Einde inhoudsopgave
De rol en positie van de raad van toezicht van de stichting (IVOR nr. 112) 2018/6.3.3
6.3.3 Voorbeelden van stichtingen waarbij belanghebbenden institutioneel zijn betrokken
mr. M.J. van Uchelen-Schipper, datum 04-02-2018
- Datum
04-02-2018
- Auteur
mr. M.J. van Uchelen-Schipper
- JCDI
JCDI:ADS383704:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Ondernemingsrecht / Economische ordening
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Op grond van artikel 35c WOR kan de ondernemer die een onderneming in stand houdt waarin in de regel ten minste 10 maar minder dan 50 personen werkzaam zijn en waarvoor geen OR is ingesteld, kan een personeelsvertegenwoordiging instellen op verzoek van de meerderheid van de in de onderneming werkzame personen.
Zie hierover Roest 2015, p. 475 e.v. De bestuurder, hij die rechtstreeks de hoogste zeggenschap uitoefent over de leiding van de arbeid (artikel 1 lid 1 sub e WOR), vertegenwoordigt de stichting (de ondernemer) in de contacten met de OR.
Op basis van artikelen 3 en 4 van de Wet medezeggenschap op scholen, moet iedere school een MR hebben en een gemeenschappelijke MR per rechtspersoon, bijvoorbeeld als een stichting meerdere scholen in stand houdt.
Laseur-Eelman & Nolen 2015, p. 447.
In de zin van artikel 1 lid 1 sub f en g van de Wet op het overleg huurders verhuurder.
Anders dan in andere sectoren zijn (vertegenwoordigers van) belanghebbenden organisatorisch betrokken bij het fonds. Aldus Code Pensioenfondsen onder 1.1.
Maatman, Enzerink & Kraaiveld 2015.
Roest 2015, p. 485-486. Aangezien zowel de WOR als de Wmcz voorgenomen besluiten aan het adviesrecht onderwerpen, zal van de cliëntenraad en de OR gelijktijdig advies worden gevraagd. Denkbaar is dat de OR en de cliëntenraad verschillende of zelfs tegenstrijdige adviezen uitbrengen. Roest geeft aan dat geschillen over bijvoorbeeld een fusie van een zorginstelling kunnen worden behandeld door een commissie van vertrouwenslieden (artikel 10 lid 1 Wmcz) of door de Ondernemingskamer. Overigens kunnen zowel de OR als de cliëntenraad een verzoek tot het instellen van een enquête indienen bij de Ondernemingskamer.
Zoals gezegd zijn zij daarbij wel aan de regels van artikel 2:8 BW gebonden.
Van Dongen & Hopmans 2015 naar aanleiding van het Rapport WRR 2014. Hoppenbrouwers & Rensen 2015 signaleren mijns inziens terecht dat huurdersorganisaties al allerlei instrumenten hebben waarmee zij tegenwicht kunnen bieden (zij moeten betrokken worden bij fusies en splitsingen, hebben enquêterecht en kunnen gebruik maken van artikel 2:298 BW).
Maatman, Enzerink & Kraaiveld 2015.
In de vorige paragraaf kwam al aan de orde welke verschillende belangen en belanghebbenden kunnen worden onderscheiden. Bij een aantal soorten stichtingen zijn de direct belanghebbenden op grond van de wet georganiseerd in belanghebbendenorganen of medezeggenschapsorganen (voor het gemak spreek ik hierna over belanghebbendenorganen). Stichtingen kunnen ook vrijwillig in de statuten een belanghebbendenorgaan creëren.
Bij bepaalde soorten stichtingen is betrokkenheid van belanghebbenden middels een belanghebbendenorgaan wettelijk voorgeschreven.
Stichtingen met een onderneming
Indien een stichting een onderneming in stand houdt waarin in de regel ten minste 50 personen werkzaam zijn is de stichting verplicht om een ondernemingsraad (OR) in de stellen (artikel 2 WOR).1 Volgens artikel 2 WOR is dit “in het belang van het goed functioneren van die onderneming in al haar doelstellingen”. Een voorbeeld van een stichting waar doorgaans een OR moet worden ingesteld is een grote zorginstelling, zoals een ziekenhuis; deze instelling kan kwalificeren als onderneming in de zin van de WOR. Indien een OR is ingesteld, komen aan de OR wettelijke rechten toe, waaronder adviesrecht ten aanzien van een aantal limitatief opgesomde financieel-economische besluiten (artikel 25 WOR) en adviesrecht ten aanzien van benoeming en ontslag van bestuurders (artikel 27 WOR).2 Het adviesrecht van artikel 25 WOR speelt bijvoorbeeld een rol als het bestuur het voornemen heeft om over te gaan tot een herstructurering (zoals een juridische fusie met een andere stichting) of tot een wijziging in de organisatie en de bevoegdheidsverdeling (omzetting in een andere rechtsvorm of wijziging van het aantal bestuurders of introductie van een raad van toezichtmodel middels een statutenwijziging).
Onderwijsstichtingen
Scholen in het primair en het voortgezet onderwijs moeten een medezeggenschapsraad (MR) instellen, die voor de helft uit schoolpersoneel en voor de helft uit ouders en leerlingen bestaat.3 De MR heeft een aantal instemmings- en adviesbevoegdheden. Op grond van sectorwetten heeft de MR in het primair en het voortgezet onderwijs een voordrachtsrecht voor ten minste één zetel in de raad van toezicht. Bij stichtingen voor openbaar onderwijs hebben de ouders een voordrachtsrecht voor ten minste een derde en maximaal de helft van het aantal interne toezichthouders.4 Op grond van de Wet op het hoger onderwijs en Wetenschappelijk onderzoek hebben studenten in het hoger onderwijs medezeggenschap ofwel (a) samen met personeelsleden in een MR ofwel (b) via gedeelde medezeggenschap in een studentenraad naast de OR.
Zorgstichtingen
Op grond van de Wet medezeggenschap cliënten zorginstellingen (Wmcz) dient een zorginstelling een cliëntenraad in te stellen. Bovendien kan een centrale cliëntenraad worden gevormd. De cliëntenraad heeft informatierecht en adviesrecht ten aanzien van een aantal besluiten die te vergelijken zijn met de hiervoor genoemde adviesrechten van de OR. Ten minste één lid van de raad van toezicht van de zorgstichting wordt benoemd op bindende voordracht van de cliëntenraad. De cliëntenraad heeft op grond van artikel 6.2 Uitvoeringsbesluit WTZi enquêtebevoegdheid.
Woningstichtingen
Op grond van artikel 53 Woningwet moeten huurdersorganisaties en bewonerscommissies5 worden betrokken bij een aantal belangrijke besluiten, waaronder een voorgenomen fusie of splitsing van de woningstichting. De huurdersorganisatie(s) of gezamenlijke huurders hebben op grond van artikel 30 lid 9 Woningwet het recht om een bindende voordracht te doen voor de benoeming van twee leden van de raad van toezicht (daar commissarissen genoemd) als de raad van toezicht uit vijf of meer leden bestaat of één lid van de raad van toezicht als de raad van toezicht uit drie of vier leden bestaat (drie is het minimumaantal leden van de raad van toezicht op grond van artikel 30 lid 1 Woningwet).
Pensioenstichtingen
Pensioenfondsen kennen een belanghebbendenorgaan (BO) of een verantwoordingsorgaan (VO).6 Voor de vraag wanneer een belanghebbendenorgaan en wanneer een verantwoordingsorgaan moet worden ingesteld is bepalend de vraag of de “pariteit” (vertegenwoordiging van werkgevers, werknemers en pensioengerechtigden) in het bestuur (waaronder de one tier board) zijn vertegenwoordigd. Als zij zitting hebben in het bestuur, is er een verantwoordingsorgaan waarin vertegenwoordigers van werknemers, pensioengerechtigden en eventueel werkgevers (indien zij dat wensen) zitting hebben. Dit verantwoordingsorgaan heeft slechts adviesrechten. Indien de pariteit niet in het bestuur is vertegenwoordigd, dient een belanghebbendenorgaan ingesteld te worden waarin de deelnemers, pensioengerechtigden en werkgevers verplicht vertegenwoordigd zijn.7 Het belanghebbendenorgaan heeft adviesrechten en goedkeuringsrechten ten aanzien van een aantal belangrijke bestuursbesluiten, waaronder de wijziging of vaststelling van het strategisch beleggingsbeleid (artikel 115c lid 9 Pw).
Botsende belangen
Indien er meerdere belanghebbendenorganen binnen één stichting zijn, kunnen de belangen en besluiten van deze organen onderling botsen. Als voorbeeld kan worden genoemd de samenloop van bevoegdheden van de OR en de cliëntenraad van een zorginstelling.8 Ten aanzien van een aantal voorgenomen besluiten van een zorginstelling, zoals een fusie, het aangaan van een duurzame samenwerking of een belangrijke wijziging in de organisatie, hebben zowel de cliëntenraad als de OR een adviesrecht. Het bestuur en, in het verlengde daarvan, de raad van toezicht kunnen tegenstrijdige adviezen van verschillende belanghebbendenorganen ontvangen die zij beide in hun belangenafweging moeten betrekken.
Statutaire belanghebbendenorganen en statutaire invloed van belanghebbenden
In de statuten kunnen ook bij andere soorten dan de hiervoor genoemde stichtingen belanghebbendenorganen worden gecreëerd. Bijvoorbeeld een stichting die ten doel heeft onderzoek naar de bestrijding van een bepaalde zeldzame ziekte te bevorderen kan een deelnemersraad instellen, die bestaat uit mensen die aan deze ziekte lijden. Een ander voorbeeld van een belanghebbendenorgaan dat kan worden ingesteld is een vergadering van aangeslotenen. Bij het toekennen van bevoegdheden aan een belanghebbendenorgaan dient, zoals in hoofdstuk 4 opgemerkt, het ledenverbod in het oog gehouden te worden. Overigens zou ook de vergadering van certificaathouders van een stichting administratiekantoor als een belanghebbendenorgaan gezien kunnen worden. Hierop kom ik hierna onder het kopje “fiduciaire verhoudingen” terug.
Verhouding tussen belanghebbendenorgaan en raad van toezicht
Betekent het feit dat er een belanghebbendenorgaan (of instantie) is met een bepaalde invloed dat een raad van toezicht niet meer nodig is of is deze dan juist wel nodig? De raad van toezicht heeft een andere rol binnen de stichting dan het belanghebbendenorgaan, te weten: een toezichthoudende rol op grond van een (wettelijke) taak. Leden van de raad van toezicht dienen zich te richten naar het belang van de stichting en de daarmee verbonden onderneming of organisatie. Belanghebbendenorganen hebben geen wettelijke taak en normstelling. Dergelijke organen behartigen in beginsel slechts de belangen van hun “achterban”.9
Als er een belanghebbendenorgaan binnen de stichting is ingesteld, hoeft dit orgaan bovendien niet noodzakelijkerwijs representatief te zijn voor de (hele) groep belanghebbenden. Een mogelijk risico is dan dat de belangen van de directe belanghebbenden niet (goed) worden verwoord of niet goed worden vertaald naar het bestuur, hetgeen er toe kan leiden dat het bestuur geen of te weinig draagvlak heeft bij belanghebbenden. Een ander risico is dat bepaalde georganiseerde belanghebbenden té goed worden gehoord, terwijl andere groepen belanghebbenden geen stem hebben.
Relevant is welke wettelijke en/of statutaire bevoegdheden het belanghebbendenorgaan heeft: zijn dat adviesbevoegdheden waar gemotiveerd van afgeweken kan worden (medezeggenschapsrechten) of statutaire goedkeuringsbevoegdheden (vetorechten)? De OR die de belangen van de werknemers behartigt heeft op grond van de WOR adviesrecht ten aanzien van een aantal financieel- economische besluiten. Er kunnen ook belanghebbendenorganen met goedkeuringsrechten zijn. In de literatuur is opgemerkt dat bij semipublieke instellingen, met name woningcorporaties, aan de zogenoemde “derde macht” meer bevoegdheden zouden moeten worden toegekend “tegen blinde vlekken van het bestuur en de raad van toezicht”.10 Vanwege de eenzijdige rol en positie van het belanghebbendenorgaan meen ik dat niet al te gemakkelijk een zwaardere, goedkeurende rol aan een dergelijk belanghebbendenorgaan gegeven zou moeten worden. Het gevaar van statutaire goedkeuringsbevoegdheden van een belanghebbendenorgaan is dat het orgaan slechts de belangen van de eigen achterban in ogenschouw neemt en op die grond goedkeuring kan onthouden terwijl – gelet op de overige betrokken belangen – een positief besluit in het belang van de stichting zou zijn. Er kan dan een impasse ontstaan. Dit zou er mijns inziens wat betreft een aantal belangrijke bestuursbesluiten, zoals bijvoorbeeld een besluit tot statutenwijziging, voor kunnen pleiten om deze niet te onderwerpen aan de goedkeuring van een belanghebbendenorgaan, maar slechts aan de goedkeuring van de raad van toezicht.
Het belanghebbendenorgaan van een pensioenfonds heeft, als gezegd, adviesrechten en goedkeuringsrechten ten aanzien van een aantal ingrijpende bestuursbesluiten, zoals wijziging van het strategisch beleggingsbeleid. Mede gelet op het feit dat een pensioenfonds een fiduciair karakter heeft (het beheert gelden ten behoeve van economisch belanghebbenden) en het feit dat er verschillende soorten belangen in één belanghebbendenorgaan zijn vertegenwoordigd (de belangen van werkgevers, werknemers en pensioengerechtigden), meen ik dat de zware rol en positie van het belanghebbendenorgaan in dit geval meer voor de hand ligt. Het gaat dan met name om goedkeuringsrechten ten aanzien van – in economisch opzicht – ingrijpende bestuursbesluiten, zoals de wijziging of vaststelling van de pensioenpremie, het beleggingsbeleid of waardeoverdracht of fusie van het pensioenfonds (artikel 115c lid 9 Pw), terwijl de aan de raad van toezicht toegekende bevoegdheden vooral zien op de ondersteuning van diens toezichthoudende taak (zoals goedkeuring van het jaarverslag, de profielschets van bestuurders of een voorgenomen fusie, artikel 104 lid 3 Pw).11
Tussenconclusie
Het feit dat bepaalde soorten stichtingen een belanghebbendenorgaan kennen, betekent niet dat governancecodes het instellen van een raad van toezicht niet voorschrijven. De raad van toezicht heeft een andere rol binnen de stichting dan een belanghebbendenorgaan: de raad van toezicht dient alle relevante belangen te betrekken en af te wegen tegen de achtergrond van de statutaire doelstelling van de stichting. Aan het belanghebbendenorgaan of aan individuele belanghebbenden worden in sommige sectoren voordrachtsrechten toegekend ten aanzien van een of meer leden van de raad van toezicht. Dergelijke leden van de raad van toezicht dienen zich niettemin onafhankelijk op te stellen.
Vanwege de taak en (onafhankelijke) positie van de raad van toezicht, ligt het mijns inziens bij sommige soorten stichtingen, zoals woningstichtingen, meer voor de hand om bestuursbesluiten die ingrijpen in de structuur van de stichting en de daarmee verbonden onderneming of organisatie, zoals doelwijziging, fusie, splitsing en ontbinding, te onderwerpen aan de goedkeuring van een raad van toezicht en niet (slechts) aan de goedkeuring van een bepaald belanghebbendenorgaan.