iemand een strafbaar feit ten laste wordt gelegd en de bevoegde autoriteiten van deze overeenkomstsluitende partij redenen hebben om aan te nemen dat de tenlastelegging dezelfde feiten betreft als die ter zake waarvan deze persoon reeds bij onherroepelijk vonnis is berecht door een andere overeenkomstsluitende partij, verzoeken deze autoriteiten, indien zij zulks nodig achten, de bevoegde autoriteiten van de overeenkomstsluitende partij op wier grondgebied reeds vonnis werd gewezen om de nodige inlichtingen in dezen.
- 2.
De aldus gevraagde inlichtingen worden zo spoedig mogelijk verstrekt en worden in overweging genomen bij de beslissing of de vervolging dient te worden voortgezet.’
Kroatisch recht
6
Artikel 31, lid 2, van de Ustav Republike Hrvatske (grondwet van de Republiek Kroatië) bepaalt:
‘Niemand mag opnieuw worden berecht of strafrechtelijk worden vervolgd voor een handeling waarvoor hij reeds is vrijgesproken of veroordeeld bij een onherroepelijke beslissing die door een rechter overeenkomstig de wet is gewezen.’
7
Volgens artikel 246, leden 1 en 2, van de Kazneni zakon (wetboek van strafrecht), in de versie die van toepassing is op de feiten van het hoofdgeding, is misbruik van vertrouwen bij handelstransacties een strafbaar feit van economische aard.
8
Artikel 12, lid 1, van de Zakon o kaznenom postupku (wetboek van strafvordering) bepaalt:
‘Niemand mag een tweede keer strafrechtelijk worden vervolgd voor een strafbaar feit waarvoor hij reeds is berecht en waarover een onherroepelijke rechterlijke uitspraak is gedaan.’
Oostenrijks recht
9
§ 190 van de Strafprozessordnung (wetboek van strafvordering; hierna: ‘Oostenrijks wetboek van strafvordering’) bepaalt:
‘Het openbaar ministerie gaat niet over tot strafrechtelijke vervolging en beëindigt het onderzoek voor zover:
- 1.
het aan het onderzoek ten grondslag liggende strafbare feit ingevolge de wet niet strafbaar is of wanneer verdere strafrechtelijke vervolging van de betrokkene om juridische redenen ontoelaatbaar is; of
- 2.
er geen feitelijke grondslag is op basis waarvan de betrokkene verder vervolgd kan worden.’
10
§ 193, lid 2, van het Oostenrijkse wetboek van strafvordering bepaalt:
‘Het openbaar ministerie kan een onderzoek dat op grond van de §§ 190 of 191 is beëindigd, voortzetten, op voorwaarde dat de strafrechtelijke vervolging niet is verjaard en dat:
- 1.
de betrokkene met betrekking tot dit strafbare feit niet is gehoord (§§ 164 en 165) en er geen dwangmaatregel tegen hem is vastgesteld, of dat
- 2.
nieuwe feiten of bewijselementen aan het licht komen of bekend worden die, afzonderlijk of in combinatie met andere resultaten van de procedure, een adequate grondslag kunnen vormen voor de veroordeling van de betrokkene of voor de handelwijze overeenkomstig afdeling 11.’
Hoofdgeding en prejudiciële vraag
11
Ten tijde van de feiten in het hoofdgeding was GR lid van de raad van bestuur van Skiper Hoteli d.o.o. en Interco Umag d.o.o., Umag (hierna: ‘Interco’), rechtsvoorganger van INTER Consulting d.o.o. Zij was tevens vennoot bij Rezidencija Skiper d.o.o. en had aandelen in Alterius d.o.o. HS was voorzitter van de raad van bestuur van Interco en had eveneens aandelen in Alterius. IT hield zich bezig met het taxeren van onroerend goed.
12
Op 28 september 2015 heeft de Županijsko državno odvjetništvo u Puli (parket van het district Pula, Kroatië; hierna: ‘parket van Pula’) een tenlastelegging uitgevaardigd jegens GR, HS, IT en Interco (hierna: ‘Kroatische tenlastelegging’). Daarbij werden GR en Interco beschuldigd van misbruik van vertrouwen bij handelstransacties in de zin van artikel 246, leden 1 en 2, van het Kroatische wetboek van strafrecht, in de versie die van toepassing is op de feiten van het hoofdgeding, en werd HS en IT verweten te hebben aangezet tot, respectievelijk te hebben geholpen bij het plegen van dat strafbare feit.
13
Uit die Kroatische tenlastelegging, zoals die is weergegeven in het verzoek om een prejudiciële beslissing, blijkt dat GR en HS tussen december 2004 en juni 2006 ervoor hebben gezorgd dat Interco onroerende goederen aankocht op verschillende aan elkaar grenzende percelen in de gemeente Savudrija (Kroatië), de door Skiper Hoteli beoogde locatie voor een vastgoedproject voor toeristische accommodatie. Vervolgens hebben diezelfde personen ervoor gezorgd dat Skiper Hoteli die onroerende goederen overnam tegen een prijs die beduidend hoger was dan de marktprijs, zodat Interco een onrechtmatig voordeel genoot ten koste van Skiper Hoteli.
14
In die Kroatische tenlastelegging is voorts vermeld dat GR en HS tussen november 2004 en november 2005 eveneens zouden hebben gehandeld met als oogmerk de aandelen die GR en andere door GR vertegenwoordigde vennootschappen in Alterius hielden — waarbij de oorspronkelijke inbreng van activa van Alterius bestond uit onroerende goederen die waren gebouwd op aan elkaar grenzende percelen op het grondgebied van de gemeente Savudrija — te verkopen aan Skiper Hoteli tegen een prijs die beduidend hoger was dan de reële waarde van die aandelen. Daartoe zouden GR en HS de onroerende goederen in kwestie via Rezidencija Skiper en met medeplichtigheid van IT voor een te hoge waarde hebben laten taxeren.
15
De Kroatische tenlastelegging is bevestigd bij beslissing van 5 mei 2016 van de strafkamer van de verwijzende rechterlijke instantie, de Županijski sud u Puli (rechter in eerste aanleg Pula, Kroatië).
16
Ter zake van een strafprocedure die wegens dezelfde feiten in Oostenrijk zou zijn ingeleid, wijst de verwijzende rechter erop dat de Oostenrijkse justitiële autoriteiten inderdaad vervolging hadden ingesteld tegen twee voormalige leden van de directie van Hypo Alpe Adria Bank International AG (hierna: ‘Hypo Alpe Adria Bank’), een bank in Oostenrijk, en tegen GR en HS als medeplichtigen van die twee voormalige leden van de directie. Volgens de tenlastelegging (hierna: ‘Oostenrijkse tenlastelegging’) die is opgesteld door de Staatsanwaltschaft Klagenfurt (parket van Klagenfurt, Oostenrijk) en op 9 januari 2015 is ingediend bij het Landesgericht Klagenfurt (rechter in eerste aanleg Klagenfurt, Oostenrijk), werd die voormalige directieleden misbruik van vertrouwen in de zin van het Strafgesetzbuch (wetboek van strafrecht) verweten omdat zij tussen september 2002 en juli 2005 voor een totaalbedrag van ten minste 105 miljoen EUR kredieten aan Rezidencija Skiper en aan Skiper Hoteli hadden goedgekeurd, zonder de vereisten in verband met de inbreng van voldoende eigen middelen en het toezicht op het gebruik van de middelen in acht te hebben genomen en zonder rekening te hebben gehouden met, ten eerste, het gebrek aan documentatie in verband met de concretisering van de projecten die de verlening van die kredieten rechtvaardigden en, ten tweede, de ontoereikendheid van zowel de betalingsgarantie-instrumenten als de terugbetalingscapaciteit van de betrokken vennootschappen. Voorts werd GR en HS verweten dat zij, door om die kredieten te verzoeken, de voormalige directieleden ertoe hadden aangezet het strafbare feit in kwestie te plegen of hadden bijgedragen tot het plegen van het feit.
17
Na een verzoek van HS heeft het parket van Klagenfurt, bij brief van 16 juli 2015 die was gericht aan de advocaten van HS, onder meer bevestigd dat de Oostenrijkse tenlastelegging, wat betreft de vervolging die was ingesteld tegen GR en HS, eveneens betrekking had op de verkoop van onroerende goederen via Alterius aan Skiper Hoteli voor een buitensporig hoge prijs en op de verdachte betaling van projectmanagementkosten.
18
Bij vonnis van het Landesgericht Klagenfurt van 3 november 2016 (hierna: ‘Oostenrijks onherroepelijk vonnis’) zijn de twee voormalige leden van de directie van Hypo Alpe Adria Bank gedeeltelijk schuldig bevonden aan de feiten die hun werden verweten en zijn zij veroordeeld omdat zij één van de aan Skiper Hoteli verleende kredieten ten belope van meer dan 70 miljoen EUR (hierna: ‘krediet in kwestie’) hadden goedgekeurd. GR en HS zijn daarentegen vrijgesproken van de beschuldiging dat zij zouden hebben aangezet tot, respectievelijk zouden hebben bijgedragen tot het plegen van de strafbare feiten die de voormalige leden van de directie van Hypo Alpe Adria Bank werden verweten. Dit vonnis is onherroepelijk geworden nadat het beroep in Revision dat tegen dat vonnis was ingesteld bij het Oberste Gerichtshof (hoogste federale rechter in civiele en strafzaken, Oostenrijk), op 4 maart 2019 was verworpen.
19
Voorts vermeldt de verwijzende rechter dat het parket van Pula, dat eveneens in kennis was gesteld van andere strafbare feiten in verband met Hypo Alpe Adria Bank, het parket van Klagenfurt in 2014 herhaaldelijk heeft verzocht om na te gaan of dat parket in Oostenrijk een procedure had lopen die parallel liep aan de in Kroatië ingeleide procedure. In het licht van de door het parket van Klagenfurt verstrekte informatie, die in wezen identiek was aan de informatie die is weergegeven in de Oostenrijkse tenlastelegging, heeft het parket van Pula zich op het standpunt gesteld dat de door het parket van Klagenfurt en door het Landesgericht Klagenfurt onderzochte feiten juridisch niet relevant waren voor de kwalificatie van het in de strafprocedure van het hoofdgeding aan de orde zijnde strafbare feit, dat die feiten geen verband hielden met de feiten die in de Kroatische tenlastelegging waren beschreven en dat deze dus niet hoefden te worden beschouwd als reeds berechte feiten.
20
De verwijzende rechter verduidelijkt dat overeenkomstig de Kroatische rechtspraak enkel de feiten die zijn opgenomen in de dispositieven van de procedurele handelingen, zoals beschikkingen van inverdenkingstelling, beschikkingen van buitenvervolgingstelling, tenlasteleggingen en rechterlijke uitspraken, een onherroepelijk karakter hebben. Bijgevolg worden in het kader van de toepassing van het beginsel ne bis in idem enkel de feiten vergeleken die zijn vermeld in de dispositieven van deze procedurele handelingen.
21
In deze context is de verwijzende rechter van oordeel dat er wat GR en HS betreft mogelijk sprake is van een ‘onlosmakelijk verband zowel vanuit inhoudelijk oogpunt als in plaats en tijd’ tussen enerzijds de in de Kroatische tenlastelegging genoemde feiten en anderzijds de in de Oostenrijkse tenlastelegging genoemde feiten, de in het dictum en de motivering van het Oostenrijkse onherroepelijke vonnis genoemde feiten en de feiten ter zake waarvan het parket van Klagenfurt de onderzoeksprocedure tegen met name GR en HS heeft ingesteld en die vervolgens in de Oostenrijkse tenlastelegging zijn weggelaten.
22
Wat om te beginnen de vraag betreft of er sprake is van dezelfde materiële feiten, brengt de verwijzende rechter in herinnering dat HS in het Oostenrijkse onherroepelijke vonnis is vrijgesproken van de beschuldiging dat hij in de periode van begin 2002 tot en met begin juli 2005, door om de verlening van een krediet te verzoeken en door meermaals het kredietdossier in te dienen, de twee voormalige directieleden van de Hypo Alpe Adria Bank had aangezet tot het plegen van bepaalde strafbare feiten, met name het strafbare feit het krediet in kwestie te verlenen zonder een toereikend dossier en zonder een inschatting van de terugbetalingscapaciteit van het krediet. GR is vrijgesproken van de beschuldiging dat zij in de periode van 9 augustus 2003 tot en met begin juli 2005 had bijgedragen tot het plegen van de strafbare feiten door die personen, voor zover zij als bestuurder van Rezidencija Skiper en Skiper Hoteli had verzocht om de verlening van kredieten, daaronder begrepen het krediet in kwestie, door daartoe onderhandelingen te voeren, het kredietdossier in te dienen en de kredietovereenkomsten te tekenen, hetgeen had geleid tot de door Hypo Alpe Adria Bank geleden schade. In dit verband blijkt uit de motivering van het Oostenrijkse onherroepelijke vonnis dat Skiper Hoteli het krediet in kwestie heeft gebruikt voor de aankoop van goederen en aandelen tegen prijzen die beduidend hoger waren dan de marktprijzen.
23
De verwijzende rechter is van oordeel dat deze omstandigheden, die zijn opgenomen in het dictum en in de motivering van het Oostenrijkse onherroepelijke vonnis, in verband moeten worden gebracht met het onderzoek dat het parket van Klagenfurt heeft ingesteld tegen GR en HS en dat betrekking heeft op andere feiten dan de feiten in de Oostenrijkse tenlastelegging, waarvan zij in dat vonnis zijn vrijgesproken. Aangezien het namelijk om dezelfde feiten gaat als de feiten in de Kroatische tenlastelegging, heeft het parket van Klagenfurt aldus onderzocht of de onroerende goederen en de betreffende aandelen, die met behulp van het krediet in kwestie waren gekocht, bij de verwezenlijking van het door Skiper Hoteli geplande vastgoedproject tegen een te hoge prijs waren gekocht.
24
Bijgevolg heeft het parket van Klagenfurt ter zake van deze omstandigheden een onderzoeksprocedure ingeleid, maar deze procedure ten aanzien van GR en HS beëindigd. Het parket van Klagenfurt heeft GR en HS door middel van een kennisgeving enkel meegedeeld dat de ten aanzien van hen ingestelde onderzoeksprocedure in de ‘zaak Skiper’ op grond van § 190, punt 2, van het Oostenrijkse wetboek van strafvordering was beëindigd ter zake van het in § 153, leden 1 en 2, van het Oostenrijkse wetboek van strafrecht neergelegde strafbare feit van misbruik van vertrouwen, voor zover dit niet werd gedekt door de Oostenrijkse tenlastelegging, wegens onvoldoende bewijs, met name wat het oogmerk betreft om schade te berokkenen, of wegens het ontbreken van voldoende concrete aanwijzingen voor gedragingen die binnen de werkingssfeer van het strafrecht vallen. Het parket van Klagenfurt heeft dit onderzoek dus beëindigd op basis van feiten die niet zijn vermeld in het dictum van het Oostenrijkse onherroepelijke vonnis.
25
Wat vervolgens de vraag betreft of er een verband in tijd bestaat tussen de in punt 22 van het onderhavige arrest bedoelde feiten, is de verwijzende rechter van oordeel dat de datum van de verlening van het krediet in kwestie en de datum van de in Kroatië gepleegde feiten gedeeltelijk samenvallen, aangezien het strafbare feit, waarvan GR en HS overeenkomstig het dictum van het Oostenrijkse onherroepelijke vonnis zijn vrijgesproken, is gepleegd in de periode van 2002 tot en met juli 2005, terwijl de feiten in de Kroatische tenlastelegging betrekking hebben op de jaren 2004 tot en met 2006. Deze overlapping in tijd wordt verklaard door het feit dat de verlening van het krediet in kwestie noodzakelijkerwijs voorafging aan de in Kroatië gepleegde feiten. Zonder dit krediet had Skiper Hoteli de onroerende goederen en aandelen in Kroatië immers niet kunnen kopen.
26
Ten slotte blijkt het verband in plaats tussen die feiten uit het feit dat in het Oostenrijkse onherroepelijke vonnis is vermeld dat het krediet in kwestie bestemd was voor de aankoop in Kroatië van onroerende goederen en aandelen voor de verwezenlijking, eveneens in Kroatië, van het door Skiper Hoteli beoogde vastgoedproject.
27
Daarop heeft de Županijski sud u Puli-Pola de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag:
‘Is bij de beoordeling van een schending van het beginsel ne bis in idem alleen een vergelijking mogelijk tussen de feiten die zijn vermeld in de [Kroatische] tenlastelegging […] en de belangrijkste feiten die zijn vermeld in de [Oostenrijkse] tenlastelegging […] en in het dictum van het [Oostenrijkse definitieve] vonnis […],
of kunnen de feiten die zijn vermeld in de [Kroatische] tenlastelegging […] tevens worden vergeleken met de feiten die zijn vermeld in de motivering van het [Oostenrijkse definitieve] vonnis […], alsook met de feiten waarop het onderzoek betrekking had dat door de Staatsanwaltschaft Klagenfurt is gevoerd tegen verschillende personen, onder wie GR en HS, en die vervolgens zijn weggelaten uit de [Oostenrijkse] tenlastelegging […] (en niet in die tenlastelegging waren genoemd)?’
Beantwoording van de prejudiciële vraag
Ontvankelijkheid
28
De Oostenrijkse regering werpt een exceptie van niet-ontvankelijkheid van het verzoek om een prejudiciële beslissing op, omdat de gestelde vraag irrelevant is voor de uitkomst van het hoofdgeding en hypothetisch van aard is.
29
Deze regering betoogt dat de strafprocedure in Oostenrijk en de bij de verwijzende rechter aanhangige strafprocedure niet zijn gebaseerd op ‘dezelfde feiten’ in de zin van artikel 54 SUO, ongeacht of er enkel een vergelijking moet plaatsvinden met de Oostenrijkse tenlastelegging of het Oostenrijkse onherroepelijke vonnis, dan wel of een vollediger onderzoek moet worden verricht waarbij ook rekening wordt gehouden met de motivering van dit vonnis en, in voorkomend geval, met de inhoud van de onderzoeksprocedure die tot dat vonnis heeft geleid.
30
Uit een vergelijking van de Oostenrijkse tenlastelegging en de Kroatische tenlastelegging blijkt namelijk dat de in Oostenrijk en Kroatië gevoerde strafprocedures elk een verschillend voorwerp hebben en betrekking hebben op verschillende slachtoffers. Deze vaststelling wordt ook bevestigd door de vergelijking van de Kroatische tenlastelegging met de motivering van het Oostenrijkse onherroepelijke vonnis en de onderzoeken van het parket van Klagenfurt in andere strafprocedures.
31
Meer in het bijzonder is de Oostenrijkse regering van mening dat de in Oostenrijk gevoerde strafprocedure tot doel had GR en HS strafrechtelijk aansprakelijk te stellen in verband met de vermogensschade die Hypo Alpe Adria Bank had geleden door onhoudbare kredieten te verlenen, terwijl de in Kroatië gevoerde strafprocedure tot doel had GR en HS strafrechtelijk aansprakelijk te stellen voor de vermogensschade die Skiper Hoteli had geleden door de aankoop, tegen beweerdelijk buitensporige prijzen, van onroerende goederen en aandelen van vennootschappen die onroerende goederen houden. Daarnaast had de Oostenrijkse procedure geen betrekking kunnen hebben op de mogelijke handelingen van GR jegens Skiper Hoteli, omdat de Oostenrijkse autoriteiten daartoe onbevoegd waren, aangezien GR Kroatisch staatsburger en ingezetene is, en Skiper Hoteli een in Kroatië geregistreerde vennootschap.
32
In dit verband zij eraan herinnerd dat het volgens vaste rechtspraak van het Hof in het kader van de in artikel 267 VWEU geregelde samenwerking tussen het Hof en de nationale rechterlijke instanties uitsluitend een zaak is van de nationale rechter aan wie het geschil is voorgelegd en die de verantwoordelijkheid draagt voor de te geven rechterlijke beslissing om, rekening houdend met de bijzonderheden van het geval, zowel de noodzaak van een prejudiciële beslissing voor het wijzen van zijn vonnis als de relevantie van de vragen die hij aan het Hof voorlegt te beoordelen. Wanneer de gestelde vragen betrekking hebben op de uitlegging van het Unierecht, is het Hof derhalve in beginsel verplicht daarop te antwoorden (arrest van 4 juni 2020, Kancelaria Medius, C-495/19, EU:C:2020:431, punt 21 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
33
Hieruit vloeit voort dat er een vermoeden van relevantie rust op de vragen inzake de uitlegging van het Unierecht die de nationale rechter heeft gesteld binnen het onder zijn eigen verantwoordelijkheid geschetste feitelijke en juridische kader, ten aanzien waarvan het niet aan het Hof is de juistheid te onderzoeken. Het Hof kan een verzoek van een nationale rechterlijke instantie enkel afwijzen wanneer de gevraagde uitlegging van het Unierecht kennelijk op generlei wijze verband houdt met een reëel geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding, wanneer het vraagstuk hypothetisch van aard is of voorts wanneer het Hof niet beschikt over de feitelijke en juridische gegevens die noodzakelijk zijn om een zinvol antwoord te geven op de gestelde vragen (arrest van 4 juni 2020, Kancelaria Medius, C-495/19, EU:C:2020:431, punt 22 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
34
Voorts moet het Hof in het kader van de bevoegdheidsverdeling tussen de Unierechter en de nationale rechter uitgaan van de in de verwijzingsbeslissing omschreven feitelijke en juridische context waarin de prejudiciële vragen moeten worden geplaatst. Bijgevolg moet de prejudiciële vraag, ongeacht de kritiek van de Oostenrijkse regering op de door de verwijzende rechter gemaakte beoordeling van de feiten, worden onderzocht op basis van die beoordeling (zie naar analogie arrest van 7 april 2022, Caixabank, C-385/20, EU:C:2022:278, punt 38 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
35
In casu gaat de verwijzende rechter uit van de feitelijke premisse dat niet is uitgesloten dat er wat GR en HS betreft sprake kan zijn van een onlosmakelijk verband zowel vanuit inhoudelijk oogpunt als in plaats en tijd tussen de in de Kroatische tenlastelegging genoemde feiten en de in de Oostenrijkse tenlastelegging genoemde feiten, de in het dictum en de motivering van het Oostenrijkse onherroepelijke vonnis genoemde feiten en de feiten waarvoor het parket van Klagenfurt de onderzoeksprocedure heeft gevoerd ten aanzien van met name GR en HS, en die vervolgens in de Oostenrijkse tenlastelegging zijn weggelaten.
36
Voorts is de verwijzende rechter van oordeel dat de vraag of al dan niet rekening is gehouden met de feiten die zijn vermeld in de motivering van het Oostenrijkse onherroepelijke vonnis en met de feiten waarvoor het parket van Klagenfurt de onderzoeksprocedure heeft gevoerd ten aanzien van GR en HS, die vervolgens in de Oostenrijkse tenlastelegging zijn weggelaten, doorslaggevend is in het kader van het onderzoek van het bestaan van een ‘onlosmakelijk verband zowel vanuit inhoudelijk oogpunt als in plaats en tijd’ voor de toepassing van artikel 54 SUO. Bijgevolg is het verzoek om een prejudiciële beslissing niet hypothetisch van aard.
37
Uit het voorgaande volgt dat het verzoek om een prejudiciële beslissing ontvankelijk is.
Ten gronde
38
Vooraf zij eraan herinnerd dat het beginsel ne bis in idem een van de grondbeginselen van het Unierecht vormt, dat thans is verankerd in artikel 50 van het Handvest [arrest van 28 oktober 2022, Generalstaatsanwaltschaft München (Uitlevering en ne bis in idem), C-435/22 PPU, EU:C:2022:852, punt 64 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
39
Dit beginsel, dat ook in artikel 54 SUO is verankerd, vloeit bovendien voort uit de constitutionele tradities die de lidstaten gemeen hebben. Artikel 54 SUO moet dan ook worden uitgelegd in het licht van artikel 50 van het Handvest, waarvan het de wezenlijke inhoud eerbiedigt [arrest van 28 oktober 2022, Generalstaatsanwaltschaft München (Uitlevering en ne bis in idem), C-435/22 PPU, EU:C:2022:852, punt 65].
40
Derhalve moet worden geoordeeld dat de verwijzende rechter met zijn vraag in wezen wenst te vernemen of artikel 54 SUO, gelezen in het licht van artikel 50 van het Handvest, aldus moet worden uitgelegd dat in het kader van de beoordeling van de eerbiediging van het beginsel ne bis in idem enkel rekening moet worden gehouden met de feiten die zijn vermeld in de tenlastelegging die door de bevoegde autoriteiten van een andere lidstaat is opgesteld en met de feiten in het dictum van het onherroepelijke vonnis dat in die andere lidstaat is gewezen, dan wel ook rekening moet worden gehouden met alle in de motivering van dat vonnis vermelde feiten, daaronder begrepen de feiten waarop de onderzoeksprocedure betrekking had maar die niet in de tenlastelegging zijn opgenomen.
41
Gelet op de in de punten 20 tot en met 26 van het onderhavige arrest uiteengezette twijfel van de verwijzende rechter, moet eerst uitlegging worden gegeven over de in artikel 54 SUO genoemde voorwaarden, alvorens aan de verwijzende rechter aanwijzingen te verstrekken met het oog op de beoordeling van die voorwaarden in het kader van het hoofdgeding.
Artikel 54 SUO
42
Het verzoek om een prejudiciële beslissing is volgens de verwijzende rechter ingediend omdat de Kroatische rechterlijke instanties overeenkomstig de Kroatische rechtspraktijk bij de beoordeling of het beginsel ne bis in idem van toepassing is, enkel rekening mogen houden met de feiten die zijn vermeld in de dispositieven van de procedurele handelingen, zoals beschikkingen van inverdenkingstelling, beschikkingen van buitenvervolgingstelling, tenlasteleggingen en rechterlijke uitspraken. Deze rechter is van oordeel dat er een mogelijkheid bestaat dat hij op basis van de feiten die zijn vermeld in de motivering van de procedurele handelingen van een andere lidstaat, in casu de Republiek Oostenrijk, daaronder begrepen de feiten waarop de onderzoeksprocedure betrekking had maar die niet in de tenlastelegging zijn opgenomen, in het kader van het hoofdgeding tot de slotsom kan komen dat er sprake is van ‘dezelfde feiten’ in de zin van artikel 54 SUO.
43
Volgens vaste rechtspraak van het Hof dient bij de uitlegging van een Unierechtelijke bepaling niet alleen rekening te worden gehouden met haar bewoordingen, maar ook met haar context en met de doelstellingen die worden nagestreefd met de regeling waarvan zij deel uitmaakt [arrest van 28 oktober 2022, Generalstaatsanwaltschaft München (Uitlevering en ne bis in idem), C-435/22 PPU, EU:C:2022:852, punt 67].
44
Blijkens de bewoordingen van artikel 54 SUO kan een lidstaat een persoon niet vervolgen ter zake van dezelfde feiten als die waarvoor hij reeds bij onherroepelijk vonnis door een andere lidstaat is berecht, op voorwaarde dat ingeval een straf of maatregel is opgelegd, deze reeds is ondergaan of daadwerkelijk ten uitvoer wordt gelegd, dan wel op grond van de wetten van laatstgenoemde staat niet meer ten uitvoer kan worden gelegd.
45
Voor de toepassing van het beginsel ne bis in idem moet zijn voldaan aan een tweeledige voorwaarde, namelijk dat er sprake is van een eerdere definitieve beslissing (‘bis’) en dat de eerdere beslissing en de latere vervolgingsmaatregelen of beslissingen betrekking hebben op dezelfde feiten (‘idem’) (arrest van 22 maart 2022 bpost, C-117/20, EU:C:2022:202, punt 28).
46
In dat verband zij er om te beginnen op gewezen dat in de bewoordingen van artikel 54 SUO geen gewag wordt gemaakt van voorwaarden ten aanzien van de factoren die in overweging moeten worden genomen bij het onderzoek van de vraag of de procedure die bij een rechterlijke instantie van een lidstaat aanhangig is, betrekking heeft op dezelfde feiten als de feiten in een eerdere procedure die met een onherroepelijke uitspraak in een andere lidstaat is afgesloten.
47
Uit de bewoordingen van deze bepaling kan dus niet worden afgeleid dat bij de beoordeling van de voorwaarde ‘idem’ uitsluitend rekening moet worden gehouden met de feiten die in de dispositieven van de nationale procedurele handelingen zijn vermeld, en dat de feiten die zijn vermeld in de motivering van de procedurele handelingen van een andere lidstaat met het oog op die beoordeling niet in overweging mogen worden genomen.
48
Verder wordt deze vaststelling bevestigd door de context van die bepaling.
49
Ten eerste bepaalt artikel 50 van het Handvest — in het licht waarvan artikel 54 SUO moet worden uitgelegd — namelijk dat niemand opnieuw wordt berecht of gestraft in een strafrechtelijke procedure voor een strafbaar feit waarvoor hij in de Unie reeds onherroepelijk is vrijgesproken of veroordeeld overeenkomstig de wet. Artikel 50 van het Handvest bevat evenmin specifieke aanwijzingen over de factoren waarmee rekening moet worden gehouden bij het onderzoek van de voorwaarde ‘idem’, zodat in het kader van een dergelijk onderzoek derhalve niet bij voorbaat kan worden uitgesloten dat er rekening moet worden gehouden met de feiten die zijn vermeld in de motivering van de procedurele handelingen van een andere lidstaat.
50
Ten tweede bepaalt artikel 57, lid 1, SUO dat indien iemand in een lidstaat een strafbaar feit ten laste wordt gelegd en de bevoegde autoriteiten van die lidstaat redenen hebben om aan te nemen dat de tenlastelegging dezelfde feiten betreft als die waarop een onherroepelijk vonnis in een andere lidstaat betrekking had, deze autoriteiten, indien zij zulks nodig achten, de bevoegde autoriteiten van de lidstaat op wiens grondgebied dat vonnis werd gewezen, kunnen verzoeken om de nodige inlichtingen in dezen. In lid 2 van deze bepaling staat dat de aldus gevraagde inlichtingen zo spoedig mogelijk worden verstrekt en in overweging worden genomen bij de beslissing of de vervolging dient te worden voortgezet.
51
In dit verband heeft artikel 57 SUO een samenwerkingskader opgezet waardoor de bevoegde autoriteiten van de tweede lidstaat de autoriteiten van die eerste lidstaat om de relevante juridische informatie kunnen verzoeken teneinde bijvoorbeeld verduidelijking te verkrijgen over de precieze aard van een op het grondgebied van die eerste lidstaat gegeven beslissing of over de precieze feiten waarop deze beslissing betrekking heeft (zie in die zin arrest van 22 december 2008, Turanský, C-491/07, EU:C:2008:768, punt 37).
52
Vastgesteld moet worden dat volgens deze bepaling die informatie in overweging moet worden genomen bij de beoordeling van een eventuele schending van het beginsel ne bis in idem. Zoals de advocaat-generaal in punt 42 van zijn conclusie heeft opgemerkt, kan op basis van een nationale rechtspraktijk waarbij de nationale rechter verplicht wordt enkel rekening te houden met de informatie die is opgenomen in bepaalde specifieke delen van de procedurele handelingen, in casu de dispositieven van deze handelingen, met uitsluiting van alle andere informatie die deze rechter zou kunnen ontvangen van de autoriteiten van de lidstaat die om relevante informatie is verzocht, de nuttige werking van artikel 57 SUO niet worden gegarandeerd.
53
Anders dan in de Kroatische rechtspraktijk het geval lijkt te zijn, kan een nationale rechterlijke instantie zoals de verwijzende rechter dan ook niet worden verplicht om, in het kader van het onderzoek van het in artikel 54 van de SUO neergelegde beginsel ne bis in idem, enkel de feiten in overweging te nemen die zijn vermeld in de dispositieven van de procedurele handelingen van een andere lidstaat.
54
Ten slotte is de uitlegging van artikel 54 SUO dat de nationale rechterlijke instantie van de tweede lidstaat eveneens rekening moet houden met de feiten die in de motivering van die handelingen zijn vermeld en met alle relevante informatie over de materiële feiten in eerdere, met een definitieve beslissing afgesloten strafprocedure in de eerste lidstaat, de enige uitlegging die het mogelijk maakt het doel van deze bepaling te laten prevaleren boven procedurele of zuiver formele aspecten, die overigens per lidstaat kunnen verschillen, en een nuttige toepassing van bedoeld artikel waarborgt (zie naar analogie arrest van 10 maart 2005, Miraglia, C-469/03, EU:C:2005:156, punt 31).
55
Die bepaling heeft namelijk tot doel om binnen de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht te voorkomen dat een bij onherroepelijk vonnis berechte persoon die zijn recht van vrij verkeer uitoefent, dientengevolge wegens dezelfde feiten wordt vervolgd op het grondgebied van meerdere lidstaten, en om aldus de rechtszekerheid te waarborgen door de naleving van onherroepelijk geworden beslissingen van openbare instanties te verzekeren bij het ontbreken van harmonisatie of onderlinge aanpassing van het strafrecht van de lidstaten (arrest van 29 juni 2016, Kossowski, C-486/14, EU:C:2016:483, punt 44).
56
Artikel 54 SUO impliceert noodzakelijkerwijs dat de lidstaten wederzijds vertrouwen hebben in elkaars strafrechtsstelsels en dat elk van die lidstaten aanvaardt dat het strafrecht wordt toegepast dat van kracht is in de andere lidstaten, ook al zou de toepassing van zijn eigen nationale recht tot een andere oplossing leiden. Dit wederzijdse vertrouwen vereist dat de betrokken bevoegde autoriteiten van de tweede lidstaat ermee instemmen de relevante juridische informatie in overweging te nemen die zij van de eerste lidstaat kunnen ontvangen [zie naar analogie arrest van 28 oktober 2022, Generalstaatsanwaltschaft München (Uitlevering en ne bis in idem), C-435/22 PPU, EU:C:2022:852, punt 93].
57
Dat wederzijdse vertrouwen kan evenwel slechts standhouden indien de tweede lidstaat aan de hand van de door de eerste lidstaat toegezonden stukken kan nagaan of, ten eerste, de desbetreffende beslissing van de bevoegde autoriteiten van deze eerste lidstaat inderdaad een onherroepelijke beslissing is en, ten tweede, of de feiten waarop deze beslissing betrekking heeft, gekwalificeerd kunnen worden als ‘dezelfde feiten’ in de zin van artikel 54 SUO (zie naar analogie arrest van 29 juni 2016, Kossowski, C-486/14, EU:C:2016:483, punt 52).
58
Hieruit volgt dat de nationale rechter van de tweede lidstaat, zoals de verwijzende rechter, in het kader van de beoordeling van de eerbiediging van het in artikel 54 SUO neergelegde beginsel ne bis in idem niet alleen de feiten in overweging moet nemen die zijn vermeld in de dispositieven van de door een eerste lidstaat meegedeelde procedurele handelingen, maar ook de in de motivering van die handelingen vermelde feiten en alle relevante informatie over de materiële feiten in een eerdere, met een definitieve beslissing afgesloten strafprocedure in de eerste lidstaat.
Voorwaarde ‘bis’ en voorwaarde ‘idem’
59
Teneinde de verwijzende rechter een zo nuttig mogelijk antwoord te geven, moet op basis van het dossier waarover het Hof beschikt en onder voorbehoud van de door deze rechter te verrichten verificaties nog worden beoordeeld of er, in het kader van de toepassing van het beginsel ne bis in idem en zoals volgt uit de in punt 45 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte rechtspraak, in casu ten eerste sprake is van een eerdere definitieve beslissing (‘bis’), en of ten tweede de latere vervolgingsmaatregelen of beslissingen betrekking hebben op dezelfde feiten (‘idem’).
60
Met betrekking tot de voorwaarde ‘bis’ moet in de eerste plaats het recht tot strafvordering definitief vervallen zijn, opdat een persoon kan worden geacht wegens de hem ten laste gelegde feiten bij onherroepelijk vonnis te zijn berecht in de zin van artikel 54 SUO (arrest van 29 juni 2016, Kossowski, C-486/14, EU:C:2016:483, punt 34 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
61
Of aan deze eerste voorwaarde is voldaan, moet worden beoordeeld op basis van het recht van de lidstaat die de desbetreffende strafrechtelijke beslissing heeft gegeven. Een beslissing die volgens het recht van de lidstaat die een strafvervolging tegen een persoon heeft ingesteld, niet tot gevolg heeft dat het recht van strafvordering op nationaal niveau definitief vervalt, kan namelijk in beginsel geen procedurele belemmering vormen voor het instellen of het voortzetten van een strafvervolging tegen deze persoon wegens dezelfde feiten in een andere lidstaat (arrest van 29 juni 2016, Kossowski, C-486/14, EU:C:2016:483, punt 35 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
62
Wat in casu het Oostenrijkse onherroepelijke vonnis betreft, een dergelijke beslissing heeft volgens de verwijzende rechter krachtens Oostenrijks recht gezag van gewijsde en staat in de weg aan een nieuwe procedure voor dezelfde feiten, hetgeen de Oostenrijkse regering in haar schriftelijke opmerkingen en ter terechtzitting bij het Hof niet heeft ontkend. Hieruit zou volgen dat dit vonnis tot gevolg heeft dat het recht van strafvordering ten aanzien van GR en HS in die lidstaat definitief vervalt, aangezien zij zijn vrijgesproken van de aanklacht dat zij hebben aangezet of bijgedragen tot het plegen van de strafbare feiten die de voormalige directieleden van Hypo Alpe Adria Bank werden verweten.
63
Het staat evenwel aan de verwijzende rechter om na te gaan, zo nodig door gebruik te maken van het samenwerkingsmechanisme van artikel 57 SUO, of dit inderdaad het gevolg is van het Oostenrijkse onherroepelijke vonnis.
64
Ten aanzien van de beslissing van het parket van Klagenfurt om het onderzoek — dat met name betrekking had op GR en HS uit hoofde van de aanklacht van misbruik van vertrouwen — op grond van § 190, punt 2, van het Oostenrijkse wetboek van strafvordering gedeeltelijk te beëindigen vanwege gebrek aan bewijs, moet worden vastgesteld dat in het verzoek om een prejudiciële beslissing niet wordt verduidelijkt wat het rechtskarakter van deze beslissing is.
65
Voorts zij eraan herinnerd dat artikel 54 SUO, dat dient te voorkomen dat een persoon die gebruikmaakt van zijn recht op vrij verkeer voor dezelfde feiten wordt vervolgd op het grondgebied van meerdere lidstaten, slechts nuttig kan bijdragen tot de volledige verwezenlijking van dat doel indien het tevens toepasselijk is op beslissingen waarbij strafvervolging in een lidstaat definitief wordt beëindigd, ook al komen zij tot stand zonder rechterlijke tussenkomst en worden zij niet genomen in de vorm van een vonnis (arrest van 11 februari 2003, Gözütok en Brügge, C-187/01 en C-385/01, EU:C:2003:87, punt 38).
66
In dit verband staat het aan de verwijzende rechter om na te gaan, zo nodig door gebruik te maken van het samenwerkingsmechanisme van artikel 57 van de SUO, of een dergelijke beslissing van het parket van Klagenfurt, genomen op grond van § 190, punt 2, van het Oostenrijkse wetboek van strafvordering, tot gevolg heeft dat het recht tot strafvordering in Oostenrijk definitief is vervallen.
67
Om vast te stellen of een beslissing van het openbaar ministerie, als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, om het onderzoek wegens gebrek aan bewijs gedeeltelijk af te sluiten een onherroepelijk vonnis is waarbij iemand is berecht in de zin van artikel 54 SUO, moet in de tweede plaats worden nagegaan of die beslissing is gegeven na een beoordeling van de zaak ten gronde (zie naar analogie arrest van 29 juni 2016, Kossowski, C-486/14, EU:C:2016:483, punt 42 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
68
Daartoe heeft het Hof geoordeeld dat een beslissing van de justitiële autoriteiten van een lidstaat waardoor een verdachte onherroepelijk is vrijgesproken omdat het feit niet is bewezen, op een dergelijke beoordeling is gebaseerd (arrest van 5 juni 2014, M, C-398/12, EU:C:2014:1057, punt 29 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
69
In casu blijkt uit het verzoek om een prejudiciële beslissing dat in Oostenrijk tegen GR en HS een onderzoeksprocedure is ingeleid wegens andere feiten dan die welke uiteindelijk in de Oostenrijkse tenlastelegging zijn opgenomen. Zoals blijkt uit punt 24 van het onderhavige arrest heeft het parket van Klagenfurt zich ertoe beperkt GR en HS ervan in kennis te stellen dat de ten aanzien van hen ingestelde onderzoeksprocedure in de ‘zaak Skiper’, wat betreft het in § 153, leden 1 en 2, van het Oostenrijkse wetboek van strafrecht neergelegde strafbare feit van misbruik van vertrouwen, op grond van § 190, punt 2, van het Oostenrijkse wetboek van strafvordering was beëindigd, zodat de Oostenrijkse tenlastelegging geen betrekking had op dat strafbare feit, wegens gebrek aan bewijs, met name wat het oogmerk betreft om schade te berokkenen, of wegens het ontbreken van voldoende concrete aanwijzingen voor gedragingen die binnen de werkingssfeer van het strafrecht vallen. Het parket van Klagenfurt heeft dit onderzoek dus beëindigd op basis van feiten die niet zijn vermeld in het dictum van het Oostenrijkse onherroepelijke vonnis.
70
Opdat een beslissing van het openbaar ministerie om het onderzoek gedeeltelijk te beëindigen wegens gebrek aan bewijs, welke beslissing is genomen na een onderzoek waarbij uiteenlopende bewijsmiddelen zijn vergaard en onderzocht, kan worden beschouwd als een beoordeling ten gronde, dient deze beslissing in dit verband een onherroepelijke beoordeling te bevatten van de ontoereikendheid van deze bewijzen, en elke mogelijkheid uit te sluiten dat de zaak wordt heropend op basis van hetzelfde geheel van aanwijzingen (zie in die zin arrest van 5 juni 2014, M, C-398/12, EU:C:2014:1057, punt 30). Gelet op het gebrek aan informatie waarover het Hof dienaangaande beschikt, staat het in casu aan de verwijzende rechter om na te gaan of dit in het hoofdgeding het geval is.
71
Wat de voorwaarde ‘idem’ betreft — die moet worden onderzocht in het licht van de in de punten 38 en 39 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte rechtspraak — volgt al uit de bewoordingen van artikel 50 van het Handvest dat dit artikel verbiedt dat dezelfde persoon voor hetzelfde strafbare feit meer dan één keer strafrechtelijk wordt vervolgd of bestraft [arrest van 23 maart 2023, Generalstaatsanwaltschaft Bamberg (Uitzondering op het beginsel ne bis in idem), C-365/21, EU:C:2023:236, punt 34 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
72
In dit verband zij eraan herinnerd dat volgens vaste rechtspraak van het Hof het relevante criterium om te beoordelen of sprake is van een en hetzelfde strafbare feit in de zin van artikel 50 van het Handvest, is dat de materiële feiten dezelfde zijn, in die zin dat er sprake is van een geheel van concrete omstandigheden die onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn en die tot de vrijspraak of onherroepelijke veroordeling van de betrokkene hebben geleid. Op grond van dit artikel is het dus verboden om voor dezelfde feiten meerdere sancties van strafrechtelijke aard op te leggen die uit verschillende met het oog daarop gevoerde procedures voortvloeien [arrest van 23 maart 2023, Generalstaatsanwaltschaft Bamberg (Uitzondering op het beginsel ne bis in idem), C-365/21, EU:C:2023:236, punt 35 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
73
Voorts blijkt ook uit de rechtspraak van het Hof dat de nationaalrechtelijke kwalificatie van de feiten en het beschermde rechtsgoed irrelevant zijn voor de constatering dat er van een en hetzelfde strafbare feit sprake is, aangezien de omvang van de door artikel 50 van het Handvest geboden bescherming niet van lidstaat tot lidstaat mag verschillen [arrest van 23 maart 2023, Generalstaatsanwaltschaft Bamberg (Uitzondering op het beginsel ne bis in idem), C-365/21, EU:C:2023:236, punt 36 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
74
In dit verband moet nog worden verduidelijkt dat de voorwaarde ‘idem’ vereist dat de materiële feiten dezelfde zijn. Derhalve vindt het beginsel ne bis in idem geen toepassing wanneer de feiten in kwestie niet dezelfde maar slechts soortgelijk zijn [arrest van 23 maart 2023, Generalstaatsanwaltschaft Bamberg (Uitzondering op het beginsel ne bis in idem), C-365/21, EU:C:2023:236, punt 37 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
75
De gelijkheid van de materiële feiten wordt namelijk opgevat als een geheel van concrete omstandigheden die voortvloeien uit gebeurtenissen die in wezen dezelfde zijn, aangezien daarbij dezelfde dader betrokken is en zij onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn in tijd en plaats [arrest van 23 maart 2023, Generalstaatsanwaltschaft Bamberg (Uitzondering op het beginsel ne bis in idem), C-365/21, EU:C:2023:236, punt 38 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
76
Indien de materiële feiten daarentegen niet een dergelijk geheel vormen, heeft het Hof reeds geoordeeld dat de enkele omstandigheid dat de rechterlijke instantie waarbij de tweede procedure is ingeleid constateert dat de vermeende pleger van deze feiten met hetzelfde misdadig opzet heeft gehandeld, niet kan volstaan om te verzekeren dat er sprake is van een geheel van onderling onlosmakelijk met elkaar verbonden concrete omstandigheden, dat onder het begrip ‘dezelfde feiten’ in de zin van artikel 54 SUO valt (arrest van 18 juli 2007, Kraaijenbrink, C-367/05, EU:C:2007:444, punt 29).
77
In casu volgt uit de verwijzingsbeslissing dat de Kroatische tenlastelegging betrekking heeft op strafbare feiten die GR en HS tussen 2004 en 2006 zouden hebben gepleegd. Voorts benadrukt de verwijzende rechter dat het strafrechtelijk onderzoek tegen GR en HS in Oostenrijk, dat door het parket van Klagenfurt is beëindigd, betrekking had op materiële feiten die zich tussen 2002 en juli 2005 hebben voorgedaan en die identiek zijn aan de feiten in de Kroatische tenlastelegging. Deze rechter merkt op dat dat onderzoek ten dele betrekking had op feiten die zijn opgenomen in de Kroatische tenlastelegging, hetgeen kan worden verklaard uit het feit dat de verlening van het krediet in kwestie in Oostenrijk voorafging aan de feiten die in Kroatië zijn gepleegd. Zonder dit krediet zou de aankoop in Kroatië van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde onroerende goederen en aandelen immers niet mogelijk zijn geweest.
78
De gestelde vraag berust op de premisse dat de feiten waarop de Kroatische tenlastelegging betrekking heeft dezelfde zijn als die waarop het Oostenrijkse onherroepelijke vonnis betrekking heeft, voor zover ook rekening moet worden gehouden met de motivering van de in Oostenrijk verrichte procedurele handelingen.
79
Dienaangaande staat het aan de verwijzende rechter, die daartoe als enige bevoegd is, om na te gaan of de feiten waarop de Kroatische tenlastelegging betrekking heeft, dezelfde zijn als die ter zake waarvan een onherroepelijk vonnis is uitgesproken in Oostenrijk. Dit laat onverlet dat het Hof deze rechter aanwijzingen kan verschaffen over de uitlegging van het Unierecht in het kader van de beoordeling van de gelijkheid van die feiten [zie naar analogie arrest van 23 maart 2023, Generalstaatsanwaltschaft Bamberg (Uitzondering op het beginsel ne bis in idem), C-365/21, EU:C:2023:236, punt 39 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
80
In dit verband blijkt ten eerste uit punt 58 van het onderhavige arrest dat de verwijzende rechter in het kader van het onderzoek van de voorwaarde ‘idem’ niet alleen de feiten in overweging moet nemen die zijn vermeld in de dispositieven van de door een eerste lidstaat meegedeelde procedurele handelingen, maar ook de in de motivering van die handelingen vermelde feiten en alle relevante informatie over de materiële feiten in een eerdere, met een definitieve beslissing afgesloten strafprocedure in de eerste lidstaat.
81
Voorts kan het beginsel ne bis in idem zich niet uitstrekken tot eventuele strafbare feiten die weliswaar zijn gepleegd in dezelfde periode als de strafbare feiten waarover bij definitieve beslissing uitspraak is gedaan in een andere lidstaat, maar die andere materiële feiten betreffen dan die welke aan deze beslissing ten grondslag liggen [zie naar analogie arrest van 28 oktober 2022, Generalstaatsanwaltschaft München (Uitlevering en ne bis in idem), C-435/22 PPU, EU:C:2022:852, punt 135 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
82
In dit verband staat het aan de verwijzende rechter om op basis van een beoordeling van alle relevante omstandigheden na te gaan of het Oostenrijkse onherroepelijke vonnis en de mogelijk definitieve beslissing van het parket Klagenfurt om het onderzoek betreffende de ‘zaak Skiper’ te beëindigen, ten eerste betrekking hadden op feiten op grond waarvan Skiper Hoteli vermogensschade heeft geleden die door GR en HS is berokkend door de aankoop van gronden tegen verhoogde prijzen, en ten tweede betrekking hadden op dezelfde periode als de Kroatische tenlastelegging.
83
Indien dit na die beoordeling niet het geval zou zijn, zou deze rechter moeten vaststellen dat de bij hem aanhangige procedure geen betrekking heeft op dezelfde feiten als die welke hebben geleid tot het Oostenrijkse onherroepelijke vonnis en de mogelijk definitieve beslissing van het parket van Klagenfurt, zodat het beginsel ne bis in idem, in de zin van artikel 54 SUO, gelezen in het licht van artikel 50 van het Handvest, niet in de weg staat aan een nieuwe strafvervolging.
84
Indien de verwijzende rechter daarentegen van oordeel is dat het Oostenrijkse onherroepelijke vonnis en de mogelijk definitieve beslissing van het parket van Klagenfurt zijn vastgesteld en dat GR en HS zijn bestraft of vrijgesproken voor dezelfde feiten als die waarop de Kroatische strafprocedure betrekking heeft, dan zou deze rechter moeten vaststellen dat de bij hem aanhangige procedure betrekking heeft op dezelfde feiten als ten grondslag liggen aan dat onherroepelijke vonnis en die mogelijk definitieve beslissing. Een dergelijke cumulatie van vervolgingsmaatregelen en eventuele sancties zou in strijd zijn met het beginsel ne bis in idem in de zin van artikel 54 van de SUO, gelezen in het licht van artikel 50 van het Handvest.
85
Gelet op een en ander dient op de gestelde vraag te worden geantwoord dat artikel 54 SUO, gelezen in het licht van artikel 50 van het Handvest, aldus moet worden uitgelegd dat in het kader van de beoordeling van de eerbiediging van het beginsel ne bis in idem niet alleen de feiten in overweging moeten worden genomen die zijn vermeld in de door de bevoegde autoriteiten van een andere lidstaat opgestelde tenlastelegging en in het dictum van de in die andere lidstaat gewezen onherroepelijke rechterlijke beslissing, maar ook de feiten die zijn vermeld in de motivering van die rechterlijke beslissing en de feiten waarop het onderzoek betrekking had maar die niet zijn opgenomen in de tenlastelegging, en ook alle relevante informatie over de materiële feiten in een eerdere, met een definitieve beslissing afgesloten strafprocedure in die andere lidstaat.
Kosten
86
Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Eerste kamer) verklaart voor recht:
Artikel 54 van de op 19 juni 1990 te Schengen ondertekende en op 26 maart 1995 in werking getreden Overeenkomst ter uitvoering van het tussen de regeringen van de staten van de Benelux Economische Unie, de Bondsrepubliek Duitsland en de Franse Republiek op 14 juni 1985 te Schengen gesloten akkoord betreffende de geleidelijke afschaffing van de controles aan de gemeenschappelijke grenzen, gelezen in het licht van artikel 50 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,
moet aldus worden uitgelegd dat
in het kader van de beoordeling van de eerbiediging van het beginsel ne bis in idem niet alleen de feiten in overweging moeten worden genomen die zijn vermeld in de door de bevoegde autoriteiten van een andere lidstaat opgestelde tenlastelegging en in het dictum van de in die andere lidstaat gewezen onherroepelijke rechterlijke beslissing, maar ook de feiten die zijn vermeld in de motivering van die rechterlijke beslissing en de feiten waarop het onderzoek betrekking had maar die niet zijn opgenomen in de tenlastelegging, en ook alle relevante informatie over de materiële feiten in een eerdere, met een definitieve beslissing afgesloten strafprocedure in die andere lidstaat.
ondertekeningen
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 12‑10‑2023
Conclusie 23‑03‑2023
Inhoudsindicatie
Prejudiciële verwijzing — Justitiële samenwerking in strafzaken — Overeenkomst ter uitvoering van het Schengenakkoord — Beginsel ne bis in idem — Delen van de procedurele handelingen waarnaar de nationale rechter moet verwijzen om de gevolgen van het beginsel ne bis in idem te onderzoeken — Dictum — Motivering — Feiten ter zake waarvan de strafprocedure is beëindigd
N. Emiliou
Partij(en)
Zaak C-726/211.
Županijsko državno odvjetništvo u Puli-Pola
tegen
GR,
HS,
IT,
en
INTER CONSULTING d.o.o.
[verzoek van de Županijski sud u Puli-Pola (rechter in eerste aanleg Pula, Kroatië) om een prejudiciële beslissing]
I. Inleiding
1.
De feiten van de onderhavige zaak zijn vrij complex. In het hoofdgeding, dat in Kroatië aanhangig is, zijn meerdere personen beschuldigd van het berokkenen van financiële schade aan een Kroatische vennootschap in het kader van de uitvoering van een project voor toeristische accommodatie in Kroatië. In de loop van de procedure is gebleken dat twee van deze personen in Oostenrijk zijn vrijgesproken van strafbare feiten in verband met het verduisteren van middelen van een Oostenrijkse bank die dit project financierde. Bovendien is de aanvankelijke vervolging van deze personen in Oostenrijk gedeeltelijk beëindigd wegens een gebrek aan bewijs met betrekking tot andere feiten in verband met hetzelfde project. Na onderzoek van de gegevens in het dossier is de precieze omvang van het deel van de vervolging dat is beëindigd, echter onduidelijk gebleven.
2.
De Županijski sud u Puli-Pola (rechter in eerste aanleg Pula, Kroatië), de verwijzende rechter, merkt op dat het beginsel ne bis in idem in de weg kan staan aan de bij hem aanhangige procedure vanwege de reeds in Oostenrijk gevoerde procedure. De precieze conclusie die op dat punt moet worden getrokken, hangt echter in wezen af van de mate waarin die rechter rekening kan houden met informatie uit die eerdere procedurele handelingen die in het kader van die procedure zijn vastgesteld. Het lijkt er inderdaad op dat Kroatische rechterlijke instanties volgens de Kroatische rechtspraktijk bij de beoordeling of de door het beginsel ne bis in idem geboden bescherming in werking treedt, enkel de informatie mogen meewegen die in bepaalde delen van de procedurele handelingen, zoals de tenlastelegging of het dictum van een onherroepelijke uitspraak, is verstrekt.
3.
In deze context vraagt de verwijzende rechter zich meer in het bijzonder af of voor de toepassing van het in artikel 54 van de Overeenkomst ter uitvoering van het Schengenakkoord (hierna: ‘SUO’)2. verankerde beginsel ne bis in idem enkel rekening moet worden gehouden met de belangrijkste feiten die zijn vermeld in de tenlastelegging, uitgevaardigd door een openbaar ministerie van een andere lidstaat, en in het dictum van een onherroepelijke uitspraak gewezen in een andere lidstaat, dan wel of ook rekening moet worden gehouden met de feiten die zijn vermeld in de motivering van die uitspraak en ter zake waarvan de vervolging is beëindigd.
II. Toepasselijke bepalingen
A. Unierecht
4.
Artikel 50 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: ‘Handvest’) bepaalt: ‘Niemand wordt opnieuw berecht of gestraft in een strafrechtelijke procedure voor een strafbaar feit waarvoor hij in de Unie reeds onherroepelijk is vrijgesproken of veroordeeld overeenkomstig de wet.’
5.
Artikel 54 SUO bepaalt dat ‘[e]en persoon die bij onherroepelijk vonnis door een overeenkomstsluitende partij is berecht, […] door een andere overeenkomstsluitende partij niet [kan] worden vervolgd ter zake van dezelfde feiten, op voorwaarde dat ingeval een straf of maatregel is opgelegd, deze reeds is ondergaan of daadwerkelijk ten uitvoer wordt gelegd, dan wel op grond van de wetten van de veroordelende overeenkomstsluitende partij niet meer ten uitvoer gelegd kan worden’.
6.
Artikel 57 SUO luidt als volgt:
- ‘1.
Indien door een overeenkomstsluitende partij iemand een strafbaar feit ten laste wordt gelegd en de bevoegde autoriteiten van deze overeenkomstsluitende partij redenen hebben om aan te nemen dat de tenlastelegging dezelfde feiten betreft als die ter zake waarvan deze persoon reeds bij onherroepelijk vonnis is berecht door een andere overeenkomstsluitende partij, verzoeken deze autoriteiten, indien zij zulks nodig achten, de bevoegde autoriteiten van de overeenkomstsluitende partij op wier grondgebied reeds vonnis werd gewezen om de nodige inlichtingen in dezen.
- 2.
De aldus gevraagde inlichtingen worden zo spoedig mogelijk verstrekt en worden in overweging genomen bij de beslissing of de vervolging dient te worden voortgezet.
[…]’
B. Nationaal recht
7.
Overeenkomstig artikel 31, lid 2, van de Ustav Republike Hrvatske (grondwet van de Republiek Kroatië)3. mag niemand een tweede keer worden berecht of strafrechtelijk worden vervolgd voor een strafbaar feit waarvoor hij reeds onherroepelijk is vrijgesproken of veroordeeld overeenkomstig de wet.
8.
Overeenkomstig artikel 12, lid 1, van de Zakon o kaznenom postupku (wetboek van strafvordering, Kroatië)4. mag niemand een tweede keer strafrechtelijk worden vervolgd voor een strafbaar feit waarvoor hij reeds is berecht en waarover een onherroepelijke rechterlijke uitspraak is gedaan.
III. Feiten, nationale procedure en prejudiciële vraag
9.
Ten tijde van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde feiten was GR lid van de raad van bestuur van Skiper Hoteli d.o.o. (hierna: ‘Skiper Hoteli’) en Interco Umag d.o.o., rechtsvoorganger van INTER CONSULTING (hierna: ‘Interco’, in liquidatie). GR was tevens lid van de raad van bestuur van Rezidencija Skiper d.o.o. (hierna: ‘Rezidencija Skiper’) en beschikte over aandelen in Alterius d.o.o. (hierna: ‘Alterius’). Al deze vennootschappen zijn (of waren) kennelijk in Kroatië geregistreerd. HS was directeur van Interco, terwijl IT zich bezighield met vastgoedtaxaties.
10.
Op 28 september 2015 heeft de Županijsko državno odvjetništvo u Puli (parket van het openbaar ministerie van het district Pula, Kroatië; hierna: ‘parket van Pula’) een tenlastelegging opgesteld jegens GR, HS en IT alsook tegen Interco. GR en Interco werden beschuldigd van misbruik van vertrouwen in handelstransacties in de zin van artikel 246, leden 1 en 2, van de Kazneni zakon (wetboek van strafrecht, Kroatië). Bovendien werd HS beschuldigd van aanzetting tot dit strafbare feit en IT beschuldigd van hulp bij het plegen ervan.
11.
GR en HS werden ervan beschuldigd er in de context van een project voor de bouw van nieuwe toeristische accommodatie in Savudrija (een Kroatische gemeente) voor te hebben gezorgd dat Interco via Interco een onrechtmatig vermogensvoordeel ten koste van Skiper Hoteli heeft verkregen, doordat Skiper Hoteli in een door hen opgezette constructie onroerend goed in Savudrija heeft gekocht tegen prijzen die aanzienlijk hoger waren dan de marktwaarde ervan.
12.
De tenlastelegging vermeldt ook dat GR, HS en IT extra financiële schade hebben berokkend aan Skiper Hoteli door Skiper Hoteli aandelen in een andere Kroatische vennootschap (Alterius) te laten kopen tegen een prijs die aanzienlijk hoger was dan de werkelijke waarde ervan.
13.
De verwijzende rechter heeft gevonnist in overeenstemming met de door het parket van Pula opgestelde tenlastelegging.
14.
In de loop van de oorspronkelijke procedure had HS echter aangevoerd dat voor dezelfde feiten reeds strafvervolging tegen hem was ingesteld in Oostenrijk. Het parket van Pula heeft dus in 2014 contact opgenomen met de Staatsanwaltschaft Klagenfurt (parket van het openbaar ministerie van Klagenfurt, Oostenrijk; hierna: ‘Staatsanwaltschaft Klagenfurt’) om na te gaan of inderdaad een soortgelijke procedure aanhangig was. De Državno odvjetništvo Republike Hrvatske (nationaal openbaar ministerie, Kroatië) heeft in 2016 contact opgenomen met het Oostenrijkse ministerie van Justitie met een soortgelijk verzoek. Volgens de verwijzende rechter blijkt uit de antwoorden van de Oostenrijkse autoriteiten dat in Oostenrijk strafvervolging was ingesteld tegen BB en CC, twee voormalige leden van de raad van bestuur van de in Oostenrijk gevestigde Hypo Alpe Adria Bank International AG (hierna: ‘Hypo Bank’) wegens het strafbare feit van misbruik van vertrouwen in de zin van § 153, leden 1 en 2, van het Strafgesetzbuch (wetboek van strafrecht, Oostenrijk; hierna: ‘StGB’), alsook tegen HS en GR als medeplichtigen bij dit strafbare feit.
15.
Meer in het bijzonder werden BB en CC er volgens de tenlastelegging, die op 9 januari 2015 door de Staatsanwaltschaft Klagenfurt bij het Landesgericht Klagenfurt (rechter in eerste aanleg Klagenfurt, Oostenrijk; hierna: ‘LG Klagenfurt’) is ingediend, van beschuldigd dat zij in de periode van september 2002 tot en met juli 2005 verschillende kredieten voor Rezidencija Skiper en Skiper Hoteli hadden goedgekeurd hoewel een adequaat projectdossier en een inschatting van de terugbetalingscapaciteit ontbraken, waardoor Hypo Bank financiële schade ten belope van ten minste 105 miljoen EUR is berokkend. HS en GR werden ervan beschuldigd dat zij BB en CC er door te verzoeken om toekenning van deze kredieten toe hebben aangezet deze strafbare feiten te plegen dan wel dat zij tot het plegen ervan hebben bijgedragen.
16.
Het LG Klagenfurt heeft op 3 november 2016 een vonnis gewezen waarbij BB en CC schuldig zijn bevonden wegens goedkeuring van krediet HR/1061 aan Skiper Hoteli. Met betrekking tot de overige beschuldigingen werden zij vrijgesproken. GR en HS werden vrijgesproken. Meer in het bijzonder is HS vrijgesproken van de beschuldiging dat hij BB en CC in de periode van 2002 tot en met 2005 zou hebben aangezet tot het plegen van strafbare feiten door hun herhaaldelijk om toekenning van een krediet te verzoeken en meermaals een kredietdossier in te dienen. GR is vrijgesproken van de beschuldiging dat hij in de periode van 2003 tot en met 2005 medeplichtig is geweest bij het plegen van strafbare feiten van BB en CC door te verzoeken om toekenning van kredieten, waaronder krediet HR/1061, kredietonderhandelingen te voeren, kredietdocumenten over te leggen en kredietovereenkomsten te ondertekenen. De verwijzende rechter merkt op dat het voorgaande blijkt uit het dictum van het vonnis van het LG Klagenfurt, terwijl uit de motivering ervan blijkt dat Skiper Hoteli krediet HR/1061 heeft gebruikt om onroerend goed en de betrokken aandelen te verwerven tegen prijzen die aanzienlijk hoger waren dan de marktwaarde.
17.
Dit vonnis is onherroepelijk geworden nadat het Oberste Gerichtshof (hoogste federale rechter in burgerlijke en strafzaken, Oostenrijk) het ertegen ingestelde hoger beroep heeft verworpen.
18.
De verwijzende rechter merkt tevens op dat de Staatsanwaltschaft Klagenfurt voorafgaand aan de uitvaardiging, op 9 januari 2015, van de tenlastelegging uit punt 15 het onderzoek tegen GR en HS heeft gevoerd, maar dat wegens gebrek aan bewijs heeft beëindigd, betreffende andere feiten dan die waarop de latere tenlastelegging betrekking had, namelijk het gebruik van krediet HR/1061 voor het project van Skiper Hoteli. In dat verband merkt de verwijzende rechter op dat de Staatsanwaltschaft Klagenfurt op 9 januari 2015 GR in kennis heeft gesteld van de beëindiging van het onderzoek in de ‘zaak Skiper’. Deze kennisgeving was gebaseerd op § 190, lid 2, van de Strafprozeßordnung (wetboek van strafvordering, Oostenrijk; hierna: ‘StPO’) en bevatte informatie over de beëindiging van de procedure tegen HS, GR, BB en CC betreffende het strafbare feit van misbruik van vertrouwen in de zin van § 153, leden 1 en 2, StGB, voor zover dit niet werd gedekt door de tenlastelegging die de Staatsanwaltschaft Klagenfurt op dezelfde datum bij het LG Klagenfurt had voorgelegd, wegens het gebrek aan bewijs, met name betreffende de intentie om schade te berokkenen of wegens het ontbreken van concrete en voldoende bewijzen die een strafbaar feit konden staven. Uit de verwijzingsbeslissing volgt ook dat HS de Oostenrijkse autoriteiten heeft verzocht om een mededeling waarin deze beëindiging zou worden bevestigd en die mededeling heeft ontvangen.
19.
Volgens de verwijzende rechter is het in deze omstandigheden mogelijk dat (i) de feiten waarop de tenlastelegging van het parket van Pula betrekking heeft; (ii) de feiten waarop de tenlastelegging van de Staatsanwaltschaft Klagenfurt betrekking had; (iii) de feiten waarop het dictum en de motivering van het onherroepelijke vonnis van het LG Klagenfurt betrekking had, en (iv) de feiten die het voorwerp van het onderzoek zijn geweest dat door de Staatsanwaltschaft Klagenfurt is beëindigd, kunnen worden geacht gezag van gewijsde te hebben wegens het onlosmakelijk verband tussen hen in tijd, plaats en voorwerp.
20.
De verwijzende rechter zet evenwel uiteen dat de Kroatische rechterlijke instanties in het kader van de toepassing van het beginsel ne bis in idem enkel de feiten mogen meewegen die worden genoemd in specifieke delen van een bepaalde procedurele beslissing, zoals in een tenlastelegging of in het dictum van een uitspraak. De verwijzende rechter legt uit dat deze praktijk, waarover in de verwijzingsbeslissing geen nadere details worden gegeven, de opvatting weergeeft dat de betrokken procedurele handelingen slechts in zoverre onherroepelijk worden.
21.
Daarop heeft de Županijski sud u Puli-Pola de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag:
‘Is bij de beoordeling van een schending van het beginsel ne bis in idem alleen een vergelijking mogelijk tussen de feiten die zijn vermeld in de tenlastelegging van de Županijsko državno odvjetništvo u Puli van 28 september 2015 en de belangrijkste feiten die zijn vermeld in de tenlastelegging van de Staatsanwaltschaft Klagenfurt van 9 januari 2015 en in het dictum van het vonnis van het LG Klagenfurt van 3 november 2016, dat is bevestigd bij het arrest van het Oostenrijkse Oberste Gerichtshof van 4 maart 2019, of kunnen de feiten die zijn vermeld in de tenlastelegging van de Županijsko državno odvjetništvo u Puli tevens worden vergeleken met de feiten die zijn vermeld in de motivering van het vonnis van het LG Klagenfurt van 3 november 2016, dat is bevestigd bij het arrest van het Oostenrijkse Oberste Gerichtshof, alsook met de feiten waarop het onderzoek betrekking had dat door de Staatsanwaltschaft Klagenfurt is gevoerd tegen verschillende personen, onder wie GR en HS, en die vervolgens zijn weggelaten uit de tenlastelegging van de Staatsanwaltschaft Klagenfurt van 9 januari 2015 (en niet in die tenlastelegging waren genoemd)?’
22.
Schriftelijke opmerkingen zijn ingediend door HS, GR, het parket van Pula, de Oostenrijkse en de Kroatische regering en de Europese Commissie. Deze belanghebbenden zijn ter terechtzitting van 11 januari 2023 in hun pleidooien gehoord.
IV. Beoordeling
23.
Met zijn enige prejudiciële vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen welk referentiekader moet worden gebruikt om na te gaan of het in artikel 54 SUO neergelegde beginsel ne bis in idem in de weg staat aan een bij hem aanhangige procedure omdat zij betrekking kan hebben op dezelfde feiten als aan de orde zijn geweest in een eerdere procedure die in een andere lidstaat is afgesloten.
24.
Alvorens in te gaan op de interpretatie van artikel 54 SUO om deze vraag te beantwoorden (B) zal ik ingaan op de door de Oostenrijkse regering opgeworpen exceptie van niet-ontvankelijkheid die is gebaseerd op de opvatting van deze regering dat de twee procedures in wezen betrekking hebben op verschillende materiële feiten (A).
A. Ontvankelijkheid
25.
De Oostenrijkse regering is van mening dat het onderhavige verzoek om een prejudiciële beslissing niet-ontvankelijk is omdat de vraag hypothetisch is. Volgens haar hebben de bij de verwijzende rechter aanhangige procedure en de procedure die voordien in Oostenrijk is gevoerd, geen betrekking op dezelfde feiten. Deze regering benadrukt dat de procedure in Oostenrijk betrekking had op financiële schade van een Oostenrijkse bank, terwijl de procedure in Kroatië betrekking heeft op door een Kroatische vennootschap geleden financiële schade. Deze regering benadrukt dat de Oostenrijkse procedure geen betrekking had kunnen hebben op de mogelijke handelingen van GR jegens deze vennootschap, omdat de Oostenrijkse autoriteiten daartoe onbevoegd waren, aangezien GR Kroatisch staatsburger en ingezetene is, en Skiper Hoteli een in Kroatië geregistreerde vennootschap.
26.
Zonder een exceptie van niet-ontvankelijkheid op te werpen delen het parket van Pula en de Kroatische regering in wezen hetzelfde standpunt, terwijl HS en GR het tegendeel stellen.
27.
In dit verband merk ik op dat de precieze omvang van het beëindigde deel van de procedure in Oostenrijk weliswaar niet duidelijk in de verwijzingsbeslissing uiteengezet is, maar daaruit volgt dat er volgens de verwijzende rechter in feite sprake kan zijn van overlapping tussen de procedure die in Oostenrijk heeft plaatsgevonden en de procedure die bij hem aanhangig is. Volgens deze rechter kan het beginsel ne bis in idem, dat is neergelegd in artikel 54 SUO, immers van invloed zijn op het verloop van de bij hem aanhangige procedure, afhankelijk van de omvang van het onderzoek dat dienaangaande moet worden verricht.
28.
Voor zover de Oostenrijkse regering dit standpunt ter discussie wil stellen, merk ik op dat elke beoordeling van de feiten in het kader van de procedure van artikel 267 VWEU, die op een duidelijke afbakening van de taken van de nationale rechterlijke instanties en van het Hof berust, tot de bevoegdheid van de nationale rechter behoort.5. Het is uitsluitend aan de verwijzende rechter om het bestaan en de omvang van de (feitelijke) overlap tussen de twee betreffende procedures te beoordelen. Het Hof zou van zijn kant moeten uitgaan van de door de verwijzende rechter geformuleerde aanname van een dergelijke overlap en dienovereenkomstig moeten overwegen dat de gestelde vraag relevant is voor de beslechting van het bij de verwijzende rechter aanhangige geding, en dus ontvankelijk.
B. Artikel 54 SUO
29.
Met zijn vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen of hij zich voor de toepassing van het beginsel ne bis in idem in artikel 54 SUO kan beperken tot de belangrijkste feiten in de tenlastelegging opgesteld door een parket van een openbaar ministerie van een andere lidstaat en in het dictum van een definitief vonnis gewezen in een andere lidstaat dan wel ook rekening moet houden met feiten die zijn vermeld in de motivering van dat vonnis ter zake waarvan de vervolging is beëindigd.
30.
Artikel 54 SUO bepaalt dat ‘[e]en persoon die bij onherroepelijk vonnis door een overeenkomstsluitende partij is berecht, […] door een andere overeenkomstsluitende partij niet [kan] worden vervolgd ter zake van dezelfde feiten, op voorwaarde dat ingeval een straf of maatregel is opgelegd, deze reeds is ondergaan of daadwerkelijk ten uitvoer wordt gelegd, dan wel op grond van de wetten van de veroordelende overeenkomstsluitende partij niet meer ten uitvoer gelegd kan worden’.
31.
In deze bepaling is binnen de rechtsorde van de Europese Unie het verbod van dubbele vervolging in een grensoverschrijdende context verankerd, dat eveneens in algemenere bewoordingen is geformuleerd in artikel 50 van het Handvest. Zoals het Hof in herinnering heeft gebracht, moet dat artikel als leidraad dienen bij de interpretatie van artikel 54 SUO.6.
32.
De door het beginsel ne bis in idem geboden bescherming, zoals neergelegd in artikel 54 SUO, ontstaat wanneer aan twee hoofdvoorwaarden is voldaan: (i) de twee procedures hebben betrekking op dezelfde feiten7., en (ii) er is een onherroepelijke uitspraak in een andere lidstaat met betrekking tot deze feiten. Wanneer een straf is opgelegd, moet deze bovendien reeds zijn ondergaan, daadwerkelijk ten uitvoer worden gelegd of niet meer ten uitvoer kunnen worden gelegd.
33.
Deze tenuitvoerleggingsvoorwaarde8. is niet aan de orde in de onderhavige zaak, die (zoals ik reeds heb opgemerkt) betrekking heeft op het referentiekader dat moet worden gebruikt om na te gaan of aan de voorwaarde inzake ‘idem’ is voldaan.
34.
In het volgende deel zal ik uiteenzetten waarom ik van mening ben dat artikel 54 SUO een nationale rechterlijke instantie verplicht om rekening te houden met niet alleen de feiten die zijn beschreven in specifieke delen van de in een andere lidstaat genomen procedurele beslissingen maar ook met de feiten in andere delen van deze beslissingen, of mogelijk elders, teneinde na te gaan of een bij hem aanhangige procedure dezelfde feiten (idem) betreft als zijn onderzocht in het kader van een eerdere procedure die is afgesloten met een onherroepelijke uitspraak (1). Volledigheidshalve zal ik vervolgens ingaan op het tweede element van het beginsel ne bis in idem, dat betrekking heeft op de ‘onherroepelijke’ aard van de uitspraak die, in combinatie met de identiteit van de feiten, moet bestaan om de door dit beginsel geboden bescherming in werking te doen treden. De partijen in de onderhavige procedure hebben namelijk uitvoerig gereageerd op de vraag of aan de voorwaarde inzake het ‘onherroepelijke’ karakter van de uitspraak was voldaan toen de Staatsanwaltschaft Klagenfurt besloot om de betrokken procedure gedeeltelijk te beëindigen (2).
1. Juiste referentiekader voor de voorwaarde van ‘idem’
35.
Zoals reeds is opgemerkt, legt de verwijzende rechter uit dat de Kroatische rechterlijke instanties bij de beoordeling of de bij hen aanhangige procedure betrekking heeft op dezelfde feiten als de eerdere strafprocedure die is afgesloten door een definitieve beslissing en het beginsel ne bis in idem en dus in de weg staat aan de bij hem aanhangige procedure, in de praktijk slechts rekening mogen houden met bepaalde delen van de procedurele handelingen, zoals de tenlastelegging of het dictum van een vonnis. Met zijn vraag wenst de verwijzende rechter dus in wezen te vernemen of artikel 54 SUO een dergelijke uitlegging van het beginsel ne bis in idem toestaat dan wel of de beoordeling ruimer moet zijn.
36.
Meer in het bijzonder volgt uit de verwijzingsbeslissing dat de verwijzende rechter, als gevolg van de hierboven beschreven praktijk, geen rekening lijkt te kunnen houden met feiten die zijn genoemd in de motivering van het arrest van 3 november 2016 van het LG Klagenfurt ter zake waarvan de vervolging was beëindigd en die volgens de verwijzende rechter ten eerste betrekking hebben op de omstandigheid dat het betrokken onroerend goed en de aandelen door Skiper Hoteli zijn aangekocht met de middelen uit krediet HR/1061, en ten tweede op de omstandigheid dat de aankoopprijs in beide gevallen aanzienlijk hoger was dan de marktwaarde van die activa.
37.
Terwijl de Kroatische regering en het parket van Pula betogen dat het mogelijk zou moeten zijn het onderzoek op die manier te beperken, betogen HS, GR, de Oostenrijkse regering en de Commissie het tegendeel.
38.
Ik ben het met deze laatste partijen eens. Meer in het bijzonder ben ik het met de Commissie eens dat een nationale praktijk die op de hierboven beschreven wijze het onderzoek van de vraag beperkt of de bij de nationale rechter aanhangige procedure betrekking heeft op dezelfde feiten als die van een eerdere procedure die met een onherroepelijke uitspraak is afgesloten, buitensporig restrictief is, aangezien zulks er in wezen toe kan leiden dat het bestaan van een onherroepelijke uitspraak die in een andere lidstaat voor dezelfde feiten is vastgesteld, door de nationale rechterlijke instantie wordt uitgesloten.
39.
Hoewel noch de bewoordingen van artikel 54 SUO, noch die van artikel 50 van het Handvest dienaangaande specifieke aanwijzingen verschaffen, vloeit deze conclusie mijns inziens voort uit de relevante context van artikel 54 SUO — een context die uit andere bepalingen van die overeenkomst bestaat — en wordt zij verder bevestigd door de overwegingen uit artikel 3, lid 2, VEU9., die als leidraad moeten dienen voor de interpretatie van artikel 54 SUO, zoals het Hof heeft bevestigd.10.
40.
Wat in de eerste plaats de relevante context betreft, bevat artikel 57 SUO regels voor samenwerking tussen de autoriteiten van een lidstaat met het oog op de uitwisseling van informatie over eventuele eerdere strafprocedures die met een onherroepelijke uitspraak zijn afgesloten.
41.
Meer in het bijzonder verplicht artikel 57, lid 1, SUO de autoriteiten om, wanneer zij het nodig achten, van hun collega's die op het grondgebied van een andere overeenkomstsluitende partij gevestigd zijn, relevante informatie te verzoeken wanneer zij redenen hebben om aan te nemen dat de tegen een bepaalde persoon ingebrachte tenlastelegging ‘dezelfde feiten betreft als die ter zake waarvan deze persoon reeds bij onherroepelijk vonnis is berecht door een andere overeenkomstsluitende partij’. Artikel 57, lid 2, voorziet in een verplichting om de gevraagde inlichtingen ‘zo spoedig mogelijk’ te verstrekken en, vooral, dat deze inlichtingen ‘in overweging [worden] genomen bij de beslissing of de vervolging dient te worden voortgezet’.
42.
Gelet op de algemene bewoordingen van deze bepaling volgt hieruit dat de inlichtingen waarom in het kader van dit mechanisme kan worden verzocht en die moeten worden verstrekt, in verschillende vormen kunnen bestaan. In weerwil van deze algemene bewoordingen deel ik de mening van de Commissie dat de betrokken nationale praktijk, door de informatie die een nationale rechter in aanmerking kan nemen te beperken tot informatie in een specifiek deel van een procedurele handeling, het praktische effect van dit samenwerkingsmechanisme ernstig beperkt. In casu zou de hierboven beschreven nationale praktijk, wanneer de nationale rechter gebruikmaakt van dit mechanisme om zich af te vragen of de vervolging van de betrokken personen (zoals GR en HS) in Oostenrijk onherroepelijk is afgesloten, de nationale rechter in feite verplichten enkel rekening te houden met de informatie die is verstrekt in de specifieke delen van procedurele handelingen, met uitsluiting van alle andere informatie die deze rechter van de Oostenrijkse autoriteiten zou kunnen ontvangen.
43.
Het recht dat voortvloeit uit het beginsel ne bis in idem om niet opnieuw te worden vervolgd voor dezelfde feiten is een grondrecht dat is verankerd in artikel 50 van het Handvest11., zoals de Commissie terecht benadrukt. De concrete manier om na te gaan of er voor dezelfde materiële feiten reeds een onherroepelijke uitspraak is gedaan, moet dus zodanig worden vormgegeven dat dit recht doeltreffend wordt beschermd.12.
44.
Voorts heeft het Hof herhaaldelijk vastgesteld dat artikel 54 tot doel heeft te voorkomen dat ‘een bij onherroepelijk vonnis berechte persoon die zijn recht van vrij verkeer uitoefent, daardoor wegens dezelfde feiten wordt vervolgd op het grondgebied van meerdere overeenkomstsluitende staten’.13. Het Hof heeft daaraan toegevoegd dat artikel 54 SUO niet alleen moet worden uitgelegd in het licht van de noodzaak om het vrije verkeer van personen te waarborgen, maar ook in het licht van de noodzaak om het voorkomen en bestrijden van criminaliteit te bevorderen.14.
45.
Hoewel het Hof eerder bepaalde situaties heeft vastgesteld waarin de door het beginsel ne bis in idem geboden bescherming niet kon worden toegepast omdat dit tot straffeloosheid15. zou leiden, zou de nationale praktijk die in de huidige zaak door de verwijzende rechter is beschreven, kunnen leiden tot een net zo ongewenst tegenovergesteld resultaat. Die praktijk riskeert namelijk tot een situatie te leiden waarin de door het beginsel ne bis in idem verleende bescherming zal worden geweigerd op grond van zuiver formele overwegingen, aangezien de vraag of deze bescherming wordt verleend zal afhangen van de juridische vorm waarin de informatie over eerdere procedures wordt verstrekt, en derhalve van de verschillende praktijken die in verschillende lidstaten kunnen bestaan met betrekking tot de wijze waarop deze informatie wordt verstrekt, zoals de Oostenrijkse regering en de Commissie hebben opgemerkt. In dit verband heeft het Hof bevestigd dat artikel 54 SUO moet worden uitgelegd in het licht van het voorwerp en het doel ervan, en niet in het licht van ‘procedurele of zuiver formele aspecten, die overigens per lidstaat kunnen verschillen’.16.
46.
Wat voorts de relevantie van de motivering van een bepaalde procedurele beslissing betreft, heeft het Hof reeds benadrukt dat een dergelijke motivering van cruciaal belang is om na te gaan of de betreffende feiten reeds het onderwerp zijn geweest van een onherroepelijke uitspraak — wat een van de twee voornaamste voorwaarden is voor de toepassing van het beginsel ne bis in idem, zoals ik heb gezegd.17.
47.
Ik zie geen enkele reden waarom de motivering in een dergelijke of enige andere beslissing niet dezelfde relevantie zou moeten hebben bij de beoordeling van de andere voorwaarde voor toepassing van dit beginsel, namelijk dat de feiten dezelfde zijn.
48.
Bovendien zie ik niet in waarom een dergelijk onderzoek noodzakelijkerwijs zou moeten worden beperkt tot de overweging van de motivering met uitsluiting van informatie uit andere bronnen. Zoals ik in punt 45 van deze conclusie reeds in herinnering heb gebracht, verschillen de vorm en de inhoud van de verschillende handelingen die in het kader van een strafprocedure kunnen worden vastgesteld van lidstaat tot lidstaat. In sommige lidstaten moeten weliswaar alle materiële feiten waarop de strafprocedure betrekking had, in het kerndeel van de betrokken procedurele handeling worden vermeld, maar in andere lidstaten kan de relevante informatie worden vermeld in andere delen van die handelingen of zelfs in een geheel andere handeling waarnaar kan worden verwezen.
49.
De Kroatische regering heeft uitgelegd dat het gezag van gewijsde naar Kroatisch recht slechts geldt voor het kerndeel van de betrokken procedurele handeling. In dit verband merk ik ten eerste op dat de gevolgen van het gezag van gewijsde kunnen verschillen naargelang de betrokken rechtsorde.18. Het inzicht van die gevolgen kan echter geen invloed hebben op de interpretatie van het beginsel ne bis in idem zoals dat in het Unierecht is neergelegd. Ten tweede is het mogelijk dat de overweging van enkel het kerndeel eenvoudigweg niet volstaat om de omvang van het feit zelf te begrijpen wanneer de daartoe noodzakelijke gegevens in andere delen zijn opgenomen. Dienaangaande heeft de Oostenrijkse regering ter terechtzitting uitgelegd dat de precieze omvang van het deel van de procedure dat door de Staatsanwaltschaft Klagenfurt is beëindigd, wat de onderhavige zaak betreft moet worden vastgesteld op basis van verschillende handelingen die in de loop van de strafprocedure zijn vastgesteld.
50.
Indien de overheidsautoriteiten zich zouden moeten beperken tot de overweging van het kerndeel van de relevante handelingen, zonder enige ruimte om rekening te houden met andere benaderingen voor de beschrijving van de materiële feiten waarop een strafprocedure betrekking heeft die in een andere lidstaat kan bestaan, kan dit er dus toe leiden dat de door het beginsel ne bis in idem verleende bescherming daadwerkelijk wordt ontzegd op de enkele grond dat die beslissing is genomen in een andere lidstaat waar de praktijk verschilt van die van de lidstaat waarin de daaropvolgende procedure wordt gevoerd.
51.
Ik ben van mening dat de nationale rechter, die moet bepalen of het beginsel ne bis in idem in de weg staat aan de bij hem aanhangige procedure, rekening moet kunnen houden met alle beschikbare informatie betreffende de eerdere strafprocedure die onherroepelijk is afgesloten. Ik concludeer derhalve dat artikel 54 SUO aldus moet worden uitgelegd dat voor de toepassing van het beginsel ne bis in idem in die bepaling rekening moet worden gehouden met alle relevante informatie over de materiële feiten waarop de eerdere, met een definitieve beslissing afgesloten strafprocedure in een andere lidstaat betrekking had en niet alleen met de feiten die in bepaalde delen van procedurele handelingen van die eerdere strafprocedure zijn genoemd, zoals de tenlastelegging of het dictum van een vonnis.
52.
Nu dit is verduidelijkt, zal ik ingaan op de uitvoerige opmerkingen van de partijen in de onderhavige procedure over de vraag of de twee betrokken procedures inderdaad dezelfde feiten betreffen. In dit verband wil ik er kort aan herinneren dat de voorwaarde inzake ‘idem’ wordt opgevat als ‘dezelfde materiële feiten’ en wordt geacht te zijn vervuld wanneer er sprake is van ‘een geheel van concrete omstandigheden die voortvloeien uit gebeurtenissen die in wezen dezelfde zijn, aangezien daarbij dezelfde dader betrokken is en zij onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn in tijd en plaats’.19.
53.
In deze context ben ik van mening dat niet alleen moet worden gekeken naar de ‘belangrijkste feiten’ waarnaar de bewoordingen van de prejudiciële vraag verwijzen, maar veeleer naar alle relevante feiten. Om aan de voorwaarde van idem te voldoen, moeten die feiten dezelfde zijn en niet slechts soortgelijk.20.
54.
Na deze opmerkingen zal ik thans volledigheidshalve kort ingaan op het onderdeel van het beginsel ne bis in idem dat betrekking heeft op het bestaan van een ‘onherroepelijk vonnis’.
2. Beslissingen van de openbaar aanklager tot beëindiging van de procedure
55.
In het kader van de onderhavige procedure lijkt niet te worden betwist dat de feiten waarop het onherroepelijke vonnis van het LG Klagenfurt van 3 november 2016 betrekking heeft, de bescherming genieten van het in artikel 54 SUO neergelegde verbod van dubbele vervolging. Tussen partijen lijkt echter niet dezelfde mate van overeenstemming te bestaan met betrekking tot de feiten waarop het deel van de strafprocedure in Oostenrijk betrekking heeft dat de Staatsanwaltschaft Klagenfurt besloten heeft wegens gebrek aan bewijs te beëindigen. In het volgende deel zal ik daarom kort de voorwaarden in herinnering brengen waaronder een beëindigingsbeslissing van het openbaar ministerie als onherroepelijk in de zin van artikel 54 SUO kan worden beschouwd.
56.
Uit de rechtspraak van het Hof blijkt dat de in artikel 54 SUO bedoelde bescherming niet alleen wordt geboden door onherroepelijke rechterlijke vonnissen, maar ook door bepaalde beslissingen van het openbaar ministerie, zelfs wanneer deze ‘zonder rechterlijke tussenkomst [tot stand komen] en [niet] worden […] vastgesteld in de vorm van een vonnis’.21.
57.
Opdat dit rechtsgevolg kan ontstaan, moet de beslissing om de procedure te beëindigen volgens het toepasselijke nationale recht de strafvervolging ter zake van dezelfde feiten definitief beletten en moet de beslissing voorts berusten op een beoordeling ten gronde.22.
58.
De eerste voorwaarde ziet op de vraag of het nationale recht betrekking heeft op de beslissing van een openbaar aanklager die waarborgt dat de bij de strafprocedure betrokken persoon niet opnieuw voor dezelfde feiten aansprakelijk zal worden gesteld (kortom, een nationale waarborg van het beginsel ne bis in idem)23.; de tweede voorwaarde veronderstelt dat de beslissing tot beëindiging is genomen na een daadwerkelijk onderzoek van al het beschikbare bewijsmateriaal, zonder enig element dat afbreuk zou kunnen doen aan het wederzijdse vertrouwen van de lidstaten in hun respectieve strafrechtstelsels.24.
59.
In casu heeft de Staatsanwaltschaft Klagenfurt op grond van § 190, lid 2, StPO besloten om de procedure gedeeltelijk te beëindigen. De vorm waarin die beslissing is gegeven, is niet geheel duidelijk. In deze context wordt in de verwijzingsbeslissing een mededeling van de Oostenrijkse autoriteiten aan de vertegenwoordiger van GR van 9 januari 2015 vermeld, volgens welke deze gedeeltelijke beëindiging ook betrekking had op HS, BB en CC.
60.
Uit de verwijzingsbeslissing blijkt dat een beslissing op grond van § 190, lid 2, StPO naar Oostenrijks recht onherroepelijk is en uitsluit dat dezelfde feiten in een nieuwe procedure aan de orde worden gesteld. De Oostenrijkse regering heeft dit inzicht ter terechtzitting bevestigd en heeft uitgelegd dat de openbaar aanklager bij een beslissing op grond van § 190, lid 2, StPO de procedure beëindigt omdat uit het beschikbare bewijsmateriaal blijkt dat een vrijspraak waarschijnlijker is dan een schuldigverklaring. De Oostenrijkse regering heeft ook uitgelegd dat een dergelijke beslissing gezag van gewijsde heeft en aan nieuwe vervolgingen voor dezelfde feiten in de weg staat.
61.
De Commissie heeft in dit verband twijfels geuit onder verwijzing naar § 193, lid 2, StPO, op grond waarvan de procedure lijkt te kunnen worden voortgezet wanneer de betrokkene niet is gehoord en er geen dwangmaatregel tegen hem is vastgesteld, of in een situatie waarin nieuw bewijsmateriaal aan het licht is gekomen. Wegens het ontbreken van informatie in het dossier kan volgens de Commissie evenwel geen standpunt worden ingenomen over de vraag of deze mogelijkheid eraan in de weg staat dat de betrokken beslissing als ‘onherroepelijk’ in de zin van artikel 54 SUO moet worden beschouwd.
62.
Net als de Commissie moet ik wel verwijzen naar bovengenoemde verklaring van de Oostenrijkse regering, die het onherroepelijke karakter van een op grond van § 190, lid 2, StPO genomen beslissing bevestigt, en de verwijzende rechter wijzen op het in artikel 57 SUO opgenomen samenwerkingsmechanisme.25. De vraag hoe de betrokken beslissing moet worden gekenschetst, moet niettemin hoe dan ook worden onderscheiden van de vraag of zij berust op een beoordeling ten gronde. Blijkens het dossier is de procedure in wezen beëindigd wegens een gebrek aan bewijs van een strafbaar feit. Bij gebreke van gedetailleerdere informatie ben ik van mening dat het niet mogelijk is de verwijzende rechter aanvullende aanwijzingen te verstrekken die verder gaan dan de hierboven reeds in herinnering gebrachte belangrijkste onderdelen van de rechtspraak van het Hof, waarin wordt verduidelijkt onder welke voorwaarden een beslissing van een openbaar ministerie om een procedure te beëindigen, de door het beginsel ne bis in idem geboden bescherming kan doen ontstaan.
V. Conclusie
63.
Gelet op het voorgaande geef ik het Hof in overweging de Županijski sud u Puli-Pola te antwoorden als volgt:
‘Artikel 54 van de Overeenkomst ter uitvoering van het tussen de regeringen van de staten van de Benelux Economische Unie, de Bondsrepubliek Duitsland en de Franse Republiek op 14 juni 1985 te Schengen gesloten akkoord betreffende de geleidelijke afschaffing van de controles aan de gemeenschappelijke grenzen
moet aldus worden uitgelegd dat
voor de toepassing van het in die bepaling neergelegde beginsel ne bis in idem rekening moet worden houden met alle relevante informatie over de materiële feiten in eerdere, met een definitieve beslissing afgesloten strafprocedures in een andere lidstaat en niet alleen met feiten in bepaalde delen van procedurele handelingen van die eerdere strafprocedures, zoals de tenlastelegging of het dictum van een vonnis.’
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 23‑03‑2023
Oorspronkelijke taal: Engels.
Overeenkomst ter uitvoering van het tussen de regeringen van de staten van de Benelux Economische Unie, de Bondsrepubliek Duitsland en de Franse Republiek op 14 juni 1985 te Schengen gesloten akkoord betreffende de geleidelijke afschaffing van de controles aan de gemeenschappelijke grenzen (PB 2000, L 239, blz. 19).
Narodne novine, br. 56/90, 135/97, 08/98, 113/00, 124/00, 28/01, 41/01, 55/01, 76/10, 85/10 en 05/14.
Narodne novine, br. 152/08, 76/09, 80/11, 121/11 — geconsolideerde tekst 91/12; arrest van de Ustavni sud (grondwettelijk hof, Kroatië), 143/12, 56/13, 145/13, 152/14, 70/17 en 126/19.
Zie onder andere arrest van 16 juli 1998, Dumon en Froment (C-235/95, EU:C:1998:365, punt 25 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Zie bijvoorbeeld arrest van 29 juni 2016, Kossowski (C-486/14, EU:C:2016:483, punt 31 en aldaar aangehaalde rechtspraak; hierna: ‘arrest Kossowski’).
Die voorwaarde wordt kort gezegd opgevat als identiteit van materiële feiten ongeacht hun juridische kwalificatie naar nationaal recht. Zie bijvoorbeeld arresten van 18 juli 2007, Kraaijenbrink (C-367/04, EU:C:2007:444, punt 26 en aldaar aangehaalde rechtspraak), en 16 november 2010, Martello (C-261/09, EU:C:2010:683, punt 39). Zie in de context van artikel 50 van het Handvest bijvoorbeeld arrest van 22 maart 2022, bpost (C-117/20, EU:C:2022:202, punten 33 en 34 en aldaar aangehaalde rechtspraak; hierna: ‘arrest bpost’). Zie voor de termen ‘handelingen’ (uitdrukkelijk genoemd in artikel 54 SUO) en ‘feiten’ (met name gebruikt in de bewoordingen van de vraag in deze zaak) de conclusie van advocaat-generaal Bobek in de zaak Nordzucker e.a. (C-151/20, EU:C:2021:681, voetnoot 17).
De verenigbaarheid van deze voorwaarde met artikel 50 van het Handvest was aan de orde in het arrest van 27 mei 2014, Spasic (C-129/14 PPU, EU:C:2014:586).
Deze bepaling bepaalt: ‘De Unie biedt haar burgers een ruimte van vrijheid, veiligheid en recht zonder binnengrenzen, waarin het vrije verkeer van personen gewaarborgd is in combinatie met passende maatregelen met betrekking tot controles aan de buitengrenzen, asiel, immigratie, en voorkoming en bestrijding van criminaliteit’ (cursivering van mij).
Arrest Kossowski, punt 46.
Zie in die zin ook de conclusie van advocaat-generaal Bot in de zaak Mantello (C-261/09, EU:C:2010:50, punten 9, 76 en 86) in verband met artikel 3, lid 2, van kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten (PB 2002, L 190, blz. 1). Deze bepaling voorziet in een dwingende grond voor weigering van de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel indien die tenuitvoerlegging een schending van het beginsel ne bis in idem zou opleveren.
Wat de externe context betreft, stelt kaderbesluit 2009/948/JBZ van de Raad van 30 november 2009 over het voorkomen en beslechten van geschillen over de uitoefening van rechtsmacht bij strafprocedures (PB 2009, L 328, blz. 42) geen beperkingen aan de vorm waarin de informatie wordt verstrekt. Het verklaarde doel van dit instrument is te voorkomen dat ‘een einduitspraak in twee of meer lidstaten wordt gedaan waardoor het beginsel ‘ne bis in idem’ [van artikel 1, lid 2, onder a), van kaderbesluit 2009/948] wordt geschonden’.
Arrest Kossowski, punt 44 en aldaar aangehaalde rechtspraak. Zie ook arresten van 11 februari 2003, Gözütok en Brügge (C-187/01 en C-385/01, EU:C:2003:87, punt 38; hierna: ‘arrest Gözütok en Brügge’), en 10 maart 2005, Miraglia (C-469/03, EU:C:2005:156, punt 32; hierna: ‘arrest Miraglia’).
Zoals de situatie in het arrest Kossowski met betrekking tot het ontbreken van een daadwerkelijk onderzoek of in het arrest Miraglia, waarin de procedure enkel werd beëindigd omdat in een andere lidstaat een procedure wegens dezelfde feiten aanhangig was. Zie arrest Kossowski, punten 46 en 49, en arrest Miraglia, punt 33.
Arrest Gözütok en Brügge, punt 35, en arrest Miraglia, punt 31.
Zoals de Oostenrijkse regering terecht heeft opgemerkt, moest het Hof in het arrest Kossowski bepalen of een beslissing van de openbaar aanklager, die was genomen na een tamelijk licht onderzoek van het bewijsmateriaal, als ‘onherroepelijk’ in de zin van artikel 54 SUO kon worden beschouwd. Ik zal dit aspect nader bespreken in het volgende deel van deze conclusie. Desalniettemin wil ik er in dit stadium op wijzen dat het Hof de motivering van een dergelijke beslissing heeft aangevoerd als de belangrijkste bron van informatie die moet worden geraadpleegd om vast te stellen of de beslissing om de procedure te beëindigen berust op een beoordeling ten gronde (arrest Kossowski, punten 53 en 54 en dictum). Zoals ik hieronder nader zal toelichten is een dergelijke vaststelling een van de twee belangrijkste voorwaarden om een beslissing van een openbaar aanklager tot beëindiging van de procedure als onherroepelijk te kunnen beschouwen.
Het Hof heeft met betrekking tot beslissingen van rechterlijke instanties van de Europese Unie geoordeeld dat het ‘gezag [van gewijsde] niet alleen geldt voor het dictum van die [rechterlijke] beslissing, maar ook voor de overwegingen die de noodzakelijke steun bieden aan het dictum en er daardoor onlosmakelijk mee verbonden zijn’ (arrest van 19 april 2012, Artegodan/Commissie, C-221/10 P, EU:C:2012:216, punt 87 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Zie ook het arrest van het Gerecht van 2 maart 2022, Fabryki Mebli ‘Forte’/EUIPO — Bog-Fran (Meubel) (T-1/21, niet gepubliceerd, EU:T:2022:108, punt 26 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Arrest bpost, punt 37 en aldaar aangehaalde rechtspraak. Zo heeft het Hof het eerder gebruikte criterium enigszins aangepast door te verwijzen naar ‘een geheel van feiten […] die onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn naar tijd en naar plaats en wat het voorwerp ervan betreft’. Zie bijvoorbeeld arrest van 18 juli 2007, Kraaijenbrink (C-367/05, EU:C:2007:444, punt 27 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
In het arrest bpost, punt 36, oordeelde het Hof dat ‘de voorwaarde ‘idem’ vereist dat de materiële feiten dezelfde zijn. Daarentegen vindt het beginsel ne bis in idem geen toepassing wanneer de feiten in kwestie niet dezelfde maar slechts soortgelijk zijn.’ In dezelfde geest heeft het opgemerkt dat daarbij ‘uiteraard het voorbehoud [geldt] dat de latere procedure soms slechts een deel betreft van de feiten (materieel, temporeel) die in de eerste procedure aan de orde zijn gekomen. Het gaat er dan echter om dat, voor zover de twee reeksen feiten elkaar inderdaad overlappen, binnen die overlapping gelijkheid bestaat’ (conclusie van advocaat-generaal Bobek in de zaak bpost, C-117/20, EU:C:2021:680, punt 135).
Arrest Kossowski, punt 39 en aldaar aangehaalde rechtspraak. Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: ‘EHRM’) is tot dezelfde slotsom gekomen (EHRM, 8 juli 2019, Mihalache tegen Roemenië, CE:ECHR:2019:0708JUD005401210, §§ 94 en 95).
Zie arrest Kossowski, punten 34 en 42 en aldaar aangehaalde rechtspraak.
Zoals het Hof eerst heeft geoordeeld in het arrest van 22 december 2008, Turanský (C-491/07, EU:C:2008:768, punten 35 en 36). Zie ook arrest van 5 juni 2014, M (C-398/12, EU:C:2014:1057, punten 31 en 32; hierna: ‘arrest M’), en arrest Kossowski, punt 35.
Dat kan het geval zijn bij gebreke van een ‘gedetailleerd onderzoek’ zoals beschreven in de omstandigheden van de zaak die hebben geleid tot het arrest Kossowski, punten 48–53. In dezelfde geest treedt de door het beginsel ne bis in idem geboden bescherming niet in werking indien de beslissing tot beëindiging van de strafprocedure is genomen omdat de vervolgingsprocedure in een andere lidstaat is ingeleid. Zie arrest Miraglia, punten 30–33.
In het arrest M heeft het Hof geoordeeld dat de mogelijkheid om een procedure te heropenen op basis van nieuw bewijsmateriaal, zoals voorzien in het Belgische recht, niet afdeed aan het onherroepelijke karakter van de rechterlijke beschikking van buitenvervolgingstelling waarbij de Belgische rechter besloot om de persoon op wie de strafprocedure betrekking had, niet naar een vonnisgerecht te verwijzen (arrest M, punten 38–40). Een beslissing op grond van § 190 StPO lijkt ook aan de orde in de aanhangige zaak C-147/22, Központi Nyomozó Főügyészség.