Einde inhoudsopgave
Wilsdelegatie in het erfrecht (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2014/II.4.3.8.4
II.4.3.8.4 ‘Nader te noemen meester’
mr. N.V.C.E. Bauduin, datum 09-09-2014
- Datum
09-09-2014
- Auteur
mr. N.V.C.E. Bauduin
- JCDI
JCDI:ADS623674:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Asser/Van der Grinten & Kortmann 2-I 2004, nr. 78.
Bloembergen/Van Schendel, Rechtshandeling en overeenkomst 2010, nr. 113. Met de mogelijkheid dat de handelende persoon in beginsel ook zichzelf kan aanwijzen verdwijnt het door Hartkamp en Sieburgh gemaakte onderscheid tussen de clausule ‘voor zich of nader te noemen meester’ en de clausule ‘voor nader te noemen meester’ evenwel op de achtergrond (Asser/Hartkamp & Sieburgh 2012 (6-I), nr. 31 onder ‘c’). Zie ook Asser/Van der Grinten & Kortmann 2-I 2004, nr. 78: ‘Tenzij duidelijk anders is overeengekomen, mag de clausule ‘nader te noemen meester’ niet aldus worden verstaan, dat de handelende zichzelf niet als meester – dus als contractspartner – zou kunnen aanwijzen. In deze opvatting bestaat geen verschil in rechtsgevolg tussen de clausules ‘voor nader te noemen meester’ en ‘voor zich of nader te noemen meester’.’ Van Schaick 2011, nr. 32 e.v. noemt het ‘handelen voor zichzelf of nader te noemen meester’ een vorm van voorwaardelijke vertegenwoordiging. Zie over de figuur van de ‘nader te noemen meester’ in erfrechtelijk verband ook B. Schols 2007a, p. 149 e.v. waarin wordt opgemerkt dat de executeur onder omstandigheden handelt voor een nader te noemen rechtsopvolger van zijn erfrechtelijke meester.
De naam van ‘de meester’ (volmachtgever) dient overigens zonder voorbehoud te worden genoemd, zodat het voor de wederpartij vaststaat wie partij is bij de overeenkomst. Zie HR 26 mei 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA5953, NJ 2000/442.
HR 17 juni 1981, ECLI:NL:PHR:1981:AC7246, NJ 1982/224, Conclusie Adv.-Gen. mr. Mok die daarin Eggens, Weekblad voor het Notarisambt, jaargang 1932, nr. 3260 citeert.
Asser/Hartkamp & Sieburgh 2012 (6-I), nr. 31 onder ‘c’. Bij de koop ‘voor zich of nader te noemen meester’ komt de koopovereenkomst wel onmiddellijk tot stand. Er is in dit geval sprake van de mogelijkheid van een vervangbaar gestelde persoon.
Uit de overeenkomst vloeit dan met andere woorden voort dat de handelende persoon nimmer zelf contractspartij kan worden: niet op grond van een eigen benoeming, noch door het bepaalde in art. 3:67 lid 2 BW. Zie in dit verband ook Asser/Van der Grinten & Kortmann 2-I 2004, nr. 78: ‘Tenzij duidelijk anders is overeengekomen, mag de clausule ‘nader te noemen meester’ niet aldus worden verstaan, dat de handelende zichzelf niet als meester – dus als contractspartner – zou kunnen aanwijzen. In deze opvatting bestaat geen verschil in rechtsgevolg tussen de clausules ‘voor nader te noemen meester’ en ‘voor zich of nader te noemen meester’ (curs. NB).’
Er wordt in art. 3:67 lid 1 BW immers gesproken van ‘hij die een overeenkomst aangaat’ en in het tweede lid van ‘geacht de overeenkomst voor zichzelf te hebben aangegaan, tenzij uit de overeenkomst anders voortvloeit (curs. NB).’
Zo ook Asser/Van der Grinten & Kortmann 2-I 2004, nr. 78: ‘Deze aansprakelijkheid [aansprakelijkheid in het geval van onbevoegde vertegenwoordiging, toev. NB] bestaat ook indien hij geen meester noemt en uit de overeenkomst voortvloeit dat hijzelf geen contractspartij kan zijn.’
Van Schaick 2011, nr. 35.
B. Schols 2007a, p. 149: ‘Dit omdat wij bij de afwikkeling van een nalatenschap niet alleen van doen hebben met een ‘overledene’ die überhaupt geen rechtshandelingen meer kan stellen, maar met name vanwege het feit dat na het overlijden niet van meet af aan bekend hoeft te zijn wie zijn rechtsopvolger is. Niet zelden dienen erfgenamen na het overlijden nog te worden opgespoord. Een executeur dient echter in het belang van een voortvarende boedelafwikkeling zijn wederpartij reeds aan deze onbekende rechtsopvolger van erflater te kunnen binden. De wederpartij handelt met de executeur en kan in beginsel worden gebonden zonder dat hij in die fase (zonder meer) recht heeft de identiteit van zijn contractspartij te kennen. Niet alleen zou onbekend kunnen zijn wie de erfgenamen zijn, maar het zou zich ook voor kunnen doen dat de erfgenaam de nalatenschap verwerpt. Desalniettemin blijft de wederpartij aan de met de executeur aangegane overeenkomst gebonden. Gesteld zou kunnen worden dat de executeur door het gebruik, impliciet dan wel expliciet, van de term executeur zich als onmiddellijk vertegenwoordiger van een nader te noemen rechtsopvolger van zijn erfrechtelijke meester heeft gedragen (curs. NB).’ Volgens B. Schols kan de executeur onder omstandigheden dus handelen namens de nader te noemen rechtsopvolgers onder algemene titel van de erfrechtelijke meester. Hierbij dient overigens te worden gerealiseerd dat de rechtsopvolgers van erflater er wel steeds zijn op grond van art. 4:10 BW of op grond van het bepaalde in art. 4:115 BW en de daarin gelegen woorden ‘daarbij aangewezen’, die van erflater verlangen dat bij het openvallen van de nalatenschap de testamentaire erfgenamen steeds onmiddellijk identificeerbaar zijn (hierover meer in paragraaf 5.2.2). Vanuit dit gezichtspunt kan de vraag worden gesteld in hoeverre ‘onbekend’ hetzelfde is als ‘ onbepaald ’. In beginsel is de identiteit van de erfgenamen wel telkens te achterhalen op grond van de wet of op grond van de uiterste wil en in zoverre handelt de wederpartij van de executeur mijns inziens dan ook niet met een nog onbepaalde ‘contractspartij’.
In het geval van bijvoorbeeld koop voor een ‘nader te noemen meester’ is de handelende persoon aansprakelijk indien hij geen meester noemt en uit de overeenkomst voortvloeit dat hijzelf ook geen contractspartij kan zijn. Zie Asser/Van der Grinten & Kortmann 2-I 2004, nr. 78.
Het handelen voor ‘nader te noemen meester’ is geregeld in art. 3:67 BW:
‘1. Hij die een overeenkomst aangaat in naam van een nader te noemen volmachtgever, moet diens naam noemen binnen de door de wet, de overeenkomst of het gebruik bepaalde termijn of, bij gebreke hiervan, binnen een redelijke termijn.
2. Wanneer hij de naam van de volmachtgever niet tijdig noemt, wordt hij geacht de overeenkomst voor zichzelf te hebben aangegaan, tenzij uit de overeenkomst anders voortvloeit (curs. NB).’
Dit artikel maakt het mogelijk dat de identiteit van één van de contractspartijen enige tijd onbepaald blijft. De handelende persoon behoudt zich dan de bevoegdheid voor om te bepalen wie contractspartij zal zijn. Hij kan hierbij overigens ook zichzelf als ‘meester’ aanwijzen.1 Vaak wordt in dat geval dan de clausule ‘voor zich of nader te noemen meester’ gebruikt.2
Op grond van het tweede lid van art. 3:67 BW zal de handelende persoon, indien hij niet tijdig de naam van ‘de meester’ (de volmachtgever) noemt, geacht worden voor zichzelf te handelen, althans voorzover niet anders uit de overeenkomst voortvloeit. In dat geval is er geen sprake van vertegenwoordiging. Noemt de handelende persoon de naam van ‘de meester’ (de volmachtgever) wel tijdig, dan wordt de rechtshandeling van de handelende persoon aan ‘de meester’ toegerekend en is (wel) sprake van vertegenwoordiging.3
Eggens schreef in 1932:
‘De bevoegdheid om te handelen ‘voor zich of nader te noemen meester’ is nergens verboden, en reeds sinds eeuwen wordt van deze figuur gebruikt gemaakt. […] M.i. beteekent zij dat de door de overeenkomst in het leven geroepen rechtsbetrekking zal gelden als rechtsbetrekking aangegaan door den ‘meester’ indien deze gevonden wordt en verklaart als zoodanig te willen fungeren. […] Als pp. het zoo willen waarom zou dit dan niet gelden, waar zij in beginsel hare vermogensrechtelijke rechtsbetrekkingen kunnen regelen zoals zij willen (curs. NB)?’4
Ofwel de contractsvrijheid dient volgens Eggens te prevaleren. Zou hetzelfde gezegd kunnen worden voor de testeervrijheid? Ofwel: Als erflater het zo wil, waarom zou het dan niet mogelijk zijn om een ander te laten bepalen wie als erfgenamen, legatarissen of lastbevoordeelden optreden?
