Procestaal: Litouws.
HvJ EU, 16-02-2023, nr. C-393/21
ECLI:EU:C:2023:104
- Instantie
Hof van Justitie van de Europese Unie
- Datum
16-02-2023
- Magistraten
C. Lycourgos, L.S. Rossi, J.-C. Bonichot, S. Rodin, O. Spineanu-Matei
- Zaaknummer
C-393/21
- Conclusie
P. pikamäe
- Roepnaam
Lufthansa Technik AERO Alzey
- Vakgebied(en)
EU-recht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:EU:C:2023:104, Uitspraak, Hof van Justitie van de Europese Unie, 16‑02‑2023
ECLI:EU:C:2022:820, Conclusie, Hof van Justitie van de Europese Unie, 20‑10‑2022
Uitspraak 16‑02‑2023
Inhoudsindicatie
Prejudiciële verwijzing — Justitiële samenwerking in burgerlijke en handelszaken — Verordening (EG) nr. 805/2004 — Europese executoriale titel voor niet-betwiste schuldvorderingen — Artikel 23, onder c) — Opschorting van de tenuitvoerlegging van een als Europese executoriale titel gewaarmerkte beslissing — Buitengewone omstandigheden — Begrip
C. Lycourgos, L.S. Rossi, J.-C. Bonichot, S. Rodin, O. Spineanu-Matei
Partij(en)
In zaak C-393/21,*
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Lietuvos Aukščiausiasis Teismas (hoogste rechter in burgerlijke en strafzaken, Litouwen) bij beslissing van 23 juni 2021, ingekomen bij het Hof op 28 juni 2021, in de procedure ingesteld door
Lufthansa Technik AERO Alzey GmbH
in tegenwoordigheid van:
Arik Air Limited,
Asset Management Corporation of Nigeria (AMCON),
antstolis Marekas Petrovskis,
wijst
HET HOF (Vierde kamer),
samengesteld als volgt: C. Lycourgos, kamerpresident, L. S. Rossi, J.-C. Bonichot, S. Rodin en O. Spineanu-Matei (rapporteur), rechters,
advocaat-generaal: P. Pikamäe,
griffier: C. Strömholm, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 8 september 2022,
gelet op de opmerkingen van:
- —
Lufthansa Technik AERO Alzey GmbH, vertegenwoordigd door F. Heemann, Rechtsanwalt, en A. Juškys, advokatas,
- —
Arik Air Limited, vertegenwoordigd door L. Augytė-Kamarauskienė, advokatė,
- —
Asset Management Corporation of Nigeria (AMCON), vertegenwoordigd door A. Banys, A. Ivanauskaitė en K. Švirinas, advokatai,
- —
de Litouwse regering, vertegenwoordigd door K. Dieninis, V. Kazlauskaitė-Švenčionienė en E. Kurelaitytė als gemachtigden,
- —
de Europese Commissie, vertegenwoordigd door S. L. Kalėda en S. Noë als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 20 oktober 2022,
het navolgende
Arrest
1
Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 23 van verordening (EG) nr. 805/2004 van het Europees parlement en de Raad van 21 april 2004 tot invoering van een Europese executoriale titel voor niet-betwiste schuldvorderingen (PB 2004, L 143, blz. 15) alsook van artikel 36, lid 1, en artikel 44, lid 2, van verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 2012, L 351, blz. 1).
2
Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen de luchtvaartmaatschappij Arik Air Limited en Lufthansa Technik aero Alzey GmbH (hierna: ‘Lufthansa’) over een verzoek tot opschorting van de tenuitvoerleggingsprocedure die tegen Arik Air is ingeleid op grond van een Europese executoriale titel die door een Duitse rechterlijke instantie is afgegeven ten gunste van Lufthansa.
Toepasselijke bepalingen
Verordening nr. 805/2004
3
In de overwegingen 8, 18 en 20 van verordening nr. 805/2004 staat te lezen:
- ‘(8)
In zijn conclusies van Tampere heeft de Europese Raad geoordeeld dat de toegang tot de tenuitvoerlegging in een andere lidstaat dan die waar de beslissing is gegeven, sneller en eenvoudiger dient te worden gemaakt, doordat de tussenmaatregelen die in de lidstaat van tenuitvoerlegging moeten worden genomen voordat de beslissing ten uitvoer kan worden gelegd, worden afgeschaft. Een beslissing die door het gerecht van oorsprong als Europese executoriale titel is gewaarmerkt, moet, wat de tenuitvoerlegging betreft, op dezelfde manier worden behandeld als een beslissing die in de lidstaat van tenuitvoerlegging is gegeven. […]
[…]
- (18)
Op grond van het wederzijdse vertrouwen in de rechtspleging in de lidstaten kan door een gerecht van een lidstaat worden vastgesteld dat aan alle voorwaarden voor erkenning als Europese executoriale titel is voldaan, zodat een beslissing in alle andere lidstaten ten uitvoer kan worden gelegd, zonder rechterlijke toetsing van de toepassing van de procedurele minimumnormen in de lidstaat waar de beslissing ten uitvoer moet worden gelegd.
[…]
- (20)
Het verzoek om waarmerking als Europese executoriale titel voor niet-betwiste schuldvorderingen is een keuzemogelijkheid voor schuldeisers, die in plaats daarvan ook voor het systeem van erkenning en tenuitvoerlegging krachtens verordening (EG) nr. 44/2001 [van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 2001, L 12, blz. 1),] of krachtens andere gemeenschapsinstrumenten kunnen kiezen.’
4
Artikel 1 (‘Doel’) van deze verordening luidt:
‘Deze verordening heeft ten doel om door de vastlegging van minimumnormen een Europese executoriale titel voor niet-betwiste schuldvorderingen in het leven te roepen ten behoeve van het vrije verkeer van beslissingen, gerechtelijke schikkingen en authentieke akten in alle lidstaten zonder dat in de lidstaat van tenuitvoerlegging een intermediaire procedure hoeft te worden ingeleid voorafgaand aan de erkenning en tenuitvoerlegging.’
5
In artikel 5 (‘Afschaffing van het exequatur’) van die verordening staat te lezen:
‘Een beslissing die in de lidstaat van oorsprong als Europese executoriale titel is gewaarmerkt, wordt in de andere lidstaten erkend en ten uitvoer gelegd zonder dat een verklaring van uitvoerbaarheid nodig is en zonder enige mogelijkheid de erkenning te betwisten.’
6
Artikel 6 (‘Voorwaarden voor waarmerking als Europese executoriale titel’) bepaalt in lid 1, onder a), en lid 2, het volgende:
- ‘1.
Een in een lidstaat gegeven beslissing inzake een niet-betwiste schuldvordering wordt, op te eniger tijd aan het gerecht van oorsprong gedaan verzoek, als Europese executoriale titel gewaarmerkt, indien
- a)
de beslissing in de lidstaat van oorsprong uitvoerbaar is; en
[…]
- 2.
Indien een beslissing betreffende een niet-betwiste schuldvordering niet meer uitvoerbaar is of de uitvoerbaarheid ervan is opgeschort of beperkt, geeft het gerecht van oorsprong op te eniger tijd gedaan verzoek een bewijs af in de vorm van het in bijlage IV opgenomen standaardformulier, waarin vermeld staat dat de beslissing niet of beperkt uitvoerbaar is.’
7
Artikel 10 (‘Rectificatie of intrekking van het Europese bewijs van waarmerking als Europese executoriale titel’) van verordening nr. 805/2004 bepaalt in de leden 1 en 2:
- ‘1.
Op een verzoek gericht aan het gerecht van oorsprong wordt het bewijs van waarmerking als Europese executoriale titel
- a)
gerectificeerd wanneer ten gevolge van een materiële fout de beslissing en het bewijs van waarmerking onderling verschillen;
- b)
ingetrokken wanneer het, in het licht van de in deze verordening neergelegde vereisten, kennelijk ten onrechte is toegekend.
- 2.
Het recht van de lidstaat van oorsprong is van toepassing op de rectificatie en op de intrekking van het bewijs van waarmerking als Europese executoriale titel.’
8
Artikel 11 (‘Gevolg van het bewijs van waarmerking als Europese executoriale titel’) van deze verordening luidt:
‘Het bewijs van waarmerking als Europese executoriale titel heeft alleen gevolg binnen de grenzen van de uitvoerbaarheid van de beslissing.’
9
Artikel 18 (‘Herstel van niet-naleving van de minimumnormen’) van die verordening is als volgt verwoord:
- ‘1.
Wanneer de procedure in de lidstaat van oorsprong niet aan de vormvereisten van de artikelen 13 tot en met 17 heeft voldaan, worden de vormgebreken hersteld en kan een beslissing als Europese executoriale titel worden gewaarmerkt, indien
- a)
betekening of kennisgeving van de beslissing overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 13 of 14 aan de schuldenaar is geschied; en
- b)
de schuldenaar de mogelijkheid heeft gehad tegen de beslissing een rechtsmiddel in te stellen door middel van een integrale toetsing, en de schuldenaar in of tegelijk met de beslissing naar behoren in kennis is gesteld van de desbetreffende vormvoorschriften, met inbegrip van de naam en het adres van de instantie waarbij het rechtsmiddel moet worden ingesteld en, in voorkomend geval, de toepasselijke termijn; en
- c)
de schuldenaar heeft verzuimd overeenkomstig de toepasselijke vormvoorschriften tegen de beslissing een rechtsmiddel in te stellen.
- 2.
Wanneer de procedure in de lidstaat van oorsprong niet aan de vormvoorschriften van de artikelen 13 of 14 voldeed, worden de vormgebreken hersteld indien door het gedrag van de schuldenaar tijdens het proces is aangetoond dat hij het stuk waarvan betekening of kennisgeving moest plaatsvinden, zo tijdig als met het oog op zijn verdediging nodig was, persoonlijk in ontvangst heeft genomen.’
10
Artikel 20 (‘Tenuitvoerleggingsprocedure’) van verordening nr. 805/2004 bepaalt in lid 1:
‘Onverminderd de bepalingen van dit hoofdstuk worden de tenuitvoerleggingsprocedures beheerst door het recht van de lidstaat van tenuitvoerlegging.
Een als Europese executoriale titel gewaarmerkte beslissing wordt onder dezelfde voorwaarden ten uitvoer gelegd als een beslissing die in de lidstaat van tenuitvoerlegging is gegeven.’
11
Artikel 21 (‘Weigering van de tenuitvoerlegging’) van deze verordening luidt:
- ‘1.
