Gelet op de akte van inlevering van het klaagschrift en het datumstempel van de strafgriffie op het klaagschrift, ga ik er vanuit dat het klaagschrift op 22 maart 2021 bij de strafgriffie is binnengekomen en dat de in dit verband genoemde data in de beschikking (19 maart 2021) en in het proces-verbaal van de raadkamerzitting (10 juni 2021) moeten worden aangemerkt als een kennelijke verschrijving.
HR, 28-03-2023, nr. 21/03585
ECLI:NL:HR:2023:480
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
28-03-2023
- Zaaknummer
21/03585
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2023:480, Uitspraak, Hoge Raad, 28‑03‑2023; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2023:152
ECLI:NL:PHR:2023:152, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 07‑02‑2023
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2023:480
- Vindplaatsen
Uitspraak 28‑03‑2023
Inhoudsindicatie
Beklag, beslag ex art. 94 Sv op geldbedrag (€ 270.150) in verborgen ruimte van vrachtwagen onder klager t.z.v. verdenking van uitvoer van cocaïne en witwassen, waarna strafzaak tegen klager is geseponeerd. Heeft Rb juiste maatstaf toegepast door te overwegen dat niet buiten redelijke twijfel staat dat klager als eigenaar van geldbedrag moet worden aangemerkt? HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2010:BL2823 m.b.t. toepasselijke maatstaf bij beoordeling van klaagschrift van beslagene i.g.v. beslag ex art. 94 Sv. Rb is kennelijk van oordeel geweest dat het belang van strafvordering het voortduren van beslag niet (langer) vorderde. Rb heeft klaagschrift ongegrond verklaard omdat ‘voorshands niet buiten redelijke twijfel staat dat klager als eigenaar van inbeslaggenomen geldbedrag moet worden aangemerkt’. Daarmee heeft Rb een andere maatstaf toegepast bij beoordeling van klaagschrift dan hiervoor genoemde. Dit betekent dat haar beschikking ontoereikend is gemotiveerd. Volgt vernietiging en terugwijzing.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 21/03585 B
Datum 28 maart 2023
BESCHIKKING
op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de rechtbank Rotterdam van 18 juni 2021, nummer RK 21/717, op een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering, ingediend
door
[klager] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1970,
hierna: de klager.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de klager. Namens deze hebben R.J. Baumgardt, P. van Dongen en S. van den Akker, allen advocaat te Rotterdam, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal P.M. Frielink heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden beschikking en terugwijzing naar de rechtbank Rotterdam, teneinde op het bestaande beklag opnieuw te worden beoordeeld en afgedaan.
2. Beoordeling van het cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel klaagt dat de rechtbank bij de beoordeling van het klaagschrift een onjuiste maatstaf heeft toegepast.
2.2
De rechtbank heeft het klaagschrift, dat strekt tot teruggave van het inbeslaggenomen geldbedrag van € 270.150, ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe het volgende overwogen:
“Procedure
Op 19 maart 2021 is op grond van artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) in het onderzoek een klaagschrift ingediend (...).
Feiten
Op 22 januari 2018 is in het onderzoek 26Vicksburg op grond van artikel 94 Sv beslag gelegd op een geldbedrag van € 270.150,=. In de zaak 26Vicksburg is strafrechtelijk onderzoek gedaan betreffende uitvoer van cocaïne en witwassen. In dit onderzoek was klager aangemerkt als een van de verdachten. De strafzaak tegen verzoeker is onder bovenstaand parketnummer op 10 januari 2021 geseponeerd.
Standpunt klager en standpunt officier van justitie
Het klaagschrift strekt tot teruggave van het geldbedrag aan klager. (...)
Beoordeling klacht
Vooropgesteld moet worden dat het onderzoek in raadkamer naar aanleiding van een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a Sv een summier karakter draagt.
In geval van een beklag van de beslagene tegen een op grond van artikel 94 Sv gelegd beslag dient de rechter eerst te beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert. Als het strafvorderlijk belang voortduring van het beslag vordert, wordt geen teruggave gelast. Als er geen strafvorderlijk belang aan teruggave in de weg staat, vindt teruggave plaats aan de beslagene, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende ten aanzien van dat voorwerp moet worden beschouwd.