In paragraaf 4.3.8.1 gaf ik aan dat Hartkamp en Sieburgh een onderscheid maken tussen de koop ‘voor zich of nader te noemen meester’ en de koop ‘voor nader te noemen meester’. Bij de koop ‘voor nader te noemen meester’ komt volgens Hartkamp en Sieburgh de koop niet eerder tot stand dan het moment van de aanwijzing van ‘de meester’.5 Gelet op de vereiste wilsovereenstemming (art. 3:33 jo. 3:35 BW) en het karakter van de koopovereenkomst lijkt me dat juist. Om te kunnen spreken van ‘koop’ zal enerzijds een bepaalde koper dienen op te treden en anderzijds een bepaalde verkoper. Ik vraag mij evenwel af wat de achterliggende gedachte van art. 3:67 BW is, wanneer de koop niet tot stand komt omdat de handelende persoon geen meester aanwijst en de koop evenmin tot stand kan komen omdat de clausule ‘voor nader te noemen meester’ duidelijk de mogelijkheid dat de handelende persoon zichzelf als ‘meester’ aanwijst niet omvat.6 Art. 3:67 BW beoogt immers toch juist enige binding te creëren, terwijl de identiteit van één van de contractspartijen voor een bepaalde termijn onbepaald is.7 Wat is dan rechtens als de handelende partij zelf geen contractspartij kan worden en het aanwijzen van een ‘meester’ uitblijft? Ik meen dat in dat geval van enige binding tussen de handelende persoon en zijn ‘wederpartij’ enkel sprake is in de vorm van aansprakelijkheid van de handelende persoon voor eventuele schade die zijn ‘wederpartij’ door zijn handelen lijdt (art. 3:70 BW).8
Bovenstaande vragen stel ik omdat het antwoord hierop wellicht ook interessant kan zijn voor de vraag of een erflater een uiterste wilsbeschikking kan maken waarin hij bijvoorbeeld als legataris aanwijst: ‘een binnen vier weken na mijn overlijden nader – door X – te noemen (op het moment van het openvallen van de nalatenschap dus nog onbepaald) persoon’. Op het eerste gezicht lijkt art. 3:67 BW zich voor een dergelijke vergelijking niet te lenen. X handelt immers niet voor een nader te noemen ‘meester’, maar voor erflater (die bepaald is). Voorts heeft art. 3:67 BW betrekking op het aangaan van een overeenkomst. Niettemin merkt Van Schaick op:
‘Opvallend is dat art. 3:67 BW spreekt van het aangaan van een overeenkomst in naam van de volmachtgever, terwijl overigens in titel 3.3 BW consequent wordt gesproken van het verrichten van rechtshandelingen in naam van de volmachtgever. Een verklaring voor het verschil geeft de wetgever niet. Het lijkt slordigheid. Hoewel moeilijk denkbaar, zou ik niet bij voorbaat willen uitsluiten dat eenzijdige of andere meerzijdige rechtshandelingen dan overeenkomsten voor een nader te noemen meester kunnen worden verricht.’9
Ook B. Schols ziet voor art. 3:67 BW niet alleen een plek in het overeenkomstenrecht. De gedachte van de nader te noemen meester kan zijns inziens dienst bewijzen in de erfrechtelijke context van executele.10
De vergelijking met art. 3:67 BW gaat in bovengenoemd voorbeeld van een erflater die een uiterste wilsbeschikking maakt waarin hij als legataris aanwijst: ‘een binnen vier weken na mijn overlijden nader – door X – te noemen (op het moment van het openvallen van de nalatenschap dus nog onbepaald) persoon’, evenwel niet op. X handelt immers zoals ik zojuist opmerkte niet voor een nader te noemen ‘meester’, maar voor erflater die bepaald is. Toch kan de vergelijking met het leerstuk van de nader te noemen ‘meester’ wellicht helpen om de rechtsbetrekking tussen de erflater (en na aanvaarding van de nalatenschap: diens erfgenamen) en X te duiden. X heeft de bevoegdheid gekregen om binnen een door de erflater gegeven of redelijke termijn te bepalen wie legataris zal zijn. Anders dan bij het ‘alternatieve legaat’, waarbij de erflater een legaat maakt aan twee bepaalde personen X of Y ter keuze van bijvoorbeeld de erfgenaam (zie paragraaf 4.3.8.3), is de legataris in het bovengenoemde voorbeeld bij het openvallen van de nalatenschap in beginsel nog onbepaald. Is er nu geen sprake van een legaat indien X geen legataris aanwijst? En wat is dan de verhouding tussen X en de erflater/ erfgenamen?11 Is een en ander anders indien X zichzelf als legataris mag aanwijzen (vergelijk de koop ‘voor zich of nader te noemen meester’, waarbij onmiddellijk een overeenkomst tot stand komt)? En past het wel bij ‘de aard’ van het legaat om als erflater een beschikking te maken voor een nog onbepaalde legataris? Ik ga op deze vragen nader in, in paragraaf 5.3.2.