De tenuitvoerlegging wordt op verzoek van de schuldenaar door het bevoegde gerecht in de lidstaat van tenuitvoerlegging geweigerd indien de als Europese executoriale beslissing gewaarmerkte beslissing onverenigbaar is met een in een van de lidstaten of een derde land gegeven eerdere beslissing op voorwaarde dat:
- a)
de eerdere beslissing tussen dezelfde partijen is gegeven in een geschil dat hetzelfde onderwerp betreft en op dezelfde oorzaak berust; en
- b)
de eerdere beslissing in de lidstaat van tenuitvoerlegging is gegeven, of aan de voorwaarden voor erkenning in de lidstaat van tenuitvoerlegging voldoet; en
- c)
de onverenigbaarheid in de gerechtelijke procedure in de lidstaat van oorsprong niet als verweer is aangevoerd en ook niet had kunnen worden aangevoerd.
- 2.
In geen geval wordt in de lidstaat van tenuitvoerlegging overgegaan tot de beoordeling van de juistheid van de beslissing of de waarmerking daarvan als Europese executoriale titel.’
12
In artikel 23 (‘Opschorting of beperking van de tenuitvoerlegging’) van die verordening staat te lezen:
‘Wanneer de schuldenaar
- —
tegen een als Europese executoriale titel gewaarmerkte beslissing rechtsmiddelen heeft ingesteld, met inbegrip van een verzoek om heroverweging in de zin van artikel 19, of
- —
overeenkomstig artikel 10 om rectificatie of intrekking van de Europese executoriale titel heeft verzocht,
kan het bevoegde gerecht of de bevoegde instantie in de lidstaat van tenuitvoerlegging, op verzoek van de schuldenaar:
- a)
de tenuitvoerleggingsprocedure tot bewarende maatregelen beperken; of
- b)
de tenuitvoerlegging afhankelijk maken van een door dat gerecht te bepalen zekerheid, of
- c)
in buitengewone omstandigheden de tenuitvoerleggingsprocedure opschorten.’
Verordening nr. 1215/2012
13
Artikel 36, lid 1, van verordening nr. 1215/2012 luidt:
‘Een in een lidstaat gegeven beslissing wordt in de overige lidstaten erkend zonder vorm van proces.’
14
Artikel 44 van deze verordening luidt:
- ‘1.
In het geval van een verzoek om weigering van tenuitvoerlegging van een beslissing op grond van afdeling 3, onderafdeling 2, kan het gerecht in de aangezochte lidstaat, op verzoek van de persoon jegens wie om tenuitvoerlegging wordt verzocht:
- a)
de tenuitvoerleggingsprocedure tot bewarende maatregelen beperken;
- b)
de tenuitvoerlegging afhankelijk maken van een door dat gerecht te bepalen zekerheid, of
- c)
de tenuitvoerleggingsprocedure geheel of gedeeltelijk schorsen.
- 2.
De voor de tenuitvoerlegging bevoegde autoriteit in de aangezochte lidstaat schorst op verzoek van de persoon tegen wie om tenuitvoerlegging wordt verzocht, de tenuitvoerleggingsprocedure indien de uitvoerbaarheid van de beslissing in de lidstaat van herkomst is geschorst.’
Hoofdgeding en prejudiciële vragen
15
Op 14 juni 2019 heeft het Amtsgericht Hünfeld (rechter in eerste aanleg Hünfeld, Duitsland) tegen Arik Air een betalingsbevel uitgevaardigd met het oog op de inning van een schuldvordering van 2 292 993,32 EUR ten gunste van Lufthansa. Op grond van dit bevel heeft die rechter op 24 oktober 2019 een Europese executoriale titel en op 2 december 2019 een bewijs van waarmerking als Europese executoriale titel afgegeven.
16
Een in Litouwen werkzame gerechtsdeurwaarder (hierna: ‘deurwaarder’) heeft van Lufthansa de opdracht gekregen deze executoriale titel overeenkomstig dat bewijs ten uitvoer te leggen.
17
Arik Air heeft het Landgericht Frankfurt am Main (rechter in tweede aanleg Frankfurt am Main, Duitsland) op grond van artikel 10 van verordening nr. 805/2004 verzocht om het bewijs van waarmerking als Europese executoriale titel in te trekken en om de dwanginvordering van het verschuldigde bedrag te staken. Daartoe voerde zij aan dat het Amtsgericht Hünfeld de processtukken niet naar behoren had betekend, waardoor zij niet tijdig bezwaar had kunnen maken tegen het door die rechter afgegeven betalingsbevel.
18
Arik Air heeft in Litouwen bij de deurwaarder ook een verzoek ingediend dat ertoe strekte dat de tenuitvoerleggingsprocedure werd opgeschort totdat de Duitse rechter — bij wie overigens een vordering in die zin was ingesteld — definitief uitspraak deed over het verzoek tot intrekking van het bewijs van waarmerking als Europese executoriale titel en tot staking van de tenuitvoerlegging. De deurwaarder heeft geweigerd om dat verzoek tot opschorting in te willigen, omdat de relevante nationale regeling niet de mogelijkheid biedt te verzoeken om een opschorting die — zoals in casu — gebaseerd is op het feit dat tegen de ten uitvoer te leggen beslissing beroep is ingesteld bij een rechter van de lidstaat van oorsprong.
19
Bij beslissing van 9 april 2020 heeft het Landgericht Frankfurt am Main de opschorting van de tenuitvoerlegging van de Europese executoriale titel van 24 oktober 2019 afhankelijk gemaakt van een door Arik Air te stellen zekerheid van 2 000 000 EUR. Die rechter heeft geoordeeld dat zonder deze zekerheidstelling het verzoek tot opschorting van voornoemde titel niet kon worden ingewilligd, omdat Arik Air niet had aangetoond dat die titel onrechtmatig was afgegeven, noch dat de termijn om bezwaar te maken buiten haar schuld was overschreden.
20
Arik Air heeft bij de Kauno apylinkės teismas (rechter in eerste aanleg Kaunas, Litouwen) beroep ingesteld tegen de beslissing van de deurwaarder tot weigering om die tenuitvoerleggingsprocedure op te schorten. Bij beslissing van 11 juni 2020 heeft die rechter dat beroep verworpen.
21
Bij beslissing van 25 september 2020 heeft de Kauno apygardos teismas (rechter in tweede aanleg Kaunas, Litouwen) — bij wie Arik Air hoger beroep had ingesteld — de beslissing van de Kauno apylinkės teismas van 11 juni 2020 vernietigd en de tenuitvoerleggingsprocedure in kwestie opgeschort in afwachting van de definitieve beslissing van de Duitse rechter op de door Arik Air ingediende verzoeken. De Kauno apygardos teismas heeft vastgesteld dat het feit dat bij een rechter in de lidstaat van oorsprong een rechtsmiddel was ingesteld tegen het bewijs van waarmerking als Europese executoriale titel, een voldoende grondslag vormde om de tegen Arik Air ingestelde tenuitvoerleggingsprocedure op te schorten, gelet op de onevenredig grote schade die uit deze procedure dreigde voort te vloeien. Tevens heeft de Kauno apygardos teismas — anders dan de Kauno apylinkės teismas — geoordeeld dat er bij gebreke van informatie waaruit bleek dat de door de Duitse rechter gelaste zekerheidstelling in dit stadium van de procedure had plaatsgevonden, geen enkele reden was om aan te nemen dat het aan laatstgenoemde rechter stond om zich uit te spreken over de gegrondheid van het verzoek tot opschorting van de executoriale maatregelen.
22
Lufthansa heeft tegen de beslissing van de Kauno apygardos teismas van 25 september 2020 cassatieberoep ingesteld bij de verwijzende rechter, de Lietuvos Aukščiausiasis Teismas (hoogste rechter in burgerlijke en strafzaken, Litouwen).
23
Die rechter vraagt zich allereerst af wat de draagwijdte en de omvang van de op grond van artikel 23, onder c), van verordening nr. 805/2004 door de bevoegde gerechten of instanties in de lidstaat van tenuitvoerlegging te verrichten toetsing alsook de voorwaarden voor het verrichten van deze toetsing zijn.
24
De verwijzende rechter is van oordeel dat uit de bewoordingen van artikel 23 van verordening nr. 805/2004 blijkt dat het bevoegde gerecht of de bevoegde instantie in de lidstaat van tenuitvoerlegging over een beoordelingsmarge beschikt met betrekking tot de mogelijkheid om de opschorting van de tenuitvoerleggingsprocedure te gelasten, en vraagt zich af wat de omvang van deze marge is. Hij merkt op dat de in dat artikel gebezigde uitdrukkingen ‘rechtsmiddelen heeft ingesteld’ en ‘met inbegrip van’ onderstellen dat alle rechtsmiddelen in de lidstaat van oorsprong worden bedoeld, welke voorwaarde in casu lijkt te zijn vervuld, en dat de draagwijdte van het begrip ‘buitengewone omstandigheden’ in de lidstaten uniform moet worden uitgelegd.
25
De verwijzende rechter verduidelijkt dat in casu weliswaar gerechtelijke procedures aanhangig zijn bij de gerechten van de lidstaat van oorsprong, maar dat partijen in het hoofdgeding het oneens zijn over de betekenis, de draagwijdte en de slaagkansen van deze procedures. Zo stelt Arik Air weliswaar dat zij een beroepsrecht uitoefent, maar Lufthansa betwist dat deze partij over een dergelijk recht beschikt en stelt dat zij enkel de tenuitvoerleggingsprocedure probeert te vertragen. De verwijzende rechter vraagt zich dan ook af wat de omvang is van de eventueel door hem te verrichten toetsing van de procedure in de lidstaat van oorsprong.
26
Vervolgens vraagt die rechter zich af of het, gelet op het gebruik van het voegwoord ‘of’ tussen de verschillende in artikel 23 van verordening nr. 805/2004 bedoelde maatregelen die het bevoegde gerecht of de bevoegde instantie in de lidstaat van tenuitvoerlegging kan nemen om de tenuitvoerlegging op te schorten of te beperken, mogelijk is om meerdere van deze maatregelen gelijktijdig toe te passen.
27
Ten slotte merkt de verwijzende rechter op dat een in de lidstaat van oorsprong gegeven beslissing om de uitvoerbaarheid op te schorten op grond van verordening nr. 1215/2012 gevolgen moet hebben in de lidstaat van tenuitvoerlegging overeenkomstig de in artikel 36, lid 1, van deze verordening neergelegde algemene verplichting tot erkenning van beslissingen in burgerlijke en handelszaken. Een afzonderlijke verplichting om de tenuitvoerleggingsprocedure op te schorten wordt echter ook vermeld in artikel 44, lid 2, van die verordening. In verordening nr. 805/2004 wordt daarentegen niet gepreciseerd of de opschorting van de uitvoerbaarheid van een rechterlijke beslissing in de lidstaat van oorsprong moet leiden tot automatische opschorting van de tenuitvoerlegging van die beslissing in een andere lidstaat dan wel of daarvoor een beslissing van de bevoegde instanties in de lidstaat van tenuitvoerlegging noodzakelijk is. Derhalve rijst de vraag of een regeling die vergelijkbaar is met die van verordening nr. 1215/2012, moet worden toegepast in het kader van verordening nr. 805/2004.
