Klachtdelicten
Einde inhoudsopgave
Klachtdelicten (SteR nr. 65) 2024/4.6.1:4.6.1 Resumé bevindingen
Klachtdelicten (SteR nr. 65) 2024/4.6.1
4.6.1 Resumé bevindingen
Documentgegevens:
J.L.F. Groenhuijsen, datum 13-02-2024
- Datum
13-02-2024
- Auteur
J.L.F. Groenhuijsen
- JCDI
JCDI:ADS946217:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Uit het onderzoek naar raakvlakken tussen de klacht en de wederrechtelijkheid van de gedraging volgen aanwijzingen dat de klacht relevant kan zijn voor (de vaststelling van) de wederrechtelijkheid van een gedraging. Dit neemt niet weg dat de klacht in de huidige Nederlandse strafrechtspleging een minimale rol speelt bij de vaststelling van de wederrechtelijkheid van een gedraging die een delictsomschrijving vervult. Het uitgangspunt dat de wetgever hanteert is dat via een klachtvereiste bij specifieke strafbepalingen voorrang kan worden verleend aan het persoonlijk belang dat het slachtoffer kan hebben bij het achterwege blijven van vervolging boven het publieke belang dat is gelegen in de vervolging van de dader van de laakbare gedraging. Door het verlenen van die voorrang staat het strafwaardige karakter van de gedraging in beginsel niet ter discussie. Uitsluitend bij een klein aantal klachtdelicten vervulde de klacht in het verleden een normerende rol, vanwege de specifieke (afwijkende) redengeving voor het klachtvereiste bij die feiten. Dit betrof onder meer de klachtdelicten in de zedenwetgeving, totdat het klachtvereiste bij die strafbare feiten werd vervangen door het hoorrecht in art. 167a Sv.
Het is onwenselijk dat de klacht bij bepaalde feiten een zuiver strafprocessuele functie vervult, terwijl eenzelfde klacht bij andere strafbare feiten mede invulling kan geven aan de materieelrechtelijke vaststelling van het bestaan van een strafbaar feit. Een materieelrechtelijke invulling van de klacht is wetssystematisch ongemakkelijk doordat het uitblijven van een klacht achteraf met zich brengt dat geen sprake is van een strafbaar feit, terwijl de delictsomschrijving is vervuld. Een materieelrechtelijke invulling van de klacht sluit tevens niet goed aan op de rol die toestemming in het strafrecht speelt. Toestemming achteraf kan immers geen rechtvaardigende werking hebben. Voorts is van belang dat de klachtgerechtigde om uiteenlopende redenen kan besluiten een klacht achterwege te laten. Deze keuze van de klachtgerechtigde behoeft niet steeds een waardeoordeel in te houden over de gedraging en deze keuze impliceert dus geenszins dat de gedraging gewenst is. Bezien in de context van wederrechtelijkheid is het dan ook aanbevelenswaardig de rechtsfiguur van de klacht een formele rol toe te bedelen in de strafrechtspleging, waarbij die klacht uitsluitend van betekenis is voor de mogelijkheid een klachtdelict te vervolgen.
Het onderzoek naar de bij klachtdelicten betrokken rechtsbetrekkingen maakt de complexe wijze zichtbaar waarop de rechtsfiguur van het klachtdelict in de Nederlandse strafwetgeving is ingebed. Het beletsel om te vervolgen bij het uitblijven van een klacht is bij de afzonderlijke klachtdelicten steeds onderdeel van de materiële strafwet.1 Volgens vaste jurisprudentie dient bij het uitblijven van een klacht ook opsporing achterwege te blijven.2 Dat het uitblijven van een materieelrechtelijk verankerde klacht in de weg kan staan aan formeelrechtelijk geregelde opsporing en vervolging past bij de eerder in dit hoofdstuk beschreven duiding van het materiele en het formele strafrecht als communicerende vaten.3 Het indienen van een klacht betreft een formeelrechtelijke handeling binnen de rechtsbetrekking tussen het openbaar ministerie en het klachtgerechtigde slachtoffer. Die formeelrechtelijke klacht brengt – over de boog van de onderliggende materiële strafbepaling waarin het vervolgingsbeletsel is vervat – met zich dat het openbaar ministerie zich in de rechtsbetrekking ten overstaan van de verdachte kan bedienen van het strafvorderlijke instrumentarium. Het gaat dus steeds om een wisselwerking tussen verschillende rechtsbetrekkingen, waarbij zowel materiële als formele strafwetgeving een rol speelt.
