Vastgoedtransacties in de Europese btw
Einde inhoudsopgave
Vastgoedtransacties in de Europese btw (FM nr. 169) 2021/8.6:8.6 Conclusie
Vastgoedtransacties in de Europese btw (FM nr. 169) 2021/8.6
8.6 Conclusie
Documentgegevens:
mr. dr. M.D.J. van der Wulp, datum 01-07-2021
- Datum
01-07-2021
- Auteur
mr. dr. M.D.J. van der Wulp
- JCDI
JCDI:ADS291294:1
- Vakgebied(en)
Toeslagen (V)
Omzetbelasting / Aftrek en teruggaaf
Omzetbelasting / Belastingplichtige en -schuldige
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Omzetbelasting / Levering van goederen en diensten
Omzetbelasting / Vrijstelling
Europees belastingrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Een belastingplichtige heeft recht op aftrek voor zover hij de afgenomen goederen en diensten gebruikt voor zijn belaste handelingen. Achter deze ogenschijnlijk eenvoudige regel gaat, zoals dit hoofdstuk laat zien, een complexe juridische werkelijkheid schuil waarin kosten moeten worden toegerekend aan belaste en/of onbelaste handelingen, btw gesplitst moet worden in een aftrekbaar en niet-aftrekbaar, btw gesplitst moet worden in een deel dat toerekenbaar is aan belastbare en onbelastbare handelingen en de aftrek herzien moet worden bij wijziging in het recht op aftrek nadat de oorspronkelijke aftrek is toegepast. Die complexiteit wordt veroorzaakt door uitzonderingen: onbelastbare handelingen, zoals de handelingen in het kader van een niet-economische overheidsactiviteit als bedoeld in art. 13 Btw-richtlijn, en vrijgestelde handelingen, zoals de vrijgestelde levering van oude gebouwen, onbebouwde niet-bouwterreinen en de verhuur van onroerend goed.1 Door die uitzonderingen zijn er (bij vastgoedtransacties) ingewikkelde toerekenings- splitsings- en herzieningsregels nodig. En zolang die uitzonderingen bestaan, zal het beginsel van de fiscale neutraliteit geweld aangedaan worden en ligt het gevaar dat eindverbruik (deels) onbelast blijft op de loer.
Het is mogelijk om ook voor deze onbelastbare en vrijgestelde handelingen een recht op aftrek toe te kennen. Daarmee zou inderdaad het ‘neutraliteitprobleem’ zijn opgelost. Aan die optie hangt echter een aanzienlijk prijskaartje. De btw-tarieven voor andere handelingen zouden aanzienlijk verhoogd moeten worden om de inwisseling van vrijstellingen zonder recht op aftrek voor vrijstellingen met recht op aftrek budgetneutraal te laten verlopen. Bovendien is het bezwaar tegen die optie dat het probleem van de uitzondering (de vrijstelling) wordt opgelost met een andere uitzondering (een recht op aftrek bij gebruik voor vrijgestelde handelingen). Voorts vergroot deze optie het risico op onbelaste eindverbruik, hetgeen in strijd is met het rechtskarakter van de btw. Ik acht het daarom beter om niet aan symptoombestrijding te doen (lees: te morrelen aan de regels voor het recht op aftrek en herziening), maar het probleem bij de wortel aan te pakken. In de hoofdstukken 3 tot en met 7 is de vraag gesteld en beantwoord of de beperkingen van de belastingplicht en de belastbaarheid van vastgoedtransacties en met name de vrijstellingen voor vastgoedtransacties op grond van het beginsel van algemene heffing, het beginsel van de fiscale neutraliteit en het rechtskarakter van de btw gerechtvaardigd zijn. De teneur van die antwoorden is dat dit maar in zeer beperkte mate het geval is. Wordt de bijl aan de wortel van de boom gelegd, dan dienen derhalve die ongerechtvaardigde uitzonderingen uit het Europese btw-stelsel te worden weggenomen. Het (wenselijke) gevolg hiervan zal zijn dat (ook) het vaststellen van het recht op aftrek en de herziening daarvan voor vastgoedtransacties een stuk eenvoudiger wordt.2