28
In deze omstandigheden heeft de Lietuvos Aukščiausiasis Teismas de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:
- ‘1)
Op welke wijze dient de term ‘buitengewone omstandigheden’ in artikel 23, onder c), van verordening nr. 805/2004 te worden uitgelegd in het licht van de doelstellingen van verordening nr. 805/2004, waaronder de doelstelling om de tenuitvoerlegging van beslissingen van lidstaten sneller en eenvoudiger te maken en om het recht op een eerlijk proces doeltreffend te waarborgen? Welke beoordelingsmarge hebben de bevoegde instanties in de lidstaat van tenuitvoerlegging bij de uitlegging van die term?
- 2)
Dienen omstandigheden die, zoals in casu, verband houden met een gerechtelijke procedure in de lidstaat van oorsprong, waarbij uitspraak wordt gedaan over de vernietiging van een rechterlijke beslissing op grond waarvan een Europese executoriale titel is afgegeven, als relevant te worden beschouwd voor de beslissing over de toepassing van artikel 23, onder c), van verordening nr. 805/2004? Aan de hand van welke criteria dienen de beroepsprocedures in de lidstaat van oorsprong te worden beoordeeld en in hoeverre dienen de bevoegde instanties in de lidstaat van tenuitvoerlegging de in de lidstaat van oorsprong lopende procedure in aanmerking te nemen?
- 3)
Wat moet er worden beoordeeld bij de beslissing over de toepassing van de term ‘buitengewone omstandigheden’ in artikel 23 van verordening nr. 805/2004: de invloed van de betreffende omstandigheden van het geschil wanneer in de lidstaat van oorsprong een rechtsmiddel is ingesteld tegen de in de lidstaat van oorsprong gegeven beslissing, de mogelijke voordelen of nadelen van de betreffende maatregel als bedoeld in artikel 23 van de verordening, de economische draagkracht van de schuldenaar voor de uitvoering van die beslissing of andere omstandigheden?
- 4)
Kunnen op grond van artikel 23 van verordening nr. 805/2004 meerdere in dat artikel genoemde maatregelen gelijktijdig worden toegepast? Indien deze vraag bevestigend wordt beantwoord, op welke criteria dienen de bevoegde instanties in de lidstaat van tenuitvoerlegging zich dan te baseren om zich uit te spreken over de rechtvaardiging en evenredigheid van de toepassing van meerdere van die maatregelen?
- 5)
Dient de juridische regeling van artikel 36, lid 1, van verordening [nr. 1215/2012] te gelden voor een in de lidstaat van oorsprong gegeven rechterlijke beslissing over de schorsing (of opheffing) van de uitvoerbaarheid, of geldt een juridische regeling die vergelijkbaar is met die van artikel 44, lid 2, van die verordening?’
Beantwoording van de prejudiciële vragen
Eerste tot en met derde prejudiciële vraag
29
Met zijn eerste tot en met zijn derde vraag, die gezamenlijk moeten worden behandeld, verzoekt de verwijzende rechter het Hof in wezen om het begrip ‘buitengewone omstandigheden’ in de zin van artikel 23, onder c), van verordening nr. 805/2004 uit te leggen, en in het bijzonder of en in welke mate omstandigheden die verband houden met de gerechtelijke procedure die in de lidstaat van oorsprong is ingesteld tegen de als Europese executoriale titel gewaarmerkte beslissing of tegen het bewijs van waarmerking als Europese executoriale titel, relevant zijn voor de vaststelling van de draagwijdte van dat begrip.
30
Artikel 23, onder c), van verordening nr. 805/2004 bepaalt dat wanneer de schuldenaar een rechtsmiddel heeft ingesteld tegen een als Europese executoriale titel gewaarmerkte beslissing, daaronder begrepen een verzoek tot heroverweging in de zin van artikel 19 van deze verordening, of wanneer hij overeenkomstig artikel 10 van die verordening om rectificatie of intrekking van het bewijs van waarmerking als Europese executoriale titel heeft verzocht, het bevoegde gerecht of de bevoegde instantie in de lidstaat van tenuitvoerlegging op verzoek van de schuldenaar de tenuitvoerleggingsprocedure in buitengewone omstandigheden kan opschorten.
31
Opgemerkt dient te worden dat in die bepaling voor de betekenis en draagwijdte van het begrip ‘buitengewone omstandigheden’ nergens wordt verwezen naar het recht van de lidstaten, zodat dit begrip — gelet op de vereisten die voortvloeien uit zowel de eenvormige toepassing van het Unierecht als het gelijkheidsbeginsel — moet worden beschouwd als een autonoom Unierechtelijk begrip en op eenvormige wijze moet worden uitgelegd op het grondgebied van de Unie (zie in die zin arrest van 27 januari 2022, Zinātnes parks, C-347/20, EU:C:2022:59, punt 42 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
32
Aan deze vaststelling wordt niet afgedaan door het feit dat artikel 20, lid 1, van verordening nr. 805/2004 naar het recht van de lidstaat van tenuitvoerlegging verwijst in verband met de tenuitvoerleggingsprocedures. Zoals ook de advocaat-generaal in punt 15 van zijn conclusie opmerkt, doet deze verwijzing immers niet af aan de bepalingen van hoofdstuk IV van die verordening en met name artikel 23 ervan, waarin wordt vastgesteld onder welke voorwaarden de tenuitvoerleggingsprocedure kan worden beperkt of opgeschort ingeval de schuldenaar in de lidstaat van oorsprong een rechtsmiddel heeft ingesteld of een verzoek heeft ingediend.
33
Zoals blijkt uit de rechtspraak van het Hof, moet bij de uitlegging van het begrip ‘buitengewone omstandigheden’ in de zin van artikel 23, onder c), van verordening nr. 805/2004 bijgevolg niet alleen rekening worden gehouden met de bewoordingen van deze bepaling, maar ook met de context ervan en met de doelstellingen van de regeling waarvan zij deel uitmaakt (zie in die zin arrest van 9 oktober 2019, BGL BNP Paribas, C-548/18, EU:C:2019:848, punt 25 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
34
Wat in de eerste plaats de bewoordingen van artikel 23, onder c), van verordening nr. 805/2004 betreft, blijkt uit de formulering zelf van deze bepaling, met name uit het gebruik van het werkwoord ‘kunnen’ en het bijvoeglijk naamwoord ‘buitengewone’, dat aan de gerechten of instanties in de lidstaat van tenuitvoerlegging weliswaar ruimte wordt gelaten bij de beoordeling van de noodzaak om de tenuitvoerlegging van een als Europese executoriale titel gewaarmerkte beslissing op te schorten, maar dat de Uniewetgever deze beoordelingsmarge heeft willen inperken door de mogelijkheid tot opschorting afhankelijk te stellen van de constatering dat er sprake is van omstandigheden die hij als ‘buitengewoon’ heeft aangemerkt, zodat deze bepaling restrictief moet worden uitgelegd (zie naar analogie arrest van 22 oktober 2015, Thomas Cook Belgium, C-245/14, EU:C:2015:715, punt 31 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
35
Uit het feit dat de Uniewetgever het begrip ‘buitengewone omstandigheden’ bezigt, moet echter worden afgeleid dat hij de draagwijdte van artikel 23, onder c), van verordening nr. 805/2004 niet heeft willen beperken tot gevallen van overmacht, die in het algemeen het gevolg zijn van onvoorzienbare en onweerstaanbare gebeurtenissen die zijn veroorzaakt buiten toedoen van de schuldenaar.
36
Gelet op deze tekstuele elementen dient te worden geoordeeld dat de mogelijkheid om de tenuitvoerleggingsprocedure van een als Europese executoriale titel gewaarmerkte beslissing op te schorten moet worden beperkt tot de gevallen waarin de voortzetting van de tenuitvoerlegging de schuldenaar blootstelt aan een reëel risico op bijzonder ernstige schade waarvan het herstel onmogelijk of uiterst moeilijk zou zijn indien het door hem in de lidstaat van oorsprong ingestelde rechtsmiddel of ingediende verzoek werd toegewezen.
37
Voorts volgt uit de lezing van artikel 23, onder c), van verordening nr. 805/2004 dat het feit dat de schuldenaar in de lidstaat van oorsprong een gerechtelijke procedure heeft ingesteld om ofwel een als Europese executoriale titel gewaarmerkte beslissing te betwisten ofwel om rectificatie of intrekking van het bewijs van waarmerking als Europese executoriale titel te verzoeken, voor het bevoegde gerecht of de bevoegde instantie in de lidstaat van tenuitvoerlegging een noodzakelijke voorwaarde vormt om te onderzoeken of er sprake is van buitengewone omstandigheden teneinde de tenuitvoerlegging van die titel eventueel op te schorten.
38
Wat in de tweede plaats de context van artikel 23, onder c), van verordening nr. 805/2004 betreft, zij opgemerkt dat in de opzet van deze verordening de met artikel 5 ervan beoogde afschaffing van het exequatur berust op een duidelijke verdeling van bevoegdheden tussen de gerechten en instanties in de lidstaat van oorsprong en die van de lidstaat van tenuitvoerlegging, waaraan zowel in het kader van de procedure die leidt tot de vaststelling van een beslissing over een niet-betwiste schuldvordering als bij de tenuitvoerlegging van die beslissing vereisten zijn verbonden. Aan deze bevoegdheidsverdeling ligt ten grondslag dat de schuldvordering en de Europese executoriale titel waarbij zij wordt vastgesteld, worden beheerst door het recht van de lidstaat van oorsprong, terwijl de tenuitvoerleggingsprocedure overeenkomstig artikel 20 van verordening nr. 805/2004 wordt beheerst door het recht van de lidstaat van tenuitvoerlegging.
39
In de lidstaat van oorsprong moeten bij de waarmerking van een beslissing inzake een niet-betwiste schuldvordering als Europese executoriale titel dan ook de minimumnormen van hoofdstuk III van verordening nr. 805/2004 in acht worden genomen. In dit verband kan de niet-naleving van deze normen volgens artikel 18 van die verordening alleen voor de gerechten of instanties in die staat worden hersteld.
