Einde inhoudsopgave
Levering en verpanding (O&R nr. 90) 2016/3.3.6.3
3.3.6.3 Blokkerende werking van beslag
mr. B.A. Schuijling, datum 28-01-2016
- Datum
28-01-2016
- Auteur
mr. B.A. Schuijling
- JCDI
JCDI:ADS479302:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Voetnoten
Voetnoten
Art. (712 jo.) 453a lid 1 Rv (roerende zaken, niet-registergoederen); art. (720 jo.) 475h Rv (derdenbeslag); en art. (726 lid 1 jo.) 505 lid 2 Rv (onroerende zaken). Zie ook art. 566 lid 2 en 567 Rv (schepen); en art. 584e Rv (luchtvaartuigen).
Zie art. 474e Rv (aandelen op naam). Aan dit verschil in formulering lijkt geen betekenis toe te komen.
HR 20 februari 2009, JOR 2009/120, m.nt. C. Rijckenberg, NJ 2009/376, m.nt. A.I.M. van Mierlo (Ontvanger/De Jong). Zie ook HR 5 september 2008, JOR 2008/320, m.nt. A. Steneker NJ 2009/154, m.nt. A.I.M. van Mierlo (Forward/Huber); en (in algemene zin) HR 13 november 2015, JOR 2016/24, m.nt. A. Steneker (Promneftstroy/Yukos Capital).
In deze zin reeds Bartels & Heyman 1998.
71. De tenuitvoerlegging van een veroordelend vonnis of een andere executoriale titel gericht op het verhaal van geldvorderingen, vangt steeds aan met een (executoriaal of conservatoir) beslag. Dit beslag kan worden omschreven als een door de schuldeiser genomen maatregel tot aanwijzing en blokkering van goederen in afwachting van executie en verhaal.
De blokkerende werking van het beslag brengt onder meer met zich dat een vervreemding of bezwaring van het beslagen goed geen werking heeft ten opzichte van de eerdere beslaglegger. In de regel bestaat de blokkerende werking eruit dat een latere vervreemding of bezwaring “niet tegen de beslaglegger [kan] worden ingeroepen”.1 Een enkele keer wordt de blokkerende werking zo omschreven dat de beslagen goederen “niet ten nadele van de beslaglegger [kunnen] worden vervreemd of bezwaard”.2
De vraag of de blokkerende werking van beslag de overdracht of bezwaring van het beslagen goed verhindert, moet ontkennend worden beantwoord. Ten aanzien van de blokkerende werking bij beslag op roerende zaken, niet-registergoederen heeft de Hoge Raad overwogen:
“Een beslag als het onderhavige leidt niet tot beschikkingsonbevoegdheid van degene ten laste van wie het beslag is gelegd en staat dus ook niet in de weg aan overdracht van de beslagen zaak aan een derde. De regel van art. 453a lid 1 Rv dat een na de inbeslagneming tot stand gekomen vervreemding niet tegen de beslaglegger kan worden ingeroepen, brengt mee dat de beslaglegger bevoegd blijft zijn door de inbeslagneming ingeleide uitoefening van zijn recht op de in beslag genomen zaak te verhalen voort te zetten, ook al maakt die zaak geen deel meer uit van het vermogen van de schuldenaar.”3
De blokkerende werking van het beslag staat niet in de weg aan een verkrijging van het beslagen goed of een beperkt recht daarop door een derde. Het verkregen goed valt in het vermogen van de verkrijger. De verkrijging wordt echter gerelativeerd, in die zin dat de beslaglegger de executie van het beslagen goed kan voortzetten alsof geen vervreemding of bezwaring heeft plaatsgevonden. Het goed wordt verkregen onder de last van een lopende executie. In zoverre kan men zeggen dat het beslag ‘zaaksgevolg’ heeft.4