Einde inhoudsopgave
De geschillenregeling ten gronde (VDHI nr. 108) 2011/V.3.5.b
V.3.5.b Een andere of een variabele peildatum?
prof.mr. C.D.J. Bulten, datum 28-04-2011
- Datum
28-04-2011
- Auteur
prof.mr. C.D.J. Bulten
- JCDI
JCDI:ADS377329:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie ook Bulten (2005), p. 48-49.
Het Hof van Cassatie oordeelde dat de feitenrechter 'soeverein' oordeelt, maar zijn oordeel wel moet motiveren. Zie Hof van Cassatie 30 oktober 2003, TRV 2004, 344 m.nt. E Jenné. Zie over de Belgische peildatum ook het overzicht van Janssens (2001), p. 368-371. Zij koos (p. 370-371) voor de waarde op het moment van de aanvang van het conflict. Vanaf dat moment verkrijgt de eisende aandeelhouder het subjectief recht om de uitstotings- of uittredingsvordering in te stellen. Zie voor voorbeelden van verschillende peildata de kronieken van D. van Gerven, TRV 2006, p. 546-547; en TRV 2009, p. 559-560.
Zie Geens e.a. (2000), p. 449, nr. 441.
Zie voor een keuze voor de dag van dagvaarding: Hof van Beroep Brussel 18 februari 2002, kenbaar uit Hof van Cassatie 30 oktober 2003, TRV 2004/4 m.nt. F. Jenné, m.n. noot sub 3 (Data Repro Services). Uit deze uitspraak blijkt dat het Hof van Cassatie geen vaste peildatum wenst te hanteren voor de wettelijke geschillenregeling.
Geens e.a. (2000), Overzicht van rechtspraak, Vennootschappen 1992-1998, TPR 2000, p, 449, nr. 441; en Tilleman (1995), De gedwongen uitsluiting en uittreding, TRV 1995, p. 548.
Zie de tweede en vierde zin van art. 2:252 lid 3 BWNA: 'Daarbij veroordeelt hij de vennootschap tot betaling van het door hem vastgestelde bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het tijdstip van voorlopige toewijzing en de door hem vastgestelde kosten, die van de deskundigen en de notaris daaronder begrepen, in handen van een door hem daarbij aangewezen notaris. (...) Vruchten die aan de aandelen zijn opgekomen sedert het tijdstip van de voorlopige toewijzing vervallen aan de vennootschap.'
Zie § V.3.5.a voor het precieze onderscheid tussen deze twee momenten.
De in de vorige paragraaf gesignaleerde problemen met de gehanteerde gefixeerde peildatum, leidt tot de vraag of niet beter een andere peildatum voor de waardebepaling kan worden gehanteerd.1 De pijn voor de aandeelhouder laat zich vooral gevoelen bij de uittreding en zit in het nadeel dat hij lijdt in verband met de waardevermindering van de aandelen. De gedragingen die maken dat hij wil uittreden, zorgen nu juist voor deze prijsdaling. Bij de uitstoting ligt dit anders.
De uitgestoten aandeelhouder heeft er 'zelf voor gezorgd' dat hij wordt uitgestoten. Een mogelijke waardevermindering als gevolg van zijn eigen gedrag behoort voor zijn eigen rekening te komen.
In dit verband is het interessant naar de Belgische geschillenregeling te kijken. In de wet is niet een datum gegeven waar de waardebepaling aan vastknoopt. Ook de wetsgeschiedenis zwijgt op dit punt. De rechter krijgt derhalve vrijheid om zijn eigen peildatum te kiezen.2 Uit de jurisprudentie blijkt dat de rechter meestal de peildatum stelt op de dag waarop de uittreding of uitsluiting wordt bevolen.3 Diverse andere data worden echter eveneens gehanteerd, zoals de dag van dagvaarding of een dag liggend voor het moment waarop de gegronde redenen zich hebben gemanifesteerd.4 Bij laatstgenoemd moment is het nadeel dat de uittredende aandeelhouder lijdt, verdisconteerd of vergoed in de prijs. Eventuele waardeverminderingen die direct verband houden met de gegronde redenen worden niet meegenomen. Meer in de toekomst ligt de peildatum die aansluit bij het moment van optreden van de deskundige, of bij het ogenlik van overdracht.