40
De bevoegde gerechten of instanties in de lidstaat van tenuitvoerlegging zijn gerechtigd om in het kader van de hun bij artikel 20 van verordening nr. 805/2004 verleende bevoegdheid te toetsen of er elementen zijn die de weigering van de tenuitvoerlegging op grond van artikel 21, lid 1, van deze verordening of de beperking of opschorting van de tenuitvoerlegging overeenkomstig artikel 23 ervan rechtvaardigen.
41
Geen enkele betwisting van de in de lidstaat van oorsprong gegeven beslissing of de waarmerking ervan als Europese executoriale titel kan evenwel ter beoordeling worden voorgelegd aan die gerechten of instanties. Zoals blijkt uit artikel 21, lid 2, van verordening nr. 805/2004, gelezen in het licht van overweging 18 van deze verordening, moet het wederzijdse vertrouwen tussen de lidstaten in elkaars rechtspleging er immers toe leiden dat elk gerecht van een lidstaat ervan mag uitgaan dat aan alle voorwaarden voor waarmerking als Europese executoriale titel is voldaan, zodat de beslissing inzake een niet-betwiste schuldvordering of de waarmerking ervan in geen geval inhoudelijk kan worden getoetst in de lidstaat van tenuitvoerlegging.
42
Uit de opzet van verordening nr. 805/2004 blijkt dus dat de bevoegde gerechten of instanties in de lidstaat van tenuitvoerlegging niet gerechtigd zijn om een dergelijke in de lidstaat van oorsprong gegeven beslissing of de waarmerking ervan als Europese executoriale titel direct of indirect te toetsen naar aanleiding van een verzoek tot opschorting van de tenuitvoerleggingsprocedure.
43
Gelet op de bevoegdheidsverdeling die bij verordening nr. 805/2004 is gemaakt tussen de gerechten en instanties in de lidstaat van oorsprong en die van de lidstaat van tenuitvoerlegging, beschikken de gerechten of instanties in laatstbedoelde lidstaat over een beperkte ruimte bij de beoordeling van de omstandigheden op grond waarvan een verzoek tot opschorting van de tenuitvoerlegging kan worden toegewezen. Wanneer die gerechten of instanties een dergelijk verzoek onderzoeken, moeten zij zich er dan ook — om vast te stellen of de door de schuldenaar tot staving van dit verzoek aangevoerde omstandigheden buitengewoon zijn — na de constatering dat er in de lidstaat van oorsprong een rechtsmiddel is ingesteld of een verzoek is ingediend als bedoeld in artikel 23 van verordening nr. 805/2004, toe beperken de in het geding zijnde belangen tegen elkaar af te wegen, namelijk enerzijds het belang van de schuldeiser om de beslissing over zijn schuldvordering onmiddellijk ten uitvoer te leggen en anderzijds het belang van de schuldenaar om bijzonder ernstige en onherstelbare of moeilijk herstelbare schade te voorkomen, teneinde het met dit artikel beoogde billijke evenwicht te vinden. Bij dat onderzoek is het — zoals de advocaat-generaal in punt 30 van zijn conclusie opmerkt — uitgesloten dat deze gerechten of instanties op enigerlei wijze — al was het slechts prima facie — de gegrondheid van het door de schuldenaar in de lidstaat van oorsprong ingestelde rechtsmiddel of ingediende verzoek beoordelen.
44
In de derde plaats vindt de noodzaak om het begrip ‘buitengewone omstandigheden’ restrictief uit te leggen steun in een teleologische uitlegging van artikel 23, onder c), van verordening nr. 805/2004.
45
Verordening nr. 805/2004 heeft namelijk — zoals blijkt uit artikel 1 van deze verordening, gelezen in samenhang met overweging 8 ervan — tot doel het vrije verkeer van met name beslissingen inzake niet-betwiste schuldvorderingen te waarborgen alsook ervoor te zorgen dat deze beslissingen sneller en eenvoudiger ten uitvoer worden gelegd in een andere lidstaat dan die waar de beslissing is gegeven. Gelet op deze doelstelling moet tevens een restrictieve uitlegging worden gegeven aan de in de artikelen 21 en 23 van die verordening bedoelde omstandigheden die zich verzetten tegen de onmiddellijke tenuitvoerlegging van die beslissingen.
46
Gelet op een en ander dient op de eerste tot en met de derde prejudiciële vraag te worden geantwoord dat artikel 23, onder c), van verordening nr. 805/2004 aldus moet worden uitgelegd dat het daarin gebezigde begrip ‘buitengewone omstandigheden’ ziet op een situatie waarin de voortzetting van de procedure voor de tenuitvoerlegging van een als Europese executoriale titel gewaarmerkte beslissing de schuldenaar die in de lidstaat van oorsprong een rechtsmiddel tegen die beslissing heeft ingesteld dan wel een verzoek tot rectificatie of intrekking van het bewijs van waarmerking als Europese executoriale titel heeft ingediend, zou blootstellen aan een reëel risico op bijzonder ernstige schade die niet of bijzonder moeilijk zou kunnen worden hersteld ingeval die beslissing werd vernietigd dan wel het bewijs van waarmerking werd gerectificeerd of ingetrokken. Dit begrip verwijst niet naar omstandigheden die verband houden met de gerechtelijke procedure die in de lidstaat van oorsprong wordt gevoerd tegen de als Europese executoriale titel gewaarmerkte beslissing of tegen het bewijs van waarmerking als Europese executoriale titel.
Vierde prejudiciële vraag
47
Met zijn vierde vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 23 van verordening nr. 805/2004 aldus moet worden uitgelegd dat het toestaat dat de in de punten a), b) en c) bedoelde maatregelen van beperking van de tenuitvoerleggingsprocedure, zekerheidstelling of opschorting van die procedure gelijktijdig worden toegepast.
48
In dit verband zij opgemerkt dat artikel 23 van verordening nr. 805/2004 — dat als opschrift ‘Opschorting of beperking van de tenuitvoerlegging’ draagt — de maatregelen opsomt die het bevoegde gerecht of de bevoegde instantie in de lidstaat van tenuitvoerlegging op verzoek van de schuldenaar kan gelasten, te weten de beperking van de tenuitvoerleggingsprocedure tot bewarende maatregelen, het van een zekerheidstelling afhankelijk maken van de tenuitvoerlegging of de opschorting van de tenuitvoerlegging in buitengewone omstandigheden.
49
Uit de bewoordingen van dat artikel volgt dat de daarin beoogde maatregelen zijn verbonden door het voegwoord ‘of’ dat in bepaalde taalversies een alternatieve dan wel een cumulatieve betekenis kan hebben (zie in die zin arrest van 30 januari 2020, Autoservizi Giordano, C-513/18, EU:C:2020:59, punt 24 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Uit het gebruik van dit voegwoord kan dus niet worden afgeleid of het in de bedoeling van de Uniewetgever lag om het mogelijk te maken de in artikel 23 van verordening nr. 805/2004 vermelde maatregelen gelijktijdig toe te passen.
50
Daarentegen kan op grond van de opzet van voornoemd artikel en van de draagwijdte van de daarin beoogde maatregelen worden geoordeeld dat het niet mogelijk is om de in artikel 23, onder c), van verordening nr. 805/2004 bedoelde maatregel van opschorting van de tenuitvoerleggingsprocedure en de in artikel 23, onder a), van deze verordening bedoelde maatregel van beperking van die procedure of de in artikel 23, onder b), van die verordening bedoelde maatregel die erin bestaat de schuldeiser te verplichten zekerheid te stellen, gelijktijdig toe te passen.
51
De overeenkomstig artikel 23, onder c), van verordening nr. 805/2004 op verzoek van de schuldenaar gelaste opschorting van de tenuitvoerleggingsprocedure staat er immers — gelet op de onmiddellijke gevolgen ervan voor de voortzetting van deze procedure — aan in de weg dat die procedure wordt beperkt tot bewarende maatregelen in de zin van artikel 23, onder a), van die verordening. De verplichting voor de schuldeiser om zekerheid te stellen op grond van artikel 23, onder b), van verordening nr. 805/2004 heeft tot doel de schuldvordering in kwestie onmiddellijk ten uitvoer te kunnen leggen, wat de gelijktijdige toepassing van de maatregel van opschorting van de tenuitvoerlegging logischerwijs uitsluit.
52
Zoals de advocaat-generaal in punt 52 van zijn conclusie in wezen heeft opgemerkt, is het evenwel niet uitgesloten dat het bevoegde gerecht of de bevoegde instantie in de lidstaat van tenuitvoerlegging verlangt dat de schuldeiser zekerheid stelt als voorwaarde voor de uitvoering van uitsluitend bewarende maatregelen.
53
Gelet op een en ander dient op de vierde prejudiciële vraag te worden geantwoord dat artikel 23 van verordening nr. 805/2004 aldus moet worden uitgelegd dat het de gelijktijdige toepassing van de in de punten a) en b) bedoelde maatregelen van beperking en zekerheidstelling toestaat, maar niet de gelijktijdige toepassing van een van deze twee maatregelen met de in punt c) bedoelde maatregel van opschorting van de tenuitvoerleggingsprocedure.
Vijfde prejudiciële vraag
54
De vijfde vraag, die betrekking heeft op de uitlegging van artikel 36, lid 1, en artikel 44, lid 2, van verordening nr. 1215/2012, heeft betrekking op de gevolgen van een in de lidstaat van oorsprong gegeven beslissing waarbij de opschorting van de uitvoerbaarheid van een als Europese executoriale titel gewaarmerkte beslissing wordt gelast, voor de procedure tot uitvoering van laatstgenoemde beslissing die is ingeleid in de lidstaat van tenuitvoerlegging.
55
Vooraf zij opgemerkt dat er bij de bevoegde Duitse rechter een procedure tot opschorting van de tenuitvoerlegging van de Europese executoriale titel van 24 oktober 2019 aanhangig was toen de zaak aan het Hof werd voorgelegd, ook al blijkt uit de verwijzingsbeslissing niet dat die rechter zich definitief over die opschorting had uitgesproken. Derhalve kan niet worden uitgesloten dat een beslissing tot opschorting van de tenuitvoerlegging van die titel wordt gegeven. De beantwoording van de vijfde prejudiciële vraag is dus niet kennelijk van geen nut voor de verwijzende rechter om uitspraak te doen in het bij hem aanhangige geding. Die vraag is dan ook ontvankelijk.