Uit het proces-verbaal blijkt dat het geldbedrag is aangetroffen in 13 gesealde zakken, verborgen in een ruimte (in een geprepareerde brandstoftank) van een Hino vrachtwagen. Die vrachtwagen is door een chauffeur, genaamd [betrokkene 1] , van Engeland naar Hoek van Holland in Nederland gereden. De medeverdachten in de strafzaak, [betrokkene 1] en [betrokkene 2] (een broer van klager), verklaren niets af te weten van het geldbedrag. Klager beroept zich op zijn zwijgrecht en in zijn 4e verhoor van 26 februari 2018 verklaart hij dat het geldbedrag van € 230.000,= van hem zou zijn. Tijdens dit verhoor heeft klager stukken overgelegd waaruit blijkt dat een andere broer, [betrokkene 3] , op enig moment een bedrag van € 250.000,= aan klager heeft gegeven. Bij het nader verhoor op 27 februari 2018 over de verklaring van de herkomst van het geldbedrag heeft klager aangegeven dat hij verder geen verklaring meer wenst af te leggen. Hierna is begin maart 2018 opnieuw contact gelegd met klager voor een nader verhoor, maar klager heeft hierbij aangegeven dat hij geen verklaring meer wenst af te leggen.
Klager heeft zijn standpunt dat het geldbedrag aan hem toebehoort onvoldoende onderbouwd. Dat klager een ‘traveller’ is en dat het in hun cultuur normaal is uitsluitend met contant geld te werken, is een omstandigheid die voor het risico van klager moet blijven. Enig objectief bewijs dat dit geldbedrag aan klager toebehoort ontbreekt. De door klager genoemde grootte van de geldbedragen corresponderen steeds niet direct met het in beslaggenomen geldbedrag en klager heeft in de strafzaak na het afleggen van zijn 4e verklaring niet verder meegewerkt om zijn verklaring over de herkomst van het geldbedrag te kunnen verifiëren. Het zou goed kunnen zijn dat klager op enig moment van zijn broer een groot geldbedrag heeft gekregen, maar dat betekent niet zonder meer dat het inbeslaggenomen geld dan dit geld betreft.
Gelet op het voor overwogene is de rechtbank van oordeel dat voorshands niet buiten redelijke twijfel staat dat de klager als eigenaar van het inbeslaggenomen geldbedrag moet worden aangemerkt.
Slotsom
De rechtbank zal het beklag ongegrond verklaren.”
2.3
De rechtbank heeft vastgesteld dat op grond van artikel 94 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) beslag is gelegd op een geldbedrag van € 270.150 en heeft kennelijk de klager aangemerkt als de beslagene. Bij de beoordeling van een klaagschrift van de beslagene dat is gericht tegen een beslag dat is gelegd op grond van artikel 94 Sv, moet de rechter a. beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert, en zo nee, b. de teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp gelasten aan de beslagene, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende ten aanzien van dat voorwerp moet worden beschouwd. (Vgl. HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823, rechtsoverweging 2.8.)
2.4
De rechtbank is kennelijk van oordeel geweest dat het belang van strafvordering het voortduren van het beslag niet (langer) vorderde. De rechtbank heeft het klaagschrift ongegrond verklaard omdat ‘voorshands niet buiten redelijke twijfel staat dat de klager als eigenaar van het inbeslaggenomen geldbedrag moet worden aangemerkt’. Daarmee heeft de rechtbank een andere maatstaf toegepast bij de beoordeling van het klaagschrift dan de hiervoor in rechtsoverweging 2.3 onder b. genoemde. Dit betekent dat haar beschikking ontoereikend is gemotiveerd.
2.5
Het cassatiemiddel slaagt.
3. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de beschikking van de rechtbank;
- wijst de zaak terug naar de rechtbank Rotterdam, opdat de zaak opnieuw wordt behandeld en afgedaan.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren J.C.A.M. Claassens en C.N. Dalebout, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 maart 2023.
Conclusie 07‑02‑2023
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Beklag (art. 552a Sv) over (derden)beslag (art. 94 Sv) op geldbedrag i.v.m. verdenking (voorbereidingshandelingen bij) uitvoer van cocaïne en witwassen. Slagende klacht dat de rechtbank bij haar oordeel dat het klaagschrift ongegrond is, de verkeerde maatstaf (behorend bij beslag a.b.i. art. 94a Sv) heeft gehanteerd. De conclusie strekt tot vernietiging en terugwijzing.
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 21/03585 B
Zitting 7 februari 2023
CONCLUSIE
P.M. Frielink
In de zaak
[klager],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1970,
hierna: de klager
1. Het cassatieberoep
1.1
De rechtbank Rotterdam heeft bij beschikking van 18 juni 2021 het op grond van art. 552a Sv ingediende klaagschrift van de klager, strekkende tot opheffing van het (derden)beslag op een geldbedrag van € 270.150,-, ongegrond verklaard.
1.2
Het cassatieberoep is ingesteld namens de klager. R.J. Baumgardt, P. van Dongen en S. van den Akker, allen advocaat te Rotterdam, hebben één middel van cassatie voorgesteld waarin wordt geklaagd over de door de rechtbank bij haar oordeel toegepaste maatstaf.
2. De procedure
2.1
Op grond van de gedingstukken kan in deze zaak van het volgende worden uitgegaan.
2.2
De klager is samen met twee anderen ([betrokkene 1], een broer van de klager, en [betrokkene 2]) als verdachte aangemerkt in een strafrechtelijk onderzoek (“26Vicksburg”) naar de uitvoer van cocaïne en witwassen. Uit het onderzoek komt naar voren dat [betrokkene 2] met een Hino vrachtwagen van Engeland naar Nederland is gereisd en op 22 januari 2018 in Hoek van Holland is aangekomen. Hij heeft deze vrachtwagen nog diezelfde dag op Schiphol geparkeerd. Even later zijn de klager en zijn broer op Schiphol aangekomen in een Smart auto. De klager is met de Hino vrachtwagen naar Amstelveen gereden. Zijn broer is hem gevolgd in de Smart auto. Nadat de klager en zijn broer enige tijd in Amstelveen hebben doorgebracht en handelingen in de buurt van de vrachtwagen hebben verricht zijn zij door de politie aangehouden. Bij nader onderzoek aan de Hino vrachtwagen is een verborgen ruimte ontdekt. In de verborgen ruimte zijn 13 gesealde zakken met geld (in totaal € 270.150,-) aangetroffen en op de voet van art. 94 Sv in beslag genomen.
2.3
Bij brief van 10 februari 2021 is de strafzaak tegen de klager ter zake van het plegen van voorbereidingshandelingen ten behoeve van de uitvoer van verdovende middelen en het witwassen geseponeerd wegens onvoldoende bewijs.
2.4
Namens de klager is op 22 maart 20211.een op art. 552a Sv gebaseerd klaagschrift ingediend, strekkende tot opheffing van het beslag met last tot teruggave van het in beslag genomen geld aan de klager. Het klaagschrift is op 10 juni 2021 in openbare raadkamer behandeld. De enkelvoudige raadkamer van de rechtbank heeft daar op 18 juni 2021 op beslist.
3. De beschikking
3.1
De rechtbank heeft in haar beschikking hetgeen door partijen is aangevoerd als volgt samengevat:
“Standpunt klager en standpunt officier van justitie
Het klaagschrift strekt tot teruggave van het geldbedrag aan klager. Aangevoerd is dat klager eigenaar is van het geldbedrag en na het seponeren van de stafzaak tegen hem er geen strafvorderlijk belang is het beslag te handhaven. Aangetoond is dat hij het geldbedrag van zijn broer heeft gekregen en afkomstig is van in- en verkoop van paarden.
De officier van justitie heeft geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beklag. Daartoe is gesteld dat klager niet kan worden aangemerkt als eigenaar en feitelijk rechthebbende van het geldbedrag.”
3.2
In aanvulling hierop maak ik nog melding van het standpunt van het openbaar ministerie zoals weergegeven in het proces-verbaal van de raadkamerzitting van 10 juni 2021:
“De officier van justitie merkt op:
Er is een schriftelijk standpunt welke ik voor de raadsman zal samenvatten.
In het onderzoek 26Vicksburg komt de geur van witwassen en cocaïne je tegemoet. De [broers] komen per vliegtuig naar Nederland en de vrachtwagen gaat met de boot. Ook is er een crypto-telefoon gevonden.
De ene officier van justitie seponeert een zaak eerder dan een ander, maar de zaak had ook verder vervolgd kunnen worden. Zoals in de sepotbrief is vermeld beteken[t] een sepot niet dat een zaak is beëindigd maar dat op grond van nieuwe feiten en omstandigheden een sepot kan worden herzien.
Juridisch gezien is het geldbedrag niet onder klager in beslag genomen. Het is aangetroffen in een verborgen ruimte in de vrachtwagen en verdachten hebben zich beroepen op hun zwijgrecht over het geldbedrag. In het onderzoek is niet vast komen te staan wie rechthebbende is; op het inbeslaggenomen geldbedrag van € 270.150,=.
Medeverdachten [betrokkene 1] en [betrokkene 2] hebben verklaard niets van het geld te weten.
Klager verklaart zelf in zijn vierde verklaring dat van het geldbedrag € 230.000,= van hem is, terwijl het beslag ziet op een ander geldbedrag (namelijk € 270.150,=}, en dat zijn broer hem in 2017 een geldbedrag van € 250.000,= heeft gegeven. Ook dat geldbedrag komt niet overeen met het inbeslaggenomen geldbedrag. Bovendien zou dat moeten blijken uit een ongedateerd kladje. Klager verklaar[t] dat hij met [betrokkene 2] het geldbedrag in Ierland in de accu heeft verstopt maar [betrokkene 2] weet daar niets van. Klager is niet bereid geweest een vijfde of zesde verhoor aan te gaan.
Nu niet buiten redelijke twijfel klager kan worden aangewezen als de rechtmatige eigenaar van het geldbedrag dient het geldbedrag bewaard te worden voor de feitelijke rechthebbende en het klaagschrift ongegrond te worden verklaard.”
3.3
De rechtbank heeft het klaagschrift ongegrond verklaard en in dat verband overwogen:
“Beoordeling klacht
Vooropgesteld moet worden dat het onderzoek in raadkamer naar aanleiding van een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a Sv een summier karakter draagt.
In geval van een beklag van de beslagene tegen een op grond van artikel 94 Sv gelegd beslag dient de rechter eerst te beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert. Als het strafvorderlijk belang voortduring van het beslag vordert, wordt geen teruggave gelast.
Als er geen strafvorderlijk belang aan teruggave in de weg staat, vindt teruggave plaats aan de beslagene, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende ten aanzien van dat voorwerp moet worden beschouwd.
Uit het proces-verbaal blijkt dat het geldbedrag is aangetroffen in 13 gesealde zakken, verborgen in een ruimte (in een geprepareerde brandstoftank)2.van een Hino vrachtwagen. Die vragenwagen is door een chauffeur, genaamd [betrokkene 2], van Engeland naar Hoek van Holland in Nederland gereden. De medeverdachten in de strafzaak, [betrokkene 2] en [betrokkene 1] (een broer van klager), verklaren niets af te weten van het geldbedrag. Klager beroept zich op zijn zwijgrecht en in zijn 4e verhoor van 26 februari 2018 verklaart hij dat het geldbedrag van € 230.000,= van hem zou zijn. Tijdens dit verhoor heeft klager stukken overgelegd waaruit blijkt dat een andere broer, [betrokkene 3], op enig moment een bedrag van € 250.000,= aan klager heeft gegeven.
