Einde inhoudsopgave
Ontwikkelingen in het civielrechtelijk conservatoir beslag in Nederland (BPP nr. XV) 2013/6.2
6.2 Het opheffingskortgeding en doctrine
mr. M. Meijsen, datum 27-05-2013
- Datum
27-05-2013
- Auteur
mr. M. Meijsen
- JCDI
JCDI:ADS493411:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Cremers 1983, p. 692-696, las in de ontwerptekst een verandering met betrekking tot de (geïmpliceerde) bewijslastverdeling. De toenmalige president van de rechtbank te Den Bosch stelt dat de beslaglegger de bewijslast zou moeten dragen van de ondeugdelijkheid van het ingeroepen recht, en niet andersom.
Huydecoper 2006, p. 15-28.
Tjittes 2002, p. 65-66.
HR 30 juni 2006, LJN AV1559, NJ 2007, 483, m.nt. H.J. Snijders (Bijl/Van Baaien c.s.).
Jansen 2008, p. 7: ‘De effectieve waarde van de stem van de beslagene in een opheffingskortgeding wordt steeds verder ingeperkt; hiermee wordt de beslagene in een steeds moeilijker positie geplaatst’.
De Greve 2006, p. 180-184: ‘De Hoge Raad heeft met het arrest Bijl/Van Baaien c.s. de betekenis van de imperatieve opheffingsgrond van summierlijke ondeugdelijkheid gemaakt tot een holle frase’.
Thoe Schwartzenberg 2007, p. 129-135, trekt de conclusie dat de beslaglegger per definitie op voorsprong komt te staan; de beslagene moet van goeden huize komen om het beslag opgeheven te krijgen.
Klaassen 2009, p. 323, meent dat er veel voor te zeggen zou zijn geweest als de Hoge Raad in het arrest Bijl/Van Baalen c.s. wél zou hebben geoordeeld dat in het geval van een afwijzend bodemvonnis (in een contradictoire procedure) in beginsel opheffing van het beslag geïndiceerd is (…).
In de doctrine zijn met enige regelmaat vraagtekens geplaatst bij de ontwikkelingen en werking van het opheffingskortgeding in de praktijk. Het gaat hierbij met name om reacties naar aanleiding van de nieuwe wettekst uit 1992, uitspraken van de Hoge Raad over de (juridische) uitleg en invulling in situaties waarin conservatoir beslag werd gelegd, waarna om opheffing hiervan is verzocht, en de ontwikkelingen in de rechtspraktijk als gevolg hiervan. Zo zette Cremers1 naar aanleiding van de ontwerptekst van het huidige artikel 705 Rv vraagtekens bij de gevolgen van de ‘bewijslast’verdeling, Huydecoper bepleitte in een opstel met de titel ‘Beslaan wij maar raak?’ een omkering van de ‘bewijslast’ in een opheffingskortgeding2 en Tjittes stelde in een redactionele kanttekening, getiteld: ‘Eerder opheffing van conservatoir beslag’, dat het beter ware artikel 705 lid 1 Rv zo te formuleren dat een conservatoir beslag wordt opgeheven tenzij de beslaglegger zijn vordering summierlijk aannemelijk maakt.3 Naar aanleiding van het arrest Bijl/Van Baalen c.s.4 lieten Jansen,5 De Greve,6 Thoe Schwartzenberg7 en Klaassen8 kritische geluiden horen over de gevolgen van het arrest voor de positie van de beslagene. Een aantal van voornoemde ontwikkelingen zullen daarom hierna worden besproken.