Uitgewerkte telefoontap blz. 7; prod. bij inl. dag.
HR, 22-04-2011, nr. 10/01217
ECLI:NL:HR:2011:BP9861
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
22-04-2011
- Zaaknummer
10/01217
- Conclusie
Mr. J. Spier
- LJN
BP9861
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2011:BP9861, Uitspraak, Hoge Raad, 22‑04‑2011; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2011:BP9861
In cassatie op: ECLI:NL:GHAMS:2009:BL1928, Bekrachtiging/bevestiging
ECLI:NL:PHR:2011:BP9861, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 04‑02‑2011
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2011:BP9861
Arrest gerechtshof: ECLI:NL:GHAMS:2009:BL1928
- Vindplaatsen
Uitspraak 22‑04‑2011
Inhoudsindicatie
Onrechtmatige overheidsdaad. Ten onrechte toegepaste strafvorderlijke maatregelen? (81 RO)
22 april 2011
Eerste Kamer
10/01217
DV/TT
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[Eiser],
wonende te [woonplaats],
EISER tot cassatie,
advocaat: mr. J. Groen,
t e g e n
DE STAAT DER NEDERLANDEN, (Ministerie van Veiligheid en Justitie),
zetelende te 's-Gravenhage,
VERWEERSTER in cassatie,
advocaat: mr. G. Snijders.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser] en de Staat.
1. Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. de vonnissen in de zaak 365068/HA ZA 07-0751 van de rechtbank Amsterdam van 9 mei 2007 en 26 september 2007;
b. het arrest in de zaak 200.001.649/01 van het gerechtshof te Amsterdam van 8 december 2009.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staat heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal J. Spier strekt tot verwerping van het cassatieberoep met toepassing van art. 81 RO.
3. Beoordeling van het middel
De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de Staat begroot op € 1.571,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren J.C. van Oven, als voorzitter, W.A.M. van Schendel en W.D.H. Asser, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A. Hammerstein op 22 april 2011.
Conclusie 04‑02‑2011
Mr. J. Spier
Partij(en)
Verkorte Conclusie inzake
[Eiser]
tegen
Staat der Nederlanden
1.
Voor de feiten verwijs ik naar rov. 4.1 van 's Hofs arrest.
2.
Het gaat in essentie om het volgende. [Eiser] heeft Sotheby's benaderd in verband met bij haar gestolen schilderijen. [Eiser] wilde bemiddelen bij teruggave waarvoor hij € 5000 wilde hebben. Bij de overhandiging van de schilderijen is onder meer [eiser] opgepakt. Uiteindelijk is de strafzaak tegen hem geseponeerd omdat hij ‘door het feit of de gevolgen is getroffen’.
3.
In deze procedure vordert [eiser] schadevergoeding wegens de toegepaste strafvorderlijke maatregelen en wegens het negeren door de Staat van pretense bedreigingen aan zijn adres.
4.
Zowel de Rechtbank Amsterdam als het Hof aldaar heeft de vordering afgewezen. Tegen 's Hofs arrest heeft mr J. Groen tijdig cassatieberoep bezorgd dat door de Staat is tegengesproken.
5.
De klachten falen op de gronden vermeld in de s.t. van de Staat onder 2.2 en 2.3.
6.
Gezien de aard van deze zaak en de beweerde schending van art. 5 EVRM wil ik met het voorafgaande niet volstaan.
7.
Juist is dat [eiser] heeft gesteld dat hij (aanvankelijk) wilde dat Sotheby's de politie in zou schakelen. Maar hij heeft eveneens het tegendeel verklaard.1.
8.