De Belgische literatuur is overigens verdeeld over het antwoord op de vraag of een `vergoedingspeildatum' mogelijk is. Geens merkt op dat de rechter niet de bevoegdheid heeft om op grond van een geschillenregelingprocedure op deze wijze een schadevergoeding toe te kennen. Tilleman meent daarentegen dat een andere peildatum dan de beschikkingsdatum wél mogelijk is.5
Vijf (chronologische) momenten komen in aanmerking als peildatum voor de Nederlandse geschillenregeling. Het eerste moment ligt het verst in het verleden en is het moment juist vóór het tijdstip waarop de schadelijke of nadelige gedraging (voor het eerst) plaatsvindt. Het nadeel dat een aandeelhouder die wil uittreden ondervindt, wordt zo geheel verdisconteerd in de waarde van de aandelen. Het resultaat is dat lijkt alsof hij geen nadeel heeft geleden. Overigens kan dit ook negatief uitpakken. De waarde van de onderneming en (dus) de waarde van de aandelen kunnen bijvoorbeeld stijgen omdat de vennootschap na deze peildatum succesvoller wordt.
Het tweede moment is het tijdstip van dagvaarden van de medeaandeelhouders die de aandelen van de uittredende aandeelhouders moeten overnemen. Vanaf dan weten de medeaandeelhouders dat zij het risico lopen dat er betaald moet worden.
Een derde mogelijkheid die ik onderscheid is de dag waarop het uittredingsvonnis wordt gewezen. Met de onherroepelijkheid is dan, anders dan thans het geval is, geen rekening gehouden. In de uittredingsregeling die in de Caribische delen van het Koninkrijk geldt, is deze peildatum in de wet opgenomen. De deskundigen waarderen ingevolge art. 2:252 lid 1 BWNA de aandelen op het tijdstip van de voorlopige toewijzing van de uittredingsvordering. Dit is ook de datum waarvan de rechter die uiteindelijk de prijs bepaalt, uitgaat. Vanaf het tijdstip van de voorlopige toewijzing gaat namelijk de wettelijke rente lopen en vervallen de aan de aandelen opgekomen vruchten aan de vennootschap.6
De vierde peildatum is de datum die thans gehanteerd wordt: het moment van het onherroepelijk worden van het tussenvonnis, welk moment praktisch samenvalt met het moment van optreden van de deskundige.7
Het laatste moment tot slot is de dag waarop de rechter de prijs van de aandelen vaststelt in zijn eindvonnis. Deze vijfde peildatum ligt het dichtst bij de dag waarop daadwerkelijk de overdracht en de levering plaatsvinden. Art. 2:341 lid 1 BW schrijft voor dat de aandelen binnen twee weken na het vonnis waarin de prijs van de aandelen is vastgesteld, geleverd moeten worden. Tussen het waarderingsmoment en de eigendomsoverdracht ligt zo maximaal twee weken. Wordt hoger beroep ingesteld, dan ligt dit anders en is eventueel een nieuwe peildatum nodig, zie de slotalinea's van § V.3.5.a.
De meest praktische oplossing is volgens mij een 'flexibele peildatum'. Dit betekent dat de rechter per geval kiest welke datum het meest geschikt is. Hij bepaalt zelf het moment waartegen de aandelen gewaardeerd dienen te worden. Zo bestaat bij uittreding de mogelijkheid de schadelijke gedragingen van de medeaandeelhouders in de prijs te verdisconteren. De waardevermindering die was ontstaan, komt dan niet voor rekening van de uittredende aandeelhouder. Een bijkomend voordeel is dat een aparte schadevergoedingsprocedure niet langer nodig is.8