Het vertrouwensbeginsel bij de interstatelijke samenwerking in strafzaken
Einde inhoudsopgave
Het vertrouwensbeginsel bij de interstatelijke samenwerking in strafzaken (SteR nr. 31) 2016/14.6.2:14.6.2 Het beroep tot nietigverklaring van een handeling
Het vertrouwensbeginsel bij de interstatelijke samenwerking in strafzaken (SteR nr. 31) 2016/14.6.2
14.6.2 Het beroep tot nietigverklaring van een handeling
Documentgegevens:
Thomas Kraniotis, datum 01-08-2016
- Datum
01-08-2016
- Auteur
Thomas Kraniotis
- JCDI
JCDI:ADS456980:1
- Vakgebied(en)
Bestuursprocesrecht / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Op grond van artikel 263 VWEU gaat het Hof de wettigheid na van bepaalde handelingen van de instellingen van de EU. Het gaat om wetgevingshandelingen, om handelingen van de Raad, de Commissie en de Europese Centrale Bank, niet zijnde aanbevelingen of adviezen, en om handelingen van het Parlement en de Raad die beogen rechtsgevolgen ten aanzien van derden te hebben. Het beroep daartegen kan worden ingesteld door een lidstaat, het Parlement, de Raad en de Commissie wegens onbevoegdheid, schending van wezenlijke vormvoorschriften, schending van de Verdragen of van enige uitvoeringshandeling daarvan, dan wel wegens misbruik van bevoegdheid. Ook een particulier, een natuurlijke dan wel rechtspersoon, kan beroep instellen tegen handelingen die tot hem zijn gericht of hem rechtstreeks en individueel raken en tegen regelgevingshandelingen die hem rechtstreeks raken en die geen uitvoeringshandelingen met zich brengen. Van dat laatste zal bij de samenwerking in strafzaken vooralsnog niet snel sprake zijn, aangezien dergelijke regelgeving doorgaans omgezet moeten worden in de nationale wetgeving van de lidstaten. Is het beroep gegrond, dan wordt de betwiste handeling nietig verklaard, zij het dat het hof bepaalde gevolgen ervan in stand kan laten (art. 264 VWEU). Op grond van artikel 266 VWEU is de instelling, het orgaan of de instantie van wie een handeling nietig is verklaard gehouden de nodige maatregelen te nemen ter uitvoering van het arrest van het hof.
Dit is een wezenlijke uitbreiding van artikel 35, zesde lid, VEU (oud) dat alleen de Commissie en de lidstaten de bevoegdheid toekende een dergelijk beroep in te stellen. Niettemin biedt deze procedure tegen de achtergrond van het vertrouwensbeginsel weinig toegevoegde waarde. Het gaat om nietigverklaring van handelingen van organen van de Unie, terwijl het bij de werking van het vertrouwensbeginsel gaat om de relatie tussen lidstaten onderling. Bovendien gaat het bij de samenwerking in strafzaken, als gezegd, doorgaans om regelgeving die omzetting behoeft en dus niet door deze procedure wordt bestreken