In essentie is de vordering gegrond op de stelling dat [eiser] een door de Staat ingeschakelde ‘undercover-figuur’ zou zijn. Het Hof heeft dat niet aangenomen (rov. 4.3 en 4.5), welk oordeel in cassatie niet (laat staan op begrijpelijke wijze) is bestreden. Het is ook niet bijzonder aannemelijk omdat:
- a)
in confesso is dat [eiser] van Sotheby's een (niet onaanzienlijke) vergoeding wenste voor zijn bemoeienissen;
- b)
dit niet strookt met de gang van zaken zoals door hem geschetst bij de comparitie in prima. Volgens die uiteenzetting zou hij ‘met de jongens’ in contact zijn gekomen ‘in een winkel op de [a-straat] in Leiden’.2. Hij is ‘geïnteresseerd’ in kunst en komt daarom ‘veelvuldig op rommelmarkten en dergelijke’.3.‘Iedereen in Leiden’ zou weten dat hij ‘zich bezighoudt met kunst’. Hij zou zijn benaderd door een onbekende (volgens de mvg door ‘een vagelijk bekend persoon’). Dit relaas roept alleen maar vragen op;
- c)
[eiser] tegen de politie heeft verklaard dat hij nadat hem, naar hij meende, een Mondriaan waarvan hij dacht dat deze gestolen was, was getoond aan zijn ex vrouw en dochters heeft gevraagd wat hij moest doen (prod. bij mvg). Als ‘infiltrant’ zou hij dat evenwel hebben geweten.
9.
Als gezegd is het Hof niet uitgegaan van de stelling dat [eiser] een ‘undercover-figuur’ (burgerinfiltrant) was. Daarmee lag de wél op die stelling gegronde vordering voor afwijzing gereed. In appel was de vordering alleen hierop gebaseerd.
10.
Daar komt bij — maar dat ten overvloede — dat ook hetgeen [eiser] verklaart over zijn contacten met lieden die de gestolen schilderijen in hun bezit hadden, weinig plausibel is. Dat laat geen andere conclusie toe dan dat [eiser] ten minste heeft moeten begrijpen dat:
- a)
Sotheby's zou veronderstellen dat hij betrokken was bij deze diefstal of de heling van de schilderijen;
- b)
daarom contact op zou nemen met de politie zodat
- c)
er een gerede kans bestond dat deze zou ingrijpen ten tijde van de overhandiging daarvan.
11.
Hiervan uitgaande, bestond voor de anderen (allicht ten minste ten dele dieven of helers), weinig grond om [eiser] dit ingrijpen aan te rekenen. Ook zij hebben moeten begrijpen dat zij dit risico liepen; een risico dat ze welbewust op de koop toe hebben genomen. Voor bedreiging en dergelijke meer bestond dan weinig reden. Zij is (ook) daarom niet aannemelijk. Ook niet trouwens, voor zover uit de stukken valt op te maken, ex post facto.
12.
Ook wanneer zou worden uitgegaan van [eiser]'s stelling dat hij een undercover-figuur was, kan moeilijk een andere conclusie worden getrokken dan dat hij voor een wraakactie niet beducht was. Niet alleen omdat de anderen daarvan niet op de hoogte zouden zijn, maar ook omdat hij er zelf voor heeft gekozen om niet de politie te verwittigen (wat toch in de rede zou hebben gelegen wanneer men voor de Staat ‘infiltreert’) maar integendeel Sotheby's, van wie hij een aanzienlijk geldbedrag heeft gevraagd, heeft benaderd. Blijkbaar was hij niet serieus bevreesd voor eventuele rancune van de anderen.
13.
Naast de door het Hof genoemde redenen — die in cassatie niet op begrijpelijke wijze worden bestreden — ligt hetgeen hiervoor onder 10 – 12 werd opgemerkt in zijn arrest besloten. Het berust op een feitelijke en zeker niet onbegrijpelijke waardering van feitelijke aard die zich onttrekt aan toetsing in cassatie.
Conclusie
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep met toepassing van art. 81 RO.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,
Advocaat-Generaal
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 04‑02‑2011
Volgens de mvg zou sprake zijn van ‘een inboedelhuis (oude garage) gerund door een Marokkaanse man in het centrum van Leiden.’ Blijkens een bij de mvg gevoegde verklaring zou [eiser] de naam van de straat niet kennen.
In een prod. bij mvg is nog een verklaring van [eiser] gevoegd waarin hij rept van ‘een vriend’ van wie hij achternaam niet kent. Deze zou ‘een antiekwinkel’ zonder naam hebben bij ‘het riviertje de Mare’.