Het onderzoek naar die rechtsbetrekkingen legt ook twee pijnpunten bloot ten aanzien van het functioneren van de regeling van klachtdelicten. Ten eerste wordt inzichtelijk dat – ondanks dat het klachtvereiste (hoofdzakelijk) dient ter bescherming van de belangen van de klachtgerechtigde – deze zijn recht niet kan afdwingen. In het geval dat diens recht wordt geschonden (doordat wordt vervolgd zonder klacht), leidt dit tot een niet-ontvankelijkheidsverklaring in de strafprocedure tegen de verdachte. Met deze wijze van sanctionering wordt het belang van de klachtgerechtigde echter onvoldoende gediend. Daarnaast gaat in de rechtspraktijk onvoldoende aandacht uit naar een fundamenteel onderscheid dat moet worden gemaakt, zodra sprake is van pluraliteit van klachtgerechtigden. Het is een wezenlijk verschil of één klachtdelict is gepleegd dat leidt tot verschillende klachtgerechtigden of dat meerdere (gelijksoortige) klachtdelicten zijn gepleegd die leiden tot verschillende klachtgerechtigden.4 Vanuit het perspectief van politie en justitie is sprake van één verdachte en één vervolging, maar dat perspectief staat niet centraal bij de vervolging van klachtdelicten. Er is dan ook geen aanleiding om het naspeuren van andere (klachtgerechtigde) slachtoffers toe te staan, vanwege de klacht van een ander aangaande een ander (soortgelijk) klachtdelict dat de verdachte mogelijk (ook) heeft begaan.
Het onderzoek naar (het totaal aan) vervolgingsbeletselen maakt inzichtelijk dat geen sprake is van een coherent wettelijk systeem van vervolgingsbeletselen. De grondslag en ratio van die beletselen is divers. Van Dorst stelde treffend dat het totaal aan vervolgingsbeletselen slechts een (processuele) eenheid in (inhoudelijke) verscheidenheid vormt.5 Het gemeenschappelijke kenmerk van al die beletselen is gelegen in de consequentie die deze kunnen hebben: de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie. Er is dus geen systematisch kader van vervolgingsbeletselen in welk licht de vormgeving en functie van de rechtsfiguur van het klachtdelict kan worden beoordeeld. Dit neemt niet weg dat het opvallend is dat de regeling van klachtdelicten het enige vervolgingsbeletsel is, waarbij de belangen van een derde centraal staan bij de vraag of het openbaar ministerie een verdachte kan vervolgen.
De vergelijking van de regeling van klachtdelicten met andere vervolgingsbeletselen maakt daarnaast duidelijk dat aanleiding bestaat het huwelijkse (absolute) vervolgingsbeletsel in art. 316 lid 1 Sr te heroverwegen. Sinds de invoering van dit vervolgingsbeletsel is het huwelijksvermogensrecht aanzienlijk gewijzigd. Het gedachtegoed dat ten grondslag ligt aan het huwelijkse vervolgingsbeletsel heeft aan belang verloren, doordat een huwelijk tegenwoordig minder verstrekkende gevolgen heeft voor de vermogenspositie van betrokkenen. Het verschil in argumenten die ten grondslag liggen aan art. 316 lid 1 en 2 Sr is daarmee steeds verder teruggebracht.
Het onderzoek naar de wijze waarop het in art. 167a Sv vervatte hoorrecht zich verhoudt tot het klachtvereiste maakt duidelijk dat de functies die beide voorschriften vervullen wezenlijk uiteenlopen. Het klachtvereiste draait primair om het voorrang bieden aan het belang van de klachtgerechtigde, terwijl het hoorrecht is gericht op behoud van een gezonde balans tussen enerzijds opsporing en vervolging van seksueel misbruik en anderzijds het behoud van ruimte voor seksuele zelfbepaling onder jongeren. Inhoudelijk leidt dit ertoe dat het hoorrecht een rol speelt bij de waardering van de strafwaardigheid van de gedraging, terwijl het al dan niet indienen van een klacht bij de resterende klachtdelicten ziet op de wenselijkheid van de vervolging. Dat sluit aan op de ratio die ten grondslag ligt aan klachtdelicten. Tegen die achtergrond is het positief te waarderen dat het klachtvereiste in de zedenwetgeving is vervangen door het hoorrecht. Voor de rechtspraktijk is het belangrijkste verschil tussen beide rechtsfiguren dat de klachtgerechtigde een vervolging kan beletten door een klacht achterwege te laten, terwijl art. 167a Sv slechts voorschrijft dat het openbaar ministerie het standpunt van de gehoorde moet meewegen bij de vervolgingsbeslissing. Aan het standpunt van de gehoorde komt geen doorslaggevende betekenis toe en evenmin verplicht een klacht het openbaar ministerie tot vervolging over te gaan. Onder de streep doet het verschil tussen het klachtrecht en het hoorrecht zich dus met name voelen in de situatie dat de betrokkene geen vervolging wenst. In dat geval is het ontbreken van een klacht (anders dan het standpunt van de gehoorde) doorslaggevend.
Tot slot verdient opmerking dat het niet-naleven van art. 167a Sv en de vervolging van een klachtdelict zonder klacht allebei kunnen leiden tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging van de bij het feit betrokken verdachte. Bij het ontbreken van een klacht is die sanctie het uitgangspunt. Bij een verzuim ter zake art. 167a Sv is dit daarentegen pas aan de orde indien dusdanig aan de belangen van de niet-gehoorde tekort is gedaan dat dit – vanwege schending van het zorgvuldigheidsbeginsel – moet leiden tot het staken van de vervolging. Dat sanctionering van dit voorschrift – net als niet-naleving van het klachtvereiste – uitsluitend plaatsheeft in de strafvervolging jegens de verdachte, verhoudt zich niet goed met de belangen die deze voorschriften plegen te beschermen.