Afgebroken onderhandelingen en gebruik voorbehouden
Einde inhoudsopgave
Afgebroken onderhandelingen en gebruik voorbehouden (R&P nr. 173) 2009/2.2.3:2.2.3 Romp- en voorovereenkomst versus de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid
Afgebroken onderhandelingen en gebruik voorbehouden (R&P nr. 173) 2009/2.2.3
2.2.3 Romp- en voorovereenkomst versus de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid
Documentgegevens:
mr. M.R. Ruygvoorn, datum 09-06-2009
- Datum
09-06-2009
- Auteur
mr. M.R. Ruygvoorn
- JCDI
JCDI:ADS303051:1
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
Verbintenissenrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Art. 6:248 BW, dat een uitwerking vormt van art. 6:2 BW, bepaalt dat een overeenkomst niet alleen de door partijen overeengekomen rechtsgevolgen heeft, maar ook die welke, naar de aard van de overeenkomst, uit de wet, de gewoonte of de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeien. Daarmee rijst de vraag hoe zich dit artikel verhoudt tot de hiervoor behandelde overeenkomsten.
Bij de beantwoording van deze vraag dient vooropgesteld te worden dat het artikel onder meer beoogt lacunes die zijn ontstaan doordat partijen hierin zelf niet hebben voorzien, in te vullen en onredelijke gevolgen van hetgeen partijen zijn overeengekomen te mitigeren. In het kader van de aansprakelijkheid wegens het (ongeoorloofd) afbreken van onderhandelingen is vooral de eerstgenoemde ratio van belang. Uiteindelijk zou de aanvullende werking van art. 6:248 BW een oplossing kunnen bieden voor de invulling van de "witte plekken" ingeval van een rompovereenkomst. Toch is er een belangrijk dogmatisch verschil tussen de invulling daarvan op grond van voormeld artikel en op grond van de rompovereenkomst. Zoals hiervoor immers al ter sprake is gekomen, bevat de rompovereenkomst een "pactum de contrahendo", ofwel een in de reeds bereikte overeenstemming belichaamde contractuele verplichting om de onderhandelingen voort te zetten met als inzet het bereiken van overeenstemming over de nog niet geregelde punten in het geheel van afspraken dat partijen beogen te maken. Pas als partijen daarin niet slagen, komt op vordering van (een van) partijen invulling van de nog niet geregelde punten aan de orde op grond van de wet, gewoonte of redelijkheid en billijkheid wanneer zulks noodzakelijk mocht blijken in het kader van hun rechtsverhouding. Het is dan de rechter die de "witte plekken" invult en niet partijen, gevolg gevend aan hun daartoe bestaande contractuele verplichting, met als wettelijke basis art. 6:248 BW. Uiteraard neemt dit dogmatische verschil niet weg, dat de uiteindelijke norm waaraan wordt getoetst (de redelijkheid en billijkheid) dezelfde is; partijen worden ingeval van een rompovereenkomst immers primair geacht zelf door middel van het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid voortzetten van de onderhandeling invulling te geven aan de nog bestaande lacunes en bij het invullen daarvan door de rechter zal deze diezelfde maatstaf toepassen.
In feite geldt hetgeen hiervoor is opgemerkt met betrekking tot de rompovereenkomst eveneens voor de voorovereenkomst; ook de voorovereenkomst schept immers een contractuele verplichting tot verder onderhandelen met dien verstande dat aan deze contractuele verplichting een uitdrukkelijke wilsovereenstemming ten grondslag ligt. Dat maakt de verhouding tussen de voorovereenkomst en de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid van art. 6:248 BW echter niet anders.