56
Tevens zij opgemerkt dat de verwijzende rechter weliswaar formeel gesproken verzoekt om uitlegging van artikel 36, lid 1, en artikel 44, lid 2, van verordening nr. 1215/2012, maar dat verordening nr. 805/2004 — op grond waarvan de tenuitvoerleggingsprocedure in het hoofdgeding is ingeleid — zelf in artikel 6, lid 2, het geval regelt waarin de uitvoerbaarheid van een als Europese executoriale titel gewaarmerkte beslissing wordt opgeschort.
57
Aangezien het Hof bevoegd is om uit alle door de nationale rechter verschafte gegevens en met name uit de motivering van de verwijzingsbeslissing de elementen van het Unierecht te putten die gelet op het voorwerp van het geding uitlegging behoeven (zie in die zin arrest van 22 april 2021, Profi Credit Slovakia, C-485/19, EU:C:2021:313, punt 50 en aldaar aangehaalde rechtspraak), moet de vijfde prejudiciële vraag aldus worden begrepen dat zij betrekking heeft op de uitlegging van artikel 6, lid 2, van verordening nr. 805/2004.
58
Derhalve wenst de verwijzende rechter met zijn vijfde vraag in wezen te vernemen of artikel 6, lid 2, van verordening nr. 805/2004 aldus moet worden uitgelegd dat wanneer de uitvoerbaarheid van een als Europese executoriale titel gewaarmerkte beslissing is opgeschort in de lidstaat van oorsprong, het gerecht van de lidstaat van tenuitvoerlegging de in laatstgenoemde staat ingeleide tenuitvoerleggingsprocedure moet opschorten op basis van die beslissing.
59
Dienaangaande zij opgemerkt dat uit artikel 6, lid 1, van verordening nr. 805/2004 volgt dat voor de waarmerking van een beslissing inzake een niet-betwiste schuldvordering als Europese executoriale titel meerdere voorwaarden gelden, waaronder de in artikel 6, lid 1, onder a), van die verordening gestelde voorwaarde dat die beslissing uitvoerbaar is in de lidstaat van oorsprong.
60
Ingevolge artikel 11 van verordening nr. 805/2004 heeft het bewijs van waarmerking als Europese executoriale titel alleen gevolg binnen de grenzen van de uitvoerbaarheid van de beslissing.
61
Uit deze bepalingen volgt dat een Europese executoriale titel geen rechtsgevolgen in het leven kan roepen indien de uitvoerbaarheid van de aldus gewaarmerkte beslissing is opgeschort in de lidstaat van oorsprong.
62
Tegen deze achtergrond bepaalt artikel 6, lid 2, van verordening nr. 805/2004 dat indien een als Europese executoriale titel gewaarmerkte beslissing niet meer uitvoerbaar is of de uitvoerbaarheid ervan is opgeschort of beperkt, het gerecht van oorsprong op te eniger tijd gedaan verzoek een bewijs afgeeft in de vorm van het in bijlage IV bij die verordening opgenomen standaardformulier, waarin vermeld staat dat die beslissing niet of beperkt uitvoerbaar is.
63
Wanneer de uitvoerbaarheid van de als Europese executoriale titel gewaarmerkte beslissing is opgeschort in de lidstaat van oorsprong, is het bevoegde gerecht of de bevoegde instantie in de lidstaat van tenuitvoerlegging dan ook verplicht om de in laatstgenoemde staat ingeleide tenuitvoerleggingsprocedure op te schorten ingeval het in artikel 6, lid 2, van verordening nr. 805/2004 bedoelde bewijs wordt overgelegd.
64
Gelet op een en ander dient op de vijfde prejudiciële vraag te worden geantwoord dat artikel 6, lid 2, van verordening nr. 805/2004, gelezen in samenhang met artikel 11 ervan, aldus moet worden uitgelegd dat wanneer de uitvoerbaarheid van een als Europese executoriale titel gewaarmerkte beslissing is opgeschort in de lidstaat van oorsprong en het in dat artikel 6, lid 2, bedoelde bewijs is overgelegd aan het gerecht van de lidstaat van tenuitvoerlegging, dit gerecht verplicht is om op basis van die beslissing de in laatstgenoemde lidstaat ingeleide tenuitvoerleggingsprocedure op te schorten.
Kosten
65
Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Vierde kamer) verklaart voor recht:
- 1)
Artikel 23, onder c), van verordening (EG) nr. 805/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004 tot invoering van een Europese executoriale titel voor niet-betwiste schuldvorderingen
moet aldus worden uitgelegd dat
het daarin gebezigde begrip ‘buitengewone omstandigheden’ ziet op een situatie waarin de voortzetting van de procedure voor de tenuitvoerlegging van een als Europese executoriale titel gewaarmerkte beslissing de schuldenaar die in de lidstaat van oorsprong een rechtsmiddel tegen die beslissing heeft ingesteld dan wel een verzoek tot rectificatie of intrekking van het bewijs van waarmerking als Europese executoriale titel heeft ingediend, zou blootstellen aan een reëel risico op bijzonder ernstige schade die niet of bijzonder moeilijk zou kunnen worden hersteld ingeval die beslissing werd vernietigd dan wel het bewijs van waarmerking werd gerectificeerd of ingetrokken. Dit begrip verwijst niet naar omstandigheden die verband houden met de gerechtelijke procedure die in de lidstaat van oorsprong wordt gevoerd tegen de als Europese executoriale titel gewaarmerkte beslissing of tegen het bewijs van waarmerking als Europese executoriale titel.
- 2)
Artikel 23 van verordening nr. 805/2004
moet aldus worden uitgelegd dat
het de gelijktijdige toepassing van de in de punten a) en b) bedoelde maatregelen van beperking en zekerheidstelling toestaat, maar niet de gelijktijdige toepassing van een van deze twee maatregelen met de in punt c) bedoelde maatregel van opschorting van de tenuitvoerleggingsprocedure.
- 3)
Artikel 6, lid 2, van verordening nr. 805/2004, gelezen in samenhang met artikel 11,
moet aldus worden uitgelegd dat
wanneer de uitvoerbaarheid van een als Europese executoriale titel gewaarmerkte beslissing is opgeschort in de lidstaat van oorsprong en het in dat artikel 6, lid 2, bedoelde bewijs is overgelegd aan het gerecht van de lidstaat van tenuitvoerlegging, dit gerecht verplicht is om op basis van die beslissing de in laatstgenoemde lidstaat ingeleide tenuitvoerleggingsprocedure op te schorten.
ondertekeningen
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 16‑02‑2023
Conclusie 20‑10‑2022
Inhoudsindicatie
Prejudiciële verwijzing — Justitiële samenwerking in burgerlijke zaken — Verordening (EG) nr. 805/2004 — Europese executoriale titel voor niet-betwiste schuldvorderingen — Opschorting van de tenuitvoerlegging van een als Europese executoriale titel gewaarmerkte beslissing — Voorwaarden — Buitengewone omstandigheden — Begrip — Maatregelen ter beperking van de tenuitvoerleggingsprocedure — Gevolgen van het bewijs van waarmerking als Europese executoriale titel — Opschorting in de lidstaat van oorsprong van de uitvoerbaarheid van een als Europese executoriale titel gewaarmerkte beslissing
P. pikamäe
Partij(en)
Zaak C-393/211.
Lufthansa Technik AERO Alzey GmbH
in tegenwoordigheid van:
Arik Air Limited,
Asset Management Corporation of Nigeria (AMCON),
antstolis Marekas Petrovskis
[verzoek van de Lietuvos Aukščiausiasis Teismas (hoogste rechter in burgerlijke en strafzaken, Litouwen) om een prejudiciële beslissing]
1.
Het proces waarbij de regelgeving tot stand komt, is vaak complex en van lange adem, op nationaal én (vooral) op Europees niveau. Zo komt het geregeld voor dat de uiteindelijk aangenomen teksten bepalingen bevatten die vaag zijn geformuleerd om de problemen trachten op te lossen die tijdens de onderhandelingen over de regelgeving zijn gerezen en het aan de rechter overlaten om knopen door te hakken daar waar de wetgever er niet in is geslaagd een oplossing te bieden.
2.
Zo dient het Hof in de onderhavige zaak uitlegging te geven aan het begrip ‘buitengewone omstandigheden’ van artikel 23 van verordening (EG) nr. 805/20042., dat een ‘containerbegrip’ is waarin de voorwaarden zijn opgenomen waaronder de bevoegde rechter of instantie in de lidstaat van tenuitvoerlegging kan overgaan tot de opschorting van de tenuitvoerlegging van een beslissing die in de lidstaat van oorsprong als Europese executoriale titel (hierna: ‘EET’) is gewaarmerkt.
I. Toepasselijke bepalingen
3.
In het kader van de onderhavige zaak zijn de artikelen 6, 10, 11, 21 en 23 van verordening nr. 805/2004 relevant.
II. Feiten, hoofdgeding en prejudiciële vragen
4.
Op 14 juni 2019 heeft het Amtsgericht Hünfeld (rechter in eerste aanleg Hünfeld, Duitsland) aan Arik Air Ltd een bevel betekend tot betaling van 2 292 993,32 EUR, vermeerderd met rente, aan Lufthansa Technik AERO Alzey GmbH. Vervolgens heeft dezelfde rechter op 24 oktober 2019 een gedeeltelijke executoriale titel afgegeven op grond waarvan hij op 2 december 2019 een bewijs van waarmerking als EET heeft vastgesteld en verstrekt.
5.
Bij een in Litouwen werkzame gerechtsdeurwaarder is overeenkomstig dat bewijs van waarmerking een verzoek tot tenuitvoerlegging ingediend. Op 24 januari 2020 is beslag gelegd op een burgerluchtvaartuig van Arik Air.
6.
Arik Air heeft het Landgericht Frankfurt am Main (rechter in tweede aanleg Frankfurt am Main, Duitsland) op grond van artikel 10 van verordening nr. 805/2004 verzocht om intrekking van het bewijs van waarmerking als EET en om staking van de tenuitvoerlegging.3. Daartoe voerde zij aan dat de processtukken door het Amtsgericht Hünfeld niet naar behoren waren betekend, waardoor zij niet tijdig bezwaar had kunnen maken tegen het door die rechter afgegeven betalingsbevel.
7.
De schuldplichtige vennootschap heeft de gerechtsdeurwaarder eveneens verzocht om opschorting van de tenuitvoerleggingsprocedure in afwachting van een definitieve beslissing van de Duitse rechter op haar verzoek tot intrekking van het bewijs van waarmerking als EET en tot staking van de tenuitvoerlegging. Bij akte van 25 maart 2020 heeft de gerechtsdeurwaarder geweigerd om dat verzoek in te willigen op grond dat de toepasselijke nationale regelgeving niet voorziet in de mogelijkheid van een dergelijke opschorting in het geval dat bij een rechter in de lidstaat van oorsprong een beroep tot vernietiging van de oorspronkelijke rechterlijke beslissing is ingesteld.
