Financiering en vermogensonttrekking door aandeelhouders
Einde inhoudsopgave
Financiering en vermogensonttrekking door aandeelhouders (VDHI nr. 120) 2014/1.4.3:1.4.3 Opbouw van het onderzoek
Financiering en vermogensonttrekking door aandeelhouders (VDHI nr. 120) 2014/1.4.3
1.4.3 Opbouw van het onderzoek
Documentgegevens:
mr. J. Barneveld, datum 18-09-2013
- Datum
18-09-2013
- Auteur
mr. J. Barneveld
- JCDI
JCDI:ADS410209:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het onderwerp van aandeelhoudersfinanciering zal eerst vanuit een economische invalshoek worden belicht. In hoofdstuk 2 wordt ingegaan op de bedrijfseconomische dimensies van financiering door aandeelhouders. Besproken wordt welke bedrijfseconomische overwegingen ten grondslag kunnen liggen aan de keuze voor een bepaalde kapitaalstructuur. Met het hoofdstuk wordt beoogd de lezer met een juridische achtergrond meer inzicht te bieden in de economische argumenten voor bepaalde financieringsbeslissingen van aandeelhouders, en daarbij inzichtelijk te maken op basis van welke argumenten aandeelhouders soms de voorkeur geven aan een risicovolle financieringsstructuur. In hoofdstuk 3 wordt vervolgens, aan de hand van noties uit de rechtseconomie, besproken op basis van welke argumenten de financieringsvrijheid van aandeelhouders dient te worden begrensd, en hoe deze begrenzing zijn beslag dient te krijgen. Bezien wordt op welke wijze de aandeelhouder door zijn handelen ter zake van de financiering kosten kan externaliseren naar de schuldeisers en overige stakeholders van de vennootschap, in het bijzonder door onderkapitalisatie van de vennootschap, vermogensonttrekkingen en door de vennootschap vreemd vermogen te doen aantrekken. Daar waar externaliteiten zich voordoen, kan grond bestaan om de financieringsvrijheid van de aandeelhouder te beperken. Ook komt de vraag aan bod op welke manier de financieringsvrijheid van aandeelhouders het beste kan worden genormeerd: door absolute kapitaalregels of door open (aansprakelijkheids)normen?
Na de twee economische hoofdstukken zal het relevante Amerikaanse, Duitse en Nederlandse recht worden besproken. Ik hanteer daarbij zoveel mogelijk een symmetrische indeling, die in de hiernavolgende alinea zal worden uiteengezet. In de hoofdstukken over buitenlands recht zal een beschrijving worden geboden van het positieve recht, en tevens aandacht worden besteed aan de argumenten die zijn aangevoerd voor de inhoud van dat recht, zowel in de rechtspraak als in de juridische literatuur. In de hoofdstukken over het Nederlandse recht zal, mede op basis van de lessen die kunnen worden getrokken uit het economische onderzoek en uit het buitenlandse recht, een aantal open vragen inzake de normering van de financieringsvrijheid van aandeelhouders besproken worden en van een antwoord worden voorzien.
Per land wordt besproken welke vennootschapsrechtelijke normen gelden betreffende het kapitaal van de vennootschap en bij de uitkering van dividend. Daarna wordt ingegaan op de grenzen die het insolventierecht stelt aan het onttrekken van eigen vermogen aan de vennootschap, in het bijzonder op de (equivalenten van de) faillissementspauliana. Vervolgens wordt besproken onder welke omstandigheden een aandeelhouder aansprakelijk kan worden gehouden voor (alle of een deel van) de schulden van de vennootschap, vanwege het feit dat de vennootschap is ondergekapitaliseerd of daaraan (te veel) vermogen is onttrokken. Het gaat hier om situaties waarin de rechter de aandeelhouder het voorrecht van de beperkte aansprakelijkheid ontneemt, ofwel door de rechtspersoonlijkheid geheel weg te denken, ofwel door aansprakelijkheid van aandeelhouders aan te nemen op grond van onrechtmatige daad. Ten slotte wordt ingegaan op de wijze waarop het recht omgaat met door aandeelhouders verstrekt vreemd vermogen. Zo wordt besproken hoe de vorderingen van de aandeelhouder op de vennootschap worden behandeld in faillissement en komt aan bod op welke wijze aflossings- en rentebetalingen op aandeelhoudersleningen die voor faillissement hebben plaatsgevonden, worden genormeerd.
Op basis van de analyse van de genoemde leerstukken, en mede in het licht van de bevindingen in de economische hoofdstukken, zal in de conclusie een antwoord worden geformuleerd op de deelvragen die in dit onderzoek centraal staan, en aldus worden betoogd waar de grenzen liggen van de financieringsvrijheid van aandeelhouders in besloten verhoudingen. Het onderzoek is afgesloten op 1 augustus 2013.