CRvB, 22-12-2010, nr. 09-6164 WIA
ECLI:NL:CRVB:2010:BO9042
- Instantie
Centrale Raad van Beroep
- Datum
22-12-2010
- Zaaknummer
09-6164 WIA
- LJN
BO9042
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Sociale zekerheid algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:CRVB:2010:BO9042, Uitspraak, Centrale Raad van Beroep, 22‑12‑2010; (Hoger beroep)
Uitspraak 22‑12‑2010
Inhoudsindicatie
Loonsanctie opgelegd. Besluit door de rechtbank terecht vernietigd. Uwv heeft hoger beroep ingesteld. Onvoldoende steun voor het standpunt van appellant dat betrokkene onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht, omdat zij werknemer niet in de gelegenheid heeft gesteld om boventallig en onder begeleiding terug te keren in het eigen werk als nachtportier. Het betreft hier een functie met grote verantwoordelijkheid die individueel moet kunnen worden uitgevoerd en waarbij terugval op een collega niet mogelijk is. De door appellant voorgestane wijze van hervatting in het eigen werk is derhalve niet passend om te kunnen beoordelen of werknemer geschikt is voor het eigen werk. Geen deugdelijke motivering.
Partij(en)
09/6164 WIA (gerectificeerde uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 6 oktober 2009, 08/5611 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
Stichting Rode Kruis Ziekenhuis, gevestigd te Beverwijk (hierna: betrokkene)
en
appellant.
Datum uitspraak: 22 december 2010
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Namens betrokkene heeft mr. R.B.M. van Poorten, advocaat te Haarlem, een verweerschrift ingediend.
Bij brief van 15 november 2010 heeft appellant een rapportage van bezwaarverzekeringsarts
W.M. Koek van 4 november 2010 ingezonden.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 december 2010. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J. Visch. Namens betrokkene is mr. Van Poorten verschenen, bijgestaan door J. Maartens, werkzaam als personeelsfunctionaris bij betrokkene.
II. OVERWEGINGEN
- 1.1.
Bij besluit van 24 oktober 2007 heeft appellant om administratieve redenen het tijdvak waarin [naam werknemer] (hierna: de werknemer) jegens betrokkene als werkgever recht heeft op loon tijdens ziekte, verlengd met 52 weken. Die verlenging - ook wel kortweg loonsanctie genoemd - is opgelegd in aansluiting op de afloop van de normale wachttijd van 104 weken. Bij besluit van
20 februari 2008 heeft appellant deze loonsanctie gehandhaafd op de grond dat door betrokkene zonder deugdelijke grond onvoldoende re-integratie-inspanningen zijn verricht. Daarbij heeft appellant toepassing gegeven aan artikel 25, negende lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), in verbinding met artikel 65, eerste lid, van de Wet WIA.
- 1.2.
Betrokkene heeft tegen het besluit van 20 februari 2008 bezwaar gemaakt. Bij besluit van
7 juli 2008 (hierna: bestreden besluit) heeft appellant dit bezwaar, onder verwijzing naar de rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige L. Lind van 1 juli 2008, ongegrond verklaard.
- 2.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van betrokkene gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd, alsmede bepalingen gegeven met betrekking tot vergoeding van proceskosten en griffierecht. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat, blijkens de gedingstukken, reeds eerder in het re-integratieproces van de werknemer verschil van mening tussen betrokkene en appellant is geweest over het al dan niet kunnen verrichten van het eigen werk door de werknemer. Het geschil spitste zich daarbij toe op de vraag of de werknemer weer in nachtdiensten zou kunnen werken. Bij een dergelijk medisch geschil had appellant volgens de rechtbank in bezwaar niet (alleen) de bezwaararbeidsdeskundige dienen te horen, maar (ook) de bezwaarverzekeringsarts. Nu appellant dit niet heeft gedaan, ook niet in beroep, heeft de rechtbank het bestreden besluit wegens strijd met de zorgvuldigheid vernietigd.
- 3.1.
In hoger beroep is door appellant aangevoerd dat de rechtbank zich heeft laten leiden door het acht maanden vóór de einde-wachttijddatum aangevraagde deskundigenoordeel. Daaruit heeft de rechtbank volgens appellant een te beperkte conclusie getrokken, omdat dit deskundigenoordeel alleen betrekking heeft op een volledige werkhervatting op 20 maart 2007 en niet op een geleidelijke hervatting of re-integratiepoging. Uit het deskundigenoordeel valt volgens appellant niet af te leiden dat een geleidelijke werkhervatting of een poging daartoe absoluut niet mogelijk was. Met betrekking tot het niet inschakelen van een bezwaarverzekeringsarts in de bezwaarprocedure stelt appellant zich op het standpunt dat niet valt in te zien wat daarvan de meerwaarde is, nu ook geen andere informatie van medische aard in procedure is gebracht.
- 3.2.
Betrokkene heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen. Zij handhaaft haar standpunt dat zij binnen de grenzen van het redelijke al het mogelijk heeft gedaan om te komen tot een werkhervatting van de werknemer, die aansloot bij zijn resterende functionele mogelijkheden en bij zijn nog bestaande psychische klachten en beperkingen in persoonlijk en sociaal functioneren. Als uitgangspunt dient volgens betrokkene te gelden dat de werkgever van de advisering door de bedrijfsarts mag uitgaan, tenzij er omstandigheden zijn om te twijfelen aan de juistheid en/of consistentie van dat advies en zulke omstandigheden deden zich niet voor.
- 4.
De Raad overweegt het volgende.
- 4.1.
Met betrekking tot de door appellant aangevoerde grond tegen het oordeel van de rechtbank dat het bestreden besluit niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid, omdat in de bezwaarprocedure de bezwaarverzekeringsarts niet is gehoord overweegt de Raad het volgende. Het standpunt van appellant dat hij niet inziet wat de meerwaarde is van het inschakelen van een bezwaarverzekeringsarts en de in hoger beroep door bezwaarverzekeringsarts Koek gegeven nadere toelichting op dit standpunt kan de Raad niet volgen. Nu het geschil zich toespitste op de vraag of werknemer in staat was tot het verrichten van nachtdiensten in zijn eigen werk als nachtportier en door betrokkene in bezwaar medische gronden zijn aangevoerd, waartoe onder andere een medische bijlage van de bedrijfsarts in geding is gebracht, is de Raad van oordeel dat het op de weg van appellant had gelegen om met het oog op de zorgvuldige voorbereiding van het bestreden besluit de visie van een bezwaarverzekeringsarts bij de besluitvorming te betrekken. Nu dit niet is geschied, onderschrijft de Raad het ter zake gegeven oordeel van de rechtbank.
- 4.2.
Gezien de standpunten van partijen stelt de Raad vast dat in geschil is of appellant terecht het tijdvak waarin de werknemer recht heeft op loon tijdens ziekte met 52 weken heeft verlengd. Daarbij spitst het geschil zich toe op de vraag of sprake is geweest van onvoldoende
re-integratie-inspanningen door betrokkene, als bedoeld in artikel 25, negende lid, van de Wet WIA.
- 4.3.
Het standpunt van appellant dat betrokkene onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht is gebaseerd op de conclusies in de rapportages van de verzekeringsarts van 23 januari 2008, van de arbeidsdeskundige van 12 februari 2008 en van de bezwaararbeidsdeskundige van
1 juli 2008. De verzekeringsarts heeft geconcludeerd dat werknemer benutbare mogelijkheden heeft en dat daar niet aan afdoet dat betrokkene met verdere re-integratie wacht tot de uitkomst van een specialistisch onderzoek bekend is. Zijn indruk is dat ten onrechte geen poging is gedaan tot re-integratie van de werknemer in het eigen werk als receptionist/nachtportier voor 32 uur per week. De arbeidsdeskundige heeft vervolgens geconcludeerd dat geen sprake is van een bevredigend re-integratieresultaat, omdat er al vanaf augustus 2006 mogelijkheden bestaan ten aanzien van werk, maar dat de re-integratie na anderhalf jaar nog geen enkel resultaat heeft opgeleverd. Het standpunt van betrokkene dat werknemer niet kan terugkeren in het eigen werk als nachtportier omdat hij aangewezen is op regelmaat (en dus geen nachtdiensten kan doen), is volgens de arbeidsdeskundige geen deugdelijke grond voor het feit dat er onvoldoende
re-integratie-inspanningen zijn verricht. Vanuit een boventalligheidspositie, onder begeleiding, had de werknemer volgens de arbeidsdeskundige minimaal de kans moeten krijgen terugkeer uit te proberen. De bezwaararbeidsdeskundige heeft het standpunt van de arbeidsdeskundige onderschreven. Het bestreden besluit berust dan ook op de motivering dat, hoewel blijkt dat de werknemer de kans heeft gekregen te re-integreren als repro-medewerker, dit niet afdoet aan het feit dat de werknemer de mogelijkheid had moeten krijgen zijn eigen werk als nachtportier/receptionist gefaseerd en boventallig te hervatten.
- 4.4.
De Raad stelt vast dat uit de voorhanden gegevens blijkt dat werknemer in het kader van zijn re-integratie vanaf medio augustus 2006 in een opbouwend urenaantal bij betrokkene werkzaam was op de repro-afdeling en vanaf oktober 2006 bij de backoffice van de receptie. Vanaf januari tot maart 2007 is werknemer uitgevallen in verband met een terugval en daarna heeft hij tot oktober 2007 hervat bij de repro-afdeling. Gelet op het verschil van inzicht met werknemer met betrekking tot zijn geschiktheid voor nachtdiensten, heeft betrokkene op 20 maart 2007 bij appellant een aanvraag om een deskundigenoordeel ingediend. Naar aanleiding daarvan heeft appellant bij brief van
1 mei 2007 aan betrokkene meegedeeld dat hij op grond van de resultaten van het onderzoek door de verzekeringsarts E.G. Vas van oordeel is dat de werknemer op 20 maart 2007 ongeschikt was voor het verrichten van het eigen werk. In de toelichting is vermeld dat uit consistente anamnese, evaluatie van het dagverhaal en overleg met de bedrijfsarts is gebleken van onvoldoende stabilisatie in de medische conditie ter volledige hervatting in het eigen werk op 20 maart 2007. Betrokkene heeft uit het deskundigenoordeel de conclusie getrokken dat werknemer ongeschikt was voor het eigen werk. Gelet op het voorgaande is de Raad van oordeel dat de stukken onvoldoende steun bieden voor het standpunt van appellant dat betrokkene onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht, omdat zij werknemer niet in de gelegenheid heeft gesteld om boventallig en onder begeleiding terug te keren in het eigen werk als nachtportier. In het deskundigenoordeel kan voor dit standpunt evenmin voldoende steun worden gevonden. Zoals ook ter zitting door betrokkene is toegelicht betreft het hier een functie met grote verantwoordelijkheid die individueel moet kunnen worden uitgevoerd en waarbij terugval op een collega niet mogelijk is. De door appellant voorgestane wijze van hervatting in het eigen werk is derhalve niet passend om te kunnen beoordelen of werknemer geschikt is voor het eigen werk. Mitsdien berust het bestreden besluit niet op een deugdelijke motivering als bedoeld in artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
- 4.5.
Uit hetgeen onder 4.1 tot en met 4.4 is overwogen, volgt dat het besluit tot oplegging van de loonsanctie in rechte geen stand kan houden. Dat leidt tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak, met aanvulling van gronden, dient te worden bevestigd en dat appellant opdracht wordt gegeven een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak.
- 5.
De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb appellant te veroordelen in proceskosten van betrokkene in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op
€ 874,-- wegens verleende rechtsbijstand in hoger beroep.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak;
Bepaalt dat het Uwv een nieuw besluit neemt op het bezwaar van betrokkene met inachtneming van deze uitspraak;
Bepaalt dat van het Uwv een griffierecht wordt geheven tot een bedrag van € 447,--;
Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag van
€ 874,--.
Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en C.P.J. Goorden en A.A.H. Schifferstein als leden, in tegenwoordigheid van N.S.A. El Hana als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 december 2010.
(get.) Ch. van Voorst.
(get.) N.S.A. El Hana.
KR