8.
Bij beschikking van 9 april 2020 heeft het Landgericht Frankfurt am Main beslist dat de gedwongen tenuitvoerlegging van de als EET gewaarmerkte beslissing van het Amtsgericht Hünfeld zou worden opgeschort bij betaling van een borgsom van 2 000 000 EUR.4. Voorts heeft die rechter vastgesteld dat Arik Air niet had aangetoond dat de executoriale titel onrechtmatig was afgegeven en dat de termijn om bezwaar te maken buiten haar schuld niet kon worden gehaald.
9.
Arik Air is bij de Kauno apylinkės teismas (districtsrechter Kaunas, Litouwen) opgekomen tegen de weigering van de gerechtsdeurwaarder om de tenuitvoerleggingsprocedure op te schorten, en heeft verzocht om bewarende maatregelen. Bij beschikking van 11 juni 2020 heeft die rechter dit beroep verworpen.
10.
Bij beschikking van 25 september 2020 heeft de Kauno apygardos teismas (regionale rechter Kaunas, Litouwen), bij wie Arik Air voornoemde afwijzende beschikking had aangevochten, de beslissing van de rechter in eerste aanleg vernietigd en gelast dat de tenuitvoerleggingsprocedure werd opgeschort in afwachting van een definitieve beslissing van de Duitse rechter op de door Arik Air ingediende verzoeken. De appelrechter heeft vastgesteld dat, gelet op de onevenredig grote schade die met de tenuitvoerleggingsprocedure zou kunnen worden veroorzaakt, de instelling van een rechtsmiddel tegen het bewijs van waarmerking als EET bij een rechter in de lidstaat van oorsprong voldoende grond vormde om die tenuitvoerleggingsprocedure op te schorten. Anders dan de rechter in eerste aanleg heeft hij ook geoordeeld dat, aangezien de door de Duitse rechter vastgestelde borgsom in dit stadium van de procedure nog niet was voldaan, er geen enkele reden was om aan te nemen dat die rechter bevoegd was om zich uit te spreken over de gegrondheid van het verzoek tot opschorting van de executoriale maatregelen.
11.
Lufthansa Technik AERO Alzey heeft tegen deze beschikking cassatieberoep ingesteld bij de Lietuvos Aukščiausiasis Teismas (hoogste rechter in burgerlijke en strafzaken, Litouwen), die de behandeling van de zaak heeft geschorst en het Hof heeft verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:
- ‘1)
Op welke wijze dient de term ‘buitengewone omstandigheden’ in artikel 23, aanhef en onder c), van verordening nr. 805/2004 te worden uitgelegd in het licht van de doelstellingen van verordening nr. 805/2004, waaronder de doelstelling om de tenuitvoerlegging van beslissingen van lidstaten sneller en eenvoudiger te maken en om het recht op een eerlijk proces doeltreffend te waarborgen? Welke beoordelingsbevoegdheid hebben de bevoegde instanties van de lidstaat van tenuitvoerlegging bij de uitlegging van die term?
- 2)
Dienen omstandigheden, zoals in casu aan de orde, die verband houden met een gerechtelijke procedure in de lidstaat van oorsprong waarbij uitspraak wordt gedaan over de vernietiging van de beslissing op grond waarvan een [EET] is afgegeven, als relevant te worden beschouwd voor de beslissing over de toepassing van artikel 23, aanhef en onder c), van verordening nr. 805/2004? Aan de hand van welke criteria dienen de beroepsprocedures in de lidstaat van oorsprong te worden beoordeeld en in hoeverre dienen de bevoegde instanties van de lidstaat van tenuitvoerlegging de in de lidstaat van oorsprong lopende procedure in aanmerking te nemen?
- 3)
Wat moet worden beoordeeld bij de beslissing over de toepassing van de term ‘buitengewone omstandigheden’ in artikel 23 van verordening nr. 805/2004: de invloed van de betreffende omstandigheden van het geschil wanneer in de lidstaat van oorsprong een rechtsmiddel is ingesteld tegen de in de lidstaat van oorsprong gegeven beslissing, de mogelijke voordelen of nadelen van de betreffende maatregel als bedoeld in artikel 23 van de verordening, de economische draagkracht van de schuldenaar voor de uitvoering van de beslissing of andere omstandigheden?
- 4)
Kunnen op grond van artikel 23 van verordening nr. 805/2004 verschillende in dat artikel genoemde maatregelen gelijktijdig worden toegepast? Indien deze vraag bevestigend wordt beantwoord, op welke criteria dienen de bevoegde instanties van de lidstaat van tenuitvoerlegging zich te baseren om te kunnen beslissen over de gegrondheid en evenredigheid van de toepassing van verschillende van die maatregelen?
- 5)
Dient de regeling van artikel 36, lid 1, van verordening [(EU) nr. 1215/20125.] te gelden voor een in de lidstaat van oorsprong gegeven beslissing over de schorsing (of opheffing) van de uitvoerbaarheid, of geldt een regeling die vergelijkbaar is met die van artikel 44, lid 2, van die verordening?’
III. Procedure bij het Hof
12.
Verzoekster in het hoofdgeding, de Litouwse regering en de Europese Commissie hebben schriftelijke opmerkingen ingediend. Ter terechtzitting van 8 september 2022 hebben partijen in het hoofdgeding, de Litouwse regering en de Europese Commissie pleidooi gehouden.
IV. Beoordeling
A. Eerste, tweede, derde en vierde prejudiciële vraag
13.
Met deze vier vragen, die gezamenlijk moeten worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter van het Hof duidelijkheid te verkrijgen over de betekenis en de draagwijdte van artikel 23 van verordening nr. 805/2004, zowel met betrekking tot de uitlegging van het begrip ‘buitengewone omstandigheden’ waarin de opschorting van de tenuitvoerleggingsprocedure en de reikwijdte van de bevoegdheid ter zake van de executerende rechter rechtvaardiging vinden (eerste, tweede en derde vraag), als met betrekking tot de mogelijkheid om die maatregel samen toe te passen met een beperking van de tenuitvoerleggingsprocedure (vierde vraag).
14.
Volgens vaste rechtspraak van het Hof verlangen de eenvormige toepassing van het Unierecht en het gelijkheidsbeginsel dat de bewoordingen van een bepaling van Unierecht die voor de vaststelling van de betekenis en de draagwijdte ervan niet uitdrukkelijk verwijst naar het recht van de lidstaten, in de regel in de gehele Unie autonoom en op eenvormige wijze worden uitgelegd, niet alleen rekening houdend met de letterlijke formulering van de bepaling, maar ook met de context ervan en de doelstelling van de betrokken regeling.6.
15.
Vastgesteld moet worden dat artikel 23 van verordening nr. 805/2004 nergens verwijst naar het recht van de lidstaten. Ook al vermeldt artikel 20, lid 1, van die verordening dat de tenuitvoerleggingsprocedures worden beheerst door het recht van de lidstaat van tenuitvoerlegging, dit doet niet af aan de bepalingen van hoofdstuk IV van genoemde verordening, en met name van artikel 23 ervan, dat uitdrukkelijk ziet op de voorwaarden voor een mogelijke opschorting of beperking van de tenuitvoerleggingsprocedure in het specifieke geval van een eerder door de schuldenaar ingesteld rechtsmiddel in de lidstaat van oorsprong.7.
16.
De in artikel 20, lid 1, van verordening nr. 805/2004 opgenomen verwijzing naar het recht van de lidstaat van tenuitvoerlegging heeft mijns inziens geen betrekking op de bestanddelen van het begrip ‘buitengewone omstandigheden’, dat een autonoom begrip van het Unierecht is. Die verwijzing heeft evenmin betrekking op de vraag naar de verhouding tussen beperking en opschorting van de tenuitvoerleggingsprocedure.
17.
Er zij aan herinnerd dat de uniforme toepassing van het Unierecht een fundamenteel vereiste is van de Europese rechtsorde8. en in het onderhavige geval een voorwaarde vormt voor het bereiken van het beoogde vrije verkeer van als EET gewaarmerkte rechterlijke beslissingen in de zin van artikel 1 van verordening nr. 805/2004. Deze uniforme toepassing verlangt derhalve dat voor de opschorting van de procedure voor tenuitvoerlegging van een dergelijke beslissing, hoewel die wordt beheerst door de regels van nationaal procesrecht met betrekking tot inzonderheid de vorm van het gedinginleidend stuk, de bij de procedure betrokken instanties of de geldende termijnen, in alle lidstaten uniforme voorwaarden gelden.
1. Letterlijke uitlegging
18.
Een eenvoudige letterlijke uitlegging van artikel 23 van verordening nr. 805/2004 kan reeds meer licht werpen op de betekenis en de draagwijdte van die bepaling.
19.
In de eerste plaats is de opschorting of de beperking van de tenuitvoerleggingsprocedure — die uitsluitend plaatsvindt op initiatief van de schuldenaar — slechts mogelijk in een specifieke situatie, in die zin dat de opschorting of de beperking onlosmakelijk verbonden is met het bestaan van een door die schuldenaar in de lidstaat van oorsprong ingestelde gerechtelijke procedure met het oog op het verkrijgen van rectificatie dan wel intrekking van de als EET gewaarmerkte beslissing of van het bewijs van waarmerking zelf overeenkomstig artikel 10 van verordening nr. 805/2004. Dit is een noodzakelijke, maar niet toereikende voorwaarde.
20.
In de tweede plaats bepaalt artikel 23 van verordening nr. 805/2004 dat de bevoegde rechter of instantie in de lidstaat van tenuitvoerlegging de tenuitvoerleggingsprocedure ‘kan’ beperken of opschorten. Het gebruik van dit werkwoord duidt erop dat het hier een mogelijkheid betreft waarvan de betrokken instantie op basis van de ruime beoordelingsmarge waarover zij beschikt, beslist of zij er gebruik van maakt, waarbij zij aangetekend dat de betwisting van een als EET gewaarmerkte beslissing of het verzoek tot rectificatie of intrekking van het bewijs van waarmerking als EET in de lidstaat van oorsprong op zichzelf niet noodzakelijkerwijs leidt tot de beperking of opschorting van de tenuitvoerleggingsprocedure. Het blijft evenwel een feit dat deze beoordelingsmarge beperkt is met betrekking tot de maatregel van opschorting, die slechts kan worden getroffen indien wordt vastgesteld dat er sprake is van buitengewone omstandigheden.
21.
Aan de bewoordingen van artikel 23 van verordening nr. 805/2004 kunnen geen nuttige aanwijzingen worden ontleend voor de definitie van het begrip ‘buitengewone omstandigheden’. Ik wijs er echter op dat het adjectief ‘buitengewoon’ volgens het algemene spraakgebruik synoniem is met ‘zeldzaam’. De voorwaarde dat er sprake is van een buitengewone situatie, impliceert dat de opschorting is opgevat als een afwijkingsmaatregel die zelf uitzonderlijk is. Aangezien het de bedoeling van de Uniewetgever was de opschorting van de tenuitvoerleggingsprocedure te beperken tot buitengewone omstandigheden, moet artikel 23 van verordening nr. 805/2004 noodzakelijkerwijs strikt worden uitgelegd.9.
22.
In de derde plaats worden de drie genoemde beslissingen10. die de bevoegde rechter of instantie in de lidstaat van tenuitvoerlegging kan vaststellen, met elkaar verbonden door het nevenschikkende voegwoord ‘of’, dat taalkundig gezien een alternatieve dan wel cumulatieve betekenis kan hebben11.. Voorts merk ik op dat artikel 23 van verordening nr. 805/2004 als opschrift ‘Opschorting of beperking van de tenuitvoerlegging’ draagt.12.
2. Teleologische uitlegging
23.
Uit de bewoordingen van artikel 1 van verordening nr. 805/2004 volgt dat die verordening tot doel heeft om voor niet-betwiste schuldvorderingen het vrije verkeer van beslissingen te verzekeren in alle lidstaten, zonder dat in de lidstaat van tenuitvoerlegging een intermediaire procedure hoeft te worden ingeleid voorafgaand aan de erkenning en tenuitvoerlegging. Het beginsel van wederzijds vertrouwen tussen de lidstaten, dat met name berust op wederzijds vertrouwen in de rechtspleging in de lidstaten, zoals in overweging 18 van die verordening wordt vermeld, houdt krachtens artikel 5 van genoemde verordening concreet in dat beslissingen die in de lidstaat van oorsprong als EET zijn gewaarmerkt, in de andere lidstaten worden erkend en ten uitvoer worden gelegd.13.
24.
Zo wordt overeenkomstig artikel 5 van verordening nr. 805/2004 een beslissing die in de lidstaat van oorsprong als EET is gewaarmerkt, in de andere lidstaten erkend en ten uitvoer gelegd zonder dat een verklaring van uitvoerbaarheid nodig is en zonder enige mogelijkheid om de erkenning te betwisten.
25.
Tegen die achtergrond moet artikel 23 van verordening nr. 805/2004 strikt worden uitgelegd, omdat het de verwezenlijking belemmert van de fundamentele doelstelling van die verordening, die volgens overweging 8 ervan strekt tot een snellere en eenvoudigere tenuitvoerlegging van een gerechtelijke beslissing in een andere lidstaat dan die waar de beslissing is gegeven, wat steun biedt aan de letterlijke uitlegging ervan.
3. Contextuele uitlegging
26.
De contextuele uitlegging van artikel 23 van verordening nr. 805/2004, die zich niet alleen uitstrekt tot de totstandkomingsgeschiedenis van dat artikel en van de andere bepalingen ervan, maar ook tot andere rechtsinstrumenten op het gebied van justitiële samenwerking in burgerlijke zaken, is mijns inziens van doorslaggevend belang voor het bepalen van de betekenis en de draagwijdte van dit artikel.
a) Verdeling van de bevoegdheden tussen de instanties van de lidstaat van oorsprong en die van de lidstaat van tenuitvoerlegging
27.
Wat de algemene structuur van verordening nr. 805/2004 betreft, moet worden vastgesteld dat deze ontegenzeggelijk wordt gekenmerkt door de opheffing van elke intermediaire procedure in een lidstaat voorafgaand aan de erkenning en de tenuitvoerlegging in die lidstaat van een beslissing inzake een niet-betwiste schuldvordering, met andere woorden door de algehele afschaffing van het exequatur. Overeenkomstig artikel 20, lid 1, van verordening nr. 805/2004 wordt een als EET gewaarmerkte beslissing onder dezelfde voorwaarden ten uitvoer gelegd als een beslissing die in de lidstaat van tenuitvoerlegging is gegeven.14. Dit nieuwe mechanisme voor onmiddellijke tenuitvoerlegging komt ontegensprekelijk ten goede aan de vervolgende schuldeiser, maar beoogt niettemin een goed evenwicht te vinden tussen diens belangen en die van de — althans vermeende — schuldenaar.
28.
Ten eerste dient bij de gerechtelijke procedure waarin de betrokken beslissing in de lidstaat van oorsprong is gegeven, te zijn voldaan aan de in hoofdstuk III van verordening nr. 805/2004 vastgestelde procedurele minimumnormen die beogen te verzekeren dat er toereikende waarborgen bestaan voor de eerbiediging van de rechten van de verdediging van de schuldenaar.15. Ten tweede biedt verordening nr. 805/2004 de schuldenaar de mogelijkheid om de oorspronkelijke beslissing en het begeleidende bewijs van waarmerking als EET te onderwerpen aan een toetsing achteraf, ten behoeve waarvan genoemde verordening voorziet in een verdeling van bevoegdheden tussen de instanties van de lidstaat van oorsprong en die van de lidstaat van tenuitvoerlegging.
29.
Zo zijn laatstgenoemde instanties bevoegd om een verzoek tot weigering van de tenuitvoerlegging of een verzoek tot opschorting of beperking van de tenuitvoerleggingsprocedure te behandelen16., maar bepaalt artikel 21, lid 2, van verordening nr. 805/2004 duidelijk dat ‘in geen geval […] in de lidstaat van tenuitvoerlegging [wordt] overgegaan tot de beoordeling van de juistheid van de beslissing of de waarmerking daarvan als Europese executoriale titel’17.. De schuldenaar kan in die lidstaat derhalve geen rechtsmiddel instellen en laten beoordelen met betrekking tot het bestaan en de gegrondheid van de schuldvordering of de naleving van de voorwaarden voor waarmerking.
30.
Die precisering is van wezenlijk belang met het oog op de duiding van het begrip ‘buitengewone omstandigheden’, en wel omdat zij mijns inziens noodzakelijkerwijs elke verwijzing uitsluit naar een — zelfs prima facie — beoordeling door de bevoegde rechter of instantie in de lidstaat van tenuitvoerlegging van de gegrondheid van de door de schuldenaar in de lidstaat van oorsprong ingestelde rechtsmiddelen in de zin van artikel 23 van verordening nr. 805/200.18.
31.
Deze duidelijke verdeling van bevoegdheden vloeit voort uit het feit dat de schuldvordering en de executoriale titel worden opgesteld op basis van het in de lidstaat van oorsprong geldende recht.19. In het kader van de procedure tot waarmerking van een rechterlijke beslissing als EET moet de tot waarmerking bevoegde instantie bovendien nagaan of bij de gerechtelijke procedure die in de lidstaat van oorsprong tot de vaststelling van de oorspronkelijke beslissing heeft geleid, is voldaan aan de in hoofdstuk III van verordening nr. 805/2004 neergelegde voorwaarden. Naast de toetsing van de regelmatigheid van die procedure en de controle van de naleving van de bevoegdheidsregels legt artikel 6 van die verordening de verplichting op om met name de uitvoerbaarheid van de genomen beslissing en de aard van de schuldvordering te controleren.20.
32.
De toetsing van de rechterlijke eindbeslissing in de procedure en de controle van het bewijs van waarmerking als EET worden toevertrouwd aan een rechter van de lidstaat van oorsprong, aangezien deze autoriteit het best in staat is om kennis te nemen van het rechtskader van het geding en ten gronde te beoordelen of de voornoemde beslissing en het begeleidende bewijs van waarmerking rechtmatig zijn. Overigens is de rechter van de lidstaat van oorsprong die de beslissing heeft gegeven dan wel het bewijs van waarmerking als EET heeft verstrekt, eveneens bevoegd in geval van een verzoek tot heroverweging van die beslissing in de zin van artikel 19 van verordening nr. 805/2004 of in geval van een verzoek tot rectificatie of intrekking van een bewijs van waarmerking overeenkomstig artikel 10 van die verordening.
33.
In die omstandigheden kan mijns inziens niet worden aanvaard dat het begrip ‘buitengewone omstandigheden’ zich uitstrekt tot de noodzakelijke vaststelling door de bevoegde rechter of instantie in de lidstaat van tenuitvoerlegging van de fumus boni juris van de door de schuldenaar ingestelde rechtsmiddelen overeenkomstig artikel 23 van verordening nr. 805/2004. Een dergelijke conclusie strookt met de noodzaak om de snelle tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen te waarborgen, aangezien deze beoordeling van de fumus boni juris er in feite op zou neerkomen dat het proces complexer wordt, en om tegelijkertijd de rechtszekerheid te beschermen waarop het wederzijdse vertrouwen in de rechtsbedeling binnen de Unie is gebaseerd, zoals in overweging 18 van deze verordening in herinnering wordt gebracht. Met andere woorden, het lijkt mij juridisch noch praktisch redelijk om van de bevoegde instantie in de lidstaat van tenuitvoerlegging te verlangen dat zij het recht van de lidstaat van oorsprong begrijpt teneinde het serieuze karakter te beoordelen van de middelen die de schuldenaar heeft aangevoerd ter onderbouwing van de rechtsmiddelen die hij in die lidstaat heeft ingesteld.21.
34.
Deze uitlegging vindt mijns inziens bovendien steun in de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 23 van verordening nr. 805/2004. Er zij op gewezen dat deze bepaling, zoals ze in het voorstel voor de verordening22. is verwoord, de opschorting van de tenuitvoerleggingsprocedure als eerste mogelijke maatregel vermeldde, zonder nadere precisering. In de toelichting werd aangegeven dat bij de toepassing van deze bepaling met name ‘rekening [moet] worden gehouden met de kans van slagen van de stappen die de schuldenaar […] heeft ondernomen en met het risico van onherstelbare schade die kan worden aangericht in geval van onvoorwaardelijke tenuitvoerlegging’.
35.
Vastgesteld moet worden dat noch in artikel 23 van verordening nr. 805/2004, noch in de considerans ervan naar deze twee omstandigheden wordt verwezen en dat, afgezien van een omgekeerde volgorde van mogelijke maatregelen, een beslissing tot opschorting gebonden is aan de vaststelling van ‘buitengewone omstandigheden’. Deze evolutie in de bewoordingen weerspiegelt mijns inziens de coherentie die de wetgever nastreefde door enerzijds de rol van de instanties van de lidstaat van tenuitvoerlegging in artikel 21, lid 2, van die verordening strikt te beperken23., en anderzijds het vrije verkeer van beslissingen in alle lidstaten te verzekeren, in dit geval door een grens te stellen aan de beoordelingsbevoegdheid van deze instanties met betrekking tot de maatregel met de grootste impact.24.
b) Gezamenlijke toepassing van artikel 6, lid 2, en artikel 11 van verordening nr. 805/2004
36.
Er dient op te worden gewezen dat de uitdrukking ‘bewijs van waarmerking’ met de nodige voorzichtigheid moet worden gebruikt, aangezien er in verordening nr. 805/2004 sprake is van niet minder dan drie bewijzen van waarmerking, telkens met onderscheiden doeleinden. Het eerste ervan is het in artikel 6, lid 1, van die verordening bedoelde bewijs, dat correspondeert met de bijlagen I tot en met III, alle met het opschrift ‘Bewijs van waarmerking als Europese executoriale titel’25.. Een beslissing kan op grond van genoemd artikel 6 alleen dan als EET worden gewaarmerkt indien zij een niet-betwiste schuldvordering betreft en aan bepaalde in dat artikel gestelde voorwaarden voldoet. Een van de voorwaarden voor deze waarmerking is vervat in lid 1, onder a), van dat artikel, namelijk dat de beslissing volgens het recht van de lidstaat van oorsprong uitvoerbaar is.26. Een niet-uitvoerbare beslissing kan dus geen grondslag vormen voor de verstrekking van een EET. Daarop aansluitend bepaalt artikel 11 van verordening nr. 805/2004 dat het bewijs van waarmerking als EET alleen gevolg heeft binnen de grenzen van de uitvoerbaarheid van de beslissing.
37.
Het tweede ervan is het in artikel 6, lid 2, van verordening nr. 805/2004 vermelde bewijs, dat correspondeert met bijlage IV, met als opschrift ‘Bewijs van onuitvoerbaarheid of beperkte uitvoerbaarheid’. Indien de oorspronkelijke als EET gewaarmerkte beslissing niet meer uitvoerbaar is of de uitvoerbaarheid ervan door een rechter van de lidstaat van oorsprong is opgeschort of beperkt, kan de schuldenaar dit bewijs verkrijgen op te eniger tijd gedaan verzoek aan de rechter die de executoriale titel oorspronkelijk heeft afgegeven.
38.
Het derde ervan is het in artikel 6, lid 3, van verordening nr. 805/2004 bedoelde bewijs, dat correspondeert met bijlage V, met als opschrift ‘Vervangend bewijs van waarmerking als Europese executoriale titel nadat rechtsmiddelen zijn ingesteld’. Deze bepaling moet de schuldeiser in staat stellen om zijn positie bij te stellen door te verkrijgen dat de beslissing die is gegeven op een in de lidstaat van oorsprong ingesteld rechtsmiddel waarbij de oorspronkelijke beslissing is bevestigd, eveneens als EET wordt gewaarmerkt.
39.
In dit verband betoogt verzoekster in het hoofdgeding dat de in artikel 23 van verordening nr. 805/2004 genoemde gronden voor opschorting of beperking van de tenuitvoerlegging van een beslissing moeten worden beoordeeld in het licht van artikel 6, lid 2, en artikel 11 van die verordening. Volgens haar kan alleen de overlegging van het in artikel 6, lid 2, van die verordening bedoelde bewijs aan de executerende rechter grond vormen voor een beslissing van die rechter tot opschorting of beperking van de tenuitvoerlegging.
40.
Mijns inziens worden in die uitlegging twee situaties met elkaar verward die in verordening nr. 805/2004 afzonderlijk zijn geregeld. Artikel 23 van die verordening betreft een tijdelijke en onzekere situatie, meer bepaald die waarbij de schuldenaar bij de rechter van oorsprong rechtsmiddelen heeft ingesteld tegen de oorspronkelijke als EET gewaarmerkte beslissing of tegen het bewijs van waarmerking zelf, die ten volle rechtsgevolgen blijven sorteren bij ontstentenis van bepalingen die opschortende werking toekennen aan voornoemde rechtsmiddelen. In afwachting van de — per definitie onzekere — uitkomst van die procedures, kan de bevoegde rechter of instantie van de lidstaat van tenuitvoerlegging binnen zijn of haar beoordelingsmarge maatregelen treffen tot opschorting of beperking van de tenuitvoerleggingsprocedure.
41.
Die situatie is niet dezelfde als die welke wordt geregeld in artikel 6, lid 2, van verordening nr. 805/2004, gelezen in samenhang met artikel 11 ervan, waarbij er sprake is van een vaststaande wijziging in de uitvoerbaarheid van de executoriale titel, die resulteert in de afgifte van een nieuw bewijs als bedoeld in bijlage IV bij die verordening. Gelet op het — in die tweede bepaling dwingend geformuleerde — verband tussen de uitvoerbaarheid van de beslissing en de EET, heeft elke latere wijziging in die uitvoerbaarheid (niet meer uitvoerbaar, opschorting of beperking van uitvoerbaarheid) noodzakelijkerwijs gevolgen voor de tenuitvoerleggingsprocedure. Zoals de Commissie beklemtoont, staat het aan de rechter van de lidstaat van tenuitvoerlegging, aan wie het voornoemde bewijs is verstrekt, om de doeltreffende toepassing van artikel 11 van verordening nr. 805/2004 binnen zijn nationale rechtsorde te waarborgen.
42.
In die omstandigheden ben ik van mening dat wanneer de in artikel 23 van verordening nr. 805/2004 bedoelde maatregelen tot opschorting of beperking van de tenuitvoerleggingsprocedure alleen mogen worden vastgesteld bij overlegging van het bewijs waarin vermeld staat dat de beslissing niet langer of slechts beperkt uitvoerbaar is, zulks erop neerkomt dat aan die bepaling elke nuttige werking wordt ontnomen, hetgeen niet kan worden aanvaard.
c) Schending van de openbare orde van de lidstaat van tenuitvoerlegging
43.
De Uniewetgever kan niet worden verweten geen pogingen te hebben ondernomen om de grensoverschrijdende inning van schuldvorderingen in burgerlijke en handelszaken te vergemakkelijken: de EET, het Europees betalingsbevel27. en de Europese procedure voor geringe vorderingen28. zijn allemaal rechtsinstrumenten die gericht zijn op het vrije verkeer van rechterlijke beslissingen op hun eigen gebied, waarbij zich ook nog de norm van Unierecht voegt die is vastgesteld bij verordening nr. 1215/2012. In het licht van deze omvangrijke — en volgens sommigen zelfs buitensporige29. — regelgeving rijzen er echter vragen over de algehele samenhang van het systeem.
44.
Die vragen betreffen onder meer de mogelijkheid voor de schuldenaar om de oorspronkelijke beslissing in het stadium van de tenuitvoerlegging ervan te laten toetsen door de instanties van de lidstaat van tenuitvoerlegging. Alle voornoemde instrumenten voorzien weliswaar in procedures tot zowel opschorting of beperking van de tenuitvoerleggingsprocedure als weigering van de tenuitvoerlegging, maar toch moet worden vastgesteld dat er geen uniforme voorwaarden gelden voor de toepassing van deze maatregelen.30.
45.
Artikel 21 van verordening nr. 805/2004 bepaalt dat de tenuitvoerlegging door de bevoegde rechter in de lidstaat van tenuitvoerlegging wordt geweigerd indien de als EET gewaarmerkte beslissing onverenigbaar is met een eerdere beslissing die is gegeven in een van de lidstaten of een derde land. Het betreft de enige weigeringsgrond waarin die verordening voorziet, terwijl verordening nr. 1215/2012 niet minder dan vijf weigeringsgronden bevat, waaronder strijdigheid met de openbare orde van de aangezochte lidstaat. Ik merk echter op dat volgens de Litouwse regering het begrip ‘buitengewone omstandigheden’ van artikel 23, aanhef en onder c), van verordening nr. 805/2004 aldus moet worden uitgelegd dat het zich uitstrekt tot situaties waarbij de tenuitvoerlegging van een als EET gewaarmerkte beslissing de procedurele openbare orde van de lidstaat van tenuitvoerlegging kan aantasten.
46.
Die uitlegging kan mijns inziens niet worden aanvaard, aangezien zij voorbijgaat aan de hierboven besproken duidelijke verdeling van bevoegdheden tussen de instanties van de lidstaat van oorsprong en die van de lidstaat van tenuitvoerlegging. Laatstgenoemde instanties behoeven op generlei wijze kennis te nemen van de rechtmatigheid van de oorspronkelijke beslissing. Het gevaar van tegenstrijdige beslissingen op dit punt kan immers niet worden aanvaard vanuit het oogpunt van het rechtszekerheidsbeginsel.
47.
Bovendien blijkt uit het onderzoek van de voorbereidende werkzaamheden dat de discussies op de 2515e zitting van de Raad ‘Justitie en Binnenlandse Zaken’ van 5 en 6 juni 2003 betrekking hadden op de mogelijkheid tot weigering van tenuitvoerlegging in de lidstaat van tenuitvoerlegging, inclusief op grond van het criterium van ‘openbare orde’, dat in diezelfde context reeds werd genoemd in verordening (EG) nr. 44/200131., die verordening nr. 805/2004 voorafging. Uit de definitieve tekst van verordening nr. 805/2004 blijkt dat van dit criterium is afgezien. Derhalve kan het vraagstuk van de openbare orde mijns inziens bezwaarlijk opnieuw aan de orde worden gesteld middels een uitlegging van het begrip ‘buitengewone omstandigheden’ op grond waarvan de tenuitvoerleggingsprocedure krachtens artikel 23 van verordening nr. 805/2004 kan worden opgeschort.
48.
Tot slot valt een grond voor opschorting die wordt ontleend aan een — materiële dan wel procedurele — schending van de openbare orde van de lidstaat van tenuitvoerlegging mijns inziens niet te rijmen met de tijdelijke aard van de in voornoemd artikel vastgestelde maatregelen, waarvan de juridische en temporele reikwijdte noodzakelijkerwijs beperkt blijft tot de beslissing die in de lidstaat van oorsprong is gegeven met betrekking tot de door de schuldenaar ingestelde rechtsmiddelen. Een beslissing waarbij de rechtmatigheid van de oorspronkelijke beslissing wordt bevestigd, houdt in dat de rechtsgevolgen van de opschorting van de tenuitvoerleggingsprocedure ophouden te bestaan, maar laat het vraagstuk van de schending van de openbