NJB 2024/1310:De staatssecretaris moet een land van terugkeer noemen, ook als hij het door de vreemdeling in de asielprocedure gestelde land van herkomst of nationaliteit niet gelooft. Hij mag die ongeloofwaardig geachte landen van herkomst of nationaliteit noemen. Omdat de vreemdeling in de asielprocedure onvoldoende medewerking heeft verleend aan het vaststellen van zijn land van herkomst, hoeft de staatssecretaris bij het nemen van het terugkeerbesluit nog geen nader onderzoek te doen naar het risico op refoulement in die landen. Als later in de terugkeerprocedure blijkt dat de vreemdeling daadwerkelijk uit één van die landen komt, kan dat reden zijn voor nadere besluitvorming waarin het risico op refoulement wordt beoordeeld. De vreemdeling kan dan ook rechtsmiddelen aanwenden.