Einde inhoudsopgave
Uitkoop van minderheidsaandeelhouders (VDHI nr. 125) 2014/9.2.4.a
9.2.4.a De benoeming van de deskundige(n)
mr. T. Salemink, datum 01-07-2014
- Datum
01-07-2014
- Auteur
mr. T. Salemink
- JCDI
JCDI:ADS594218:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
De formulering van art. 2:92a/201a lid 5 BW is mijns inziens verwarrend. De eerste zin bepaalt dat de rechter deskundigen kan benoemen, indien de vordering tot uitkoop toewijsbaar is. Pas in de derde zin staat dat de rechter de prijs van de aandelen vaststelt. Het is mijns inziens duidelijker om de volgorde van deze zinnen, zoals het geval is voor de bijzondere uitkoopregeling ex art. 2:359c BW, om te draaien.
Evenzo Van Dort (1991), p. 214; Vander Grinten (1991), p. 11; Van Vliet (1999), p. 69-70 en Asser/ Maeijer/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II* 2009/685.
Over het deskundigenbericht in de geschillenregeling, zie Bulten (2011), p. 170 e.v. Vgl. onder meer uit het gebruik van het woord ‘kan’ in art. 2:92a/201a lid 5 BW en art. 2:359c lid 6 BW, in tegenstelling tot de zinsnede ‘indien de vordering wordt toegewezen benoemt de rechter een of meer deskundigen’ in art. 2:339 lid 1 BW.
Vletter-van Dort (2009), p. 707; Kuijpers (2009), p. 417 noot 27; Bartman onder JOR 2008/336. Volgens Bartman is de OK verplicht om deskundigen te benoemen in alle gevallen waarin het wettelijk prijsvermoeden geen toepassing vindt. Hij wijst daarbij op de Nota naar aanleiding van het Verslag (Kamerstukken II 2005-2006, 30 419, nr. 8, p. 25), waarin – kort gezegd – staat dat de OK mag afwijken van het uitgangspunt dat de biedprijs een billijke prijs is en overgaan tot het benoemen van deskundigen. Voorts beroept hij zich op art. 14 van het voorstel van de dertiende EG-richtlijn uit 2002 dat bepaalt dat behoudens de toepassing van het bewijsvermoeden in alle overige gevallen de prijs door onafhankelijk deskundigen moet worden vastgesteld. Deze bepaling is echter niet teruggekomen in de definitieve versie van de richtlijn. Over dit voorstel ook Hermans (2002), p. 501. Kuijpers is daarentegen van mening dat een deskundigenbericht alleen dwingend is voorgeschreven, indien de OK niet overtuigd is van het wettelijk vermoeden dat de biedprijs een billijke prijs is. Hij motiveert zijn stelling echter niet. Dit laatste geldt ook voor Vletter-van Dort.
OK 28 oktober 2008 (ro. 3.13-3.16), JOR 2008/335 (Numico). Zie voor vergelijkbare zaken nadien, OK 21 december 2010 (ro. 3.14), ARO 2011/16 (Smit Internationale); OK 12 mei 2009 (ro. 3.14), ARO 2009/93 (Tele Atlas).
Evenzo Olden (2009b), p. 104; Van Veersen (2009), p. 64-65; Bruining (2011), p. 113; Assink (2013), p. 2462. Een deskundigenonderzoek is naar mijn mening niet verplicht maar ligt wel voor de hand, indien het wettelijk prijsvermoeden opgaat, maar de OK geen reden ziet om bij de tegenprestatie van een voorafgaand bod aan te sluiten.
De wetgever gebruikt in de toelichting bij de bevoegdheid van de OK om deskundigen te benoemen iedere keer de termen ‘kan’ en ‘mag’: Kamerstukken II 2005-2006, 30 419, nr. 3, p. 49: ‘kan de rechter bevelen dat hij over de waarde van de effecten wordt geadviseerd door deskundigen’. Zie ook de door Bartman onder JOR 2008/336 genoemde passage uit Kamerstukken II 2005-2006, 30 419, nr. 8, p. 25: ‘De rechter mag […] overgaan tot benoemen van een of drie deskundigen ….’.
De richtlijn verplicht lidstaten niet om bij de prijsbepaling de benoeming van deskundigen dwingend voor te schrijven. De lidstaten zijn vrij in de wijze waarop zij de prijsbepaling vormgeven. Zij geeft slechts een ondergrens dat de uitkoopprijs fair moet zijn, zie art. 15 lid 5 van de richtlijn.
Kamerstukken II 2005-2006, 30 419, nr. 3, p. 49.
Kamerstukken I 2006-2007, 30 419, nr. C, p. 10.
Evenzo Olden (2009b), p. 105.
OK 31 januari 2012 (ro. 3.15), JOR 2012/110 (Dim Vastgoed); OK 9 maart 2010 (ro. 3.18), JOR 2010/154 (Rodamco). In beide zaken benoemt de OK dezelfde deskundigen.
Evenzo Van Vliet (1999), p. 70. Zie OK 3 april 1997 (ro. 4.3), JOR 1997/80 (Hotel de l’Europe), waarin de OK expliciet overweegt dat de deskundige zich dient te voorzien van deskundige bijstand op een aantal specifieke terreinen. Over het aantal te benoemen deskundigen in het algemeen, De Groot (2008), p. 159.
Bijvoorbeeld OK 17 maart 2005 (ro. 3.8), ARO 2005/48 (Hycail), waarin de OK overweegt dat de deskundige de benodigde deskundigheid op het gebied van octrooien en rechtsgeleerdheid mag inroepen.
Bijvoorbeeld OK 6 juni 2002, ARO 2002/77 (Polder Jannezand).
Blom (1990), p. 164, vraagt zich of een accountant wel de meest geëigende waarderingsdeskundige is. Hij ziet een accountant in het algemeen als een boekhouddeskundige, die niet is opgeleid voor het waarderen van ondernemingen of aandelen. Hierover ook Van Vliet (1999), p. 70.
De kosten van een waarderingsonderzoek, uitgevoerd in de periode 2008-2013, zijn begroot op gemiddeld E 65.000. De begroting voor een onderzoek uitgevoerd door één deskundige varieerden van E 15.000 (OK 8 oktober 2013, JOR 2014/95 (Glanerbrook)) tot E140.000 (OK 11 december 2012, ARO 2013/19 (Cascal)). De twee onderzoeken uitgevoerd door drie deskundigen waren beide begroot op E 75.000. Zie bijlage 2, tabel 5.1.
Deze beperking volgt nog uit art. 222 Rv (1838), waarbij de rechter niet minder dan drie deskundigen mocht benoemen, tenzij partijen het eens waren over de benoeming van één deskundige. Voor de uitkoopregeling kon de OK in afwijking van art. 222 Rv (1838) volstaan met de benoeming van één deskundige, zie Kamerstukken II 1984-1985, 18 904, nr. 3, p. 8. Het oneven aantal van drie werd nodig geacht ter voorkoming van het staken van de stemmen, zie De Groot (2008), p. 158. Nadien is deze bepaling gewijzigd en laat het huidige art. 194 lid 2 Rv de rechter vrij in de keuze van het aantal deskundigen.
Kamerstukken II 2006-2007, 31 058, nr. 3, p. 104. Hierover ook Bulten (2011), p. 189-190.
Hierover uitgebreid De Groot (2008), p. 130-131.
Bijvoorbeeld OK 9 januari 1997, rolnr. 1147/89, n.g. (VWB); OK 19 april 1990, NJ 1990/546 (Thomassen); OK 14 november 1991, NJ 1992/328 (Amsterdamsche Stand). Hierover ook De Kam (1994), p. 67; Asser/Maeijer/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II* 2009/686.
Evenzo Handboek (2013), nr. 199.7. Ook in de geschillenregeling benoemt de OK, anders de rechtbank in eerste aanleg, direct de deskundigen, zonder partijen gelegenheid te geven zich hierover uit te laten. Zie Bulten (2011), p. 171-172.
O.m. OK 19 maart 2013, ARO 2013/61 (Teleplan); OK 18 september 2012, ARO 2012/139 (IFCO Systems); OK 26 juni 2012, ARO 2012/106 (Econocom).
O.m. OK 11 december 2012, JOR 2013/72 en OK 18 december 2012, ARO 2013/21 (Gamma Holding); OK 18 september 2012, ARO 2012/140 en OK 25 september 2012, ARO 2012/148 (Océ); OK 20 maart 2012, ARO 2012/49 en OK 10 april 2012, ARO 2012/60 (Gucci Group); OK 31 januari 2012, JOR 2012/110 en OK 21 februari 2012, ARO 2012/38 (Dim Vastgoed).
Voor het vaststellen van de uitkoopprijs, kan de OK op grond van art. 2:92a/201a lid 5 en art. 2:359c lid 6 BW één of drie deskundigen benoemen die haar ‘zullen berichten over de waarde van de over te dragen aandelen’.1
De OK is hiertoe echter niet verplicht.2 Zij heeft, zoals gezegd, een discretionaire bevoegdheid in de wijze waarop zij de prijs vaststelt en welke waarderingsmethode zij hieraan ten grondslag legt (§ 9.2.1 sub a). Dit is bijvoorbeeld anders in de geschillenregeling, waarbij art. 2:339 BW een deskundigenbericht onder omstandigheden dwingend voorschrijft.3
In de literatuur bestaat er discussie over de vraag of in de bijzondere uitkoopregeling ex art. 2:359c BW een deskundigenonderzoek verplicht is als het wettelijk prijsvermoeden van lid 6 (§ 9.3.4) geen toepassing vindt. Een aantal auteurs betoogt dat de OK in dat geval gehouden is een onderzoek te gelasten.4
De directe aanleiding voor deze discussie is de uitkoopprocedure inzake Numico uit 2008. Het wettelijk prijsvermoeden gaat in deze zaak niet op, omdat onder het voorafgaand bod ‘slechts’ 89, 1 % van de aandelen is aangemeld. De OK benoemt geen deskundigen, maar stelt de prijs vervolgens vast op grond van de door haar geformuleerde regels ten aanzien van de algemene uitkoopregeling ex art. 2:92a/ 201a BW. Zij sluit hiervoor alsnog aan bij de tegenprestatie van het openbaar bod, aangezien deze ‘recent’ en ‘op grote schaal aanvaard’ is (§ 9.3.2 sub b).5
De benadering van de OK acht ik juist: een deskundigenonderzoek is niet verplicht.6 Zowel uit de wettekst als de parlementaire geschiedenis volgt niet dat een dwingend deskundigenonderzoek beoogd is.7 De dertiende EG-richtlijn verplicht evenmin tot het voorschrijven van een imperatief deskundigenonderzoek.8 Voor de prijsbepaling is juist aangesloten bij de algemene uitkoopregeling van art. 2:92a/201a BW, waarin de benoeming van deskundigen evenmin dwingend is.9 Bovendien benadrukt de wetgever dat de ‘vereenvoudigde prijsbepaling een belangrijk verschil [is] (…) ten opzichte van de bestaande uitkoopregeling van art. 2:92a/201a lid 5 BW’.10 Een verplicht deskundigenonderzoek heeft juist het tegenovergestelde effect. De Numico-zaak is een goed voorbeeld dat een verplicht deskundigenonderzoek onnodige kosten en vertraging met zich meebrengt, als de OK zelf op andere wijze de prijs van de aandelen kan vaststellen.11
De OK kan één of drie deskundigen voor het onderzoek aanwijzen. Het is echter niet duidelijk wanneer zij welk aantal deskundigen benoemt. Van de elf onderzoeken in de periode 2008-2013 zijn alleen in de procedure inzake Rodamco en Dim Vastgoed drie deskundigen benoemd.12 In beide zaken motiveert de OK haar keuze voor drie in plaats van één deskundige echter niet.
Het kan voor de waardering van aandelen wenselijk zijn om verschillende deskundigen te hebben met elk een eigen specialisatie.13 Voorbeelden hiervan in de rechtspraak zijn een octrooigemachtigde14 of een rentmeester.15 De OK volstaat echter in de meeste zaken met de benoeming van één deskundige: vaak een registeraccountant.16 De kosten van het onderzoek spelen bij de keuze voor het aantal deskundigen overigens geen rol, ook omdat het de deskundige vrijstaat om de deskundigheid van anderen in te roepen.17
Er is naar mijn mening geen reden om de beperking van de keuze voor één of drie deskundigen te handhaven.18 De OK moet conform art. 194 lid 2 Rv de vrijheid hebben in het aantal door haar te benoemen deskundigen. Voor de geschillenregeling bevatte art. 2:339 BW tot voor kort dezelfde beperking in het aantal te benoemen deskundigen. Deze bepaling is bij de vereenvoudiging van het BV-recht in overeenstemming met art. 194 lid 2 Rv gebracht en bepaalt thans dat de rechter één of meer deskundigen kan benoemen.19
Voorts dient de benoeming op grond van hetzelfde art. 194 lid 2 Rv na overleg met partijen te geschieden.20 In de eerste uitkoopzaken op grond van art. 2:92a/ 201a BW stelt de OK partijen nog in de gelegenheid om zich bij akte hierover uit te laten.21 In de procedures van de laatste jaren is van enige betrokkenheid van hen bij de benoeming van de deskundigen echter geen sprake meer.22 De OK stelt veelal de deskundige(n) direct23 aan, dan wel binnen korte termijn na het arrest waarin zij het onderzoek gelast.24 Ik zie geen bezwaar in deze praktische benadering van de OK.