Einde inhoudsopgave
Artikel 6 EVRM en de civiele procedure (BPP nr. 10) 2008/1.2.0
1.2.0 Introductie
Mr. P. Smits, datum 06-03-2008
- Datum
06-03-2008
- Auteur
Mr. P. Smits
- JCDI
JCDI:ADS301340:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Donner (1989), p. 428-437.
Donner, a.w., p. 428.
Overigens wijst Donner erop dat art. 6 EVRM een aparte plaats inneemt te midden van 'de rij van de overige, wat meer Europese bepalingen'. De laatste worden vooral gekenmerkt door hun substantiële karakter, terwijl art. 6 meer binding heeft met het vereiste van 'due process of law' voortkomend uit de (Angelsaksische) common law-traditie.
Zo Dommering (1983), p. 156.
Inderdaad pretendeerde de regering in 1954 bij de ratificatie van het EVRM - meer in het algemeen - dat het Europees Verdrag voor ons land geen nieuwe verplichtingen schiep.
Van het overbekende traditionele, zij het inmiddels gedateerde lijstje van zeven hoofdbeginselen van rechtspraak van Van Boneval Faure (1893), p. 107, ontbreekt in art. 6 EVRM bijvoorbeeld het beginsel van onderzoek in twee instanties en dat van toezicht op de rechtspraak door het rechtsmiddel van cassatie. Beide genoemde beginselen brengen Snijders, Ynzonides en Meijer (2002), nr. 52 e.v., onder het hoofdbeginsel van controle, eenheid en ontwikkeling.
Aldus Snijders, Ynzonides en Meijer (2007), nr. 27.
Alkema (1978), p. 22.
Zie voor een meer algemene beschrijving van de historische ontwikkeling van het EVRM sinds haar ontstaan in 1950, Kuijer (2004), p. 15-42.
'Hoe moeten de juristen art. 6 EVRM waarderen?' Zo luidde de vraag die Donner zich stelde tijdens een voordracht gehouden te Rotterdam voor de Vereniging van Europees Recht. Bij de uitwerking van die vraag in zijn - soms haast filosofisch getinte artikel in RMThemis1 stelt hij dat het artikel het plechtanker van het procesrecht vormt, 'want het bevat alle waarborgen die de rechtzoekende en hun raadslieden maar kunnen verlangen en het laat aan de betrokkenen over om van die waarborgen een gepast en volledig gebruik te maken.'2 Verderop leert Donner dat het artikel het sluitstuk vormt van de garantie der (overige in het EVRM neergelegde) vrijheden en grondrechten; men kan het artikel volgens hem rustig als institutioneel sluitstuk van 'de rechtsstaat' beschouwen.3 Dat zijn zware woorden uit de mond van een staatkundig zwaargewicht.
Anderzijds wordt vaak benadrukt dat art. 6 EVRM niet meer is dan een minimumnorm, resultante van een onderhandelingsproces tussen verdragspartners met zeer uiteenlopende (proces)recht(s)culturen.4 Zo beschouwd zou art. 6 EVRM weinig toevoegen aan de hier te lande reeds bestaande normen voor behoorlijk (burgerlijk) procesrecht.5 De gedachte aan art. 6 EVRM als een minimumnorm zou nog versterkt kunnen worden vanwege het feit dat van afzonderlijke onderdelen door partijen afstand kan worden gedaan. Dat geldt niet alleen voor het recht op toegang tot de rechter (par. 2.8), maar ook voor het recht om gehoord te worden (par. 33.5), van het recht op een openbare behandeling (par. 43.5) en van het recht op een onafhankelijke c.q. onpartijdige rechter (par. 6.12); het recht op berechting binnen een redelijke termijn kunnen partijen ten slotte binnen zekere grenzen door hun eigen gedrag frustreren (par. 5.4.2).
De term 'minimumnorm' is verraderlijk. Enerzijds bevat het artikel niet 'alle waarborgen die de rechtzoekenden en hun raadslieden maar kunnen verlangen', althans niet alle minimumvereisten welke men voor het burgerlijk procesrecht wenselijk zou kunnen achten.6 Anderzijds is duidelijk dat art. 6 lid 1 EVRM een niet opdrogende bron van aanscherping van de eigen procesrechtregels is geweest en 'van onschatbare betekenis is gebleken voor de ontwikkelingen van de Europese waaronder Nederlandse rechtspleging in de afgelopen decennia'.7 De opmerking van Alkema met betrekking tot de in het EVRM neergelegde grondrechten, luidende: 'De kwalificatie "minimumnormen" is echter verwarrend en daarom te verwerpen wanneer wordt bedoeld, dat het nationale recht onmogelijk in strijd kan komen met de Conventie, omdat deze niet meer zou zijn dan de grootste gemene deler van de nationale rechtsstelsels',8 geldt voor art. 6 EVRM wel in het bijzonder.
De betekenis van art. 6 EVRM kan aldus moeilijk onderschat worden. In plaats van van een minimumnorm gewag te maken, zou het beter zijn over art. 6 EVRM als een leading aaide' te spreken. Enkele mechanismen in de Straatsburgse rechtspraak en in het Europees Verdrag zelf maken dat aan art. 6 EVRM deze plaats toekomt.9