Bij het nader verhoor op 27 februari 2018 over de verklaring van de herkomst van het geldbedrag heeft klager aangegeven dat hij verder geen verklaring meer wenst af te leggen. Hierna is begin maart 2018 opnieuw contact gelegd met klager voor een nader verhoor, maar klager heeft hierbij aangegeven dat hij geen verklaring meer wenst af te leggen.
Klager heeft zijn standpunt dat het geldbedrag aan hem toebehoort onvoldoende onderbouwd. Dat klager een ‘ traveller ‘ is en dat het in hun cultuur normaal is uitsluitend met contant geld te werken, is een omstandigheid die voor het risico van klager moet blijven. Enig objectief bewijs dat dit geldbedrag aan klager toebehoort ontbreekt. De door klager genoemde grote van de geldbedragen corresponderen steeds niet direct met het in beslaggenomen geldbedrag en klager heeft in de strafzaak na het afleggen van zijn 4e verklaring niet verder meegewerkt om zijn verklaring over de herkomst van het geldbedrag te kunnen verifiëren. Het zou goed kunnen zijn dat klager op enig moment van zijn broer een groot geldbedrag heeft gekregen, maar dat betekent niet zondermeer dat het inbeslaggenomen geld dan dit geld betreft.
Gelet op het voor overwogene is de rechtbank van oordeel dat voorshands niet buiten redelijke twijfel staat dat de klager als eigenaar van het inbeslaggenomen geldbedrag moet worden aangemerkt.”
4. Het middel
4.1
In het middel wordt geklaagd dat de rechtbank bij haar oordeel dat het klaagschrift ongegrond is, de verkeerde maatstaf heeft gehanteerd. Volgens de stellers van het middel is de bestreden beschikking om die reden onvoldoende met redenen omkleed, dan wel onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd.
4.2
In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat de rechtbank met haar oordeel dat niet buiten redelijke twijfel staat dat de klager als eigenaar van het in beslag genomen geldbedrag moet worden aangemerkt een onjuiste maatstaf heeft gehanteerd en de klager ten onrechte een bewijslast heeft opgedrongen. De rechtbank heeft verzuimd te toetsen of de klager redelijkerwijs als rechthebbende op het inbeslaggenomene kan worden aangemerkt.
4.3
Vooropgesteld moet worden dat het onderzoek in raadkamer naar aanleiding van een klaagschrift als bedoeld in art. 552a Sv een summier karakter draagt.3.
4.4
De rechtbank heeft vastgesteld dat er op het geldbedrag beslag is gelegd op de voet van art. 94 Sv. De rechtbank stelt niet met zoveel woorden vast onder wie het beslag is gelegd. In de KVI staat geen naam van een beslagene vermeld.4.Uit het onderliggende dossier blijkt dat niet is komen vast te staan wie rechthebbende is op het in beslag genomen geldbedrag. Een en ander volgt ook uit de uitlatingen van de officier van justitie in raadkamer.5.De klager stelt eigenaar van dit geldbedrag te zijn. Hier doet zich dus het geval voor dat een ander dan de beslagene, stelt dat het inbeslaggenomen geldbedrag hem in eigendom toebehoort en zich bij de rechtbank beklaagt over de voortduring van het beslag en het uitblijven van een last tot teruggave aan hem.
4.5
In zo’n geval dient de rechter a) te beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert en, zo nee, b) de teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp te gelasten aan de klager indien deze redelijkerwijze als rechthebbende ten aanzien van dat voorwerp moet worden beschouwd.6.
4.6
De rechtbank heeft in de bestreden beschikking dit toetsingskader vooropgesteld, zij het dat de rechtbank daarbij wel heeft vermeld “(i)n geval van een beklag van de beslagene”. Hoewel de rechtbank er kennelijk – ten onrechte – vanuit is gegaan dat de klager als beslagene moet worden aangemerkt, maakt dat voor het toetsingskader niet uit; getoetst moet worden of zoals de rechtbank het noemt ‘een ander’, in dit geval dus klager, als derde belanghebbende redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt. Voor zover wordt geklaagd dat de rechtbank (formeel) de verkeerde maatstaf heeft gehanteerd mist het middel feitelijke grondslag. Iets anders is de wijze waarop de rechtbank deze maatstaf (feitelijk) heeft uitgelegd.
4.7
Allereerst is de rechtbank voorbij gegaan aan de vraag of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert. Kennelijk is de rechtbank van oordeel dat dit strafvorderlijk belang ontbreekt. Deze vraag lijkt ook geen onderwerp van discussie te zijn geweest tijdens de behandeling in raadkamer. In cassatie moet er dan ook van worden uitgegaan dat een met het klassiek beslag te dienen strafvorderlijk belang het voortduren van het beslag niet vordert.
4.8
Vervolgens overweegt de rechtbank kort samengevat dat de klager onvoldoende heeft onderbouwd dat hij eigenaar van het in beslag genomen geld is en dat enig objectief bewijs dat het geld aan de klager toebehoort ontbreekt, zodat ‘voorhands niet buiten redelijke twijfel staat dat de klager als eigenaar van het in beslaggenomen geldbedrag moet worden aangemerkt’. Dit is echter het criterium dat de rechter moet toepassen bij de beoordeling van beslag dat is gelegd op de voet van art. 94a Sv.7.Hoewel de rechtbank dus wel het juiste toetsingskader voorop heeft gesteld (zie hiervoor onder randnr. 4.6), heeft zij inhoudelijk aan het verkeerde criterium getoetst.
4.9
Ik heb mij afgevraagd of deze misslag van de rechtbank verbeterd kan worden gelezen,8.maar meen dat dit hier geen optie is omdat het inhoudelijk een ander criterium is dat een andere afweging van de beklagrechter vergt en waarbij (rechtens te respecteren) belangen van de klager in het geding zijn. De toetsing bij een art. 94a-beslag is “strenger” dan bij een art. 94-beslag. De omstandigheid dat iemand niet als eigenaar van het inbeslaggenomen geldbedrag kon worden aangemerkt, sluit niet uit dat hij wel redelijkerwijs als rechthebbende ten aanzien van dat geldbedrag moet worden beschouwd. Dat maakt dat de bestreden beschikking ontoereikend is gemotiveerd.9.
4.10
Het middel slaagt.
5. Conclusie
5.1
Het middel is terecht voorgesteld.
5.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden beschikking aanleiding behoren te geven.
5.3
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en terugwijzing naar de rechtbank Rotterdam, teneinde op het bestaande beklag opnieuw te worden beoordeeld en afgedaan.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 07‑02‑2023
AG: In een bij het klaagschrift gevoegde pagina uit het dossier wordt gesproken over “twee geprepareerde accubakken”. In de ‘Kennisgeving van inbeslagneming artikel 94 en 94a Wetboek van Strafvordering’ staat vermeld dat het geld is aangetroffen in “een verborgen accuruimten van een vrachtwagen”.
HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823, NJ 2010/654 m.nt. P.A.M. Mevis, rov. 2.2. en onlangs HR 31 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:128, rov. 2.3.2.
Op enig moment is, wellicht door een parketmedewerker, op de KVI met pen een parketnummer en de naam van klager geschreven. De rechtbank is hier aan voorbijgegaan.
Zie onder randnummer 3.2. Overigens staat in het klaagschrift wel vermeld dat het geld onder de klager in beslag is genomen. Dat is juridisch weliswaar niet juist, maar helemaal verwonderlijk is dat ook weer niet omdat het geld is aangetroffen in de vrachtwagen die de klager als laatste had bestuurd.
HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823, NJ 2010/654 m.nt. P.A.M. Mevis, rov. 2.8.
HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823, NJ 2010/654 m.nt. P.A.M. Mevis, rov. 2.15.
Zoals in HR 12 mei 1999, ECLI:NL:HR:2009:BH5695.
Vgl. belang toepassen juiste maatstaf: HR 22 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:977; HR 22 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2785; HR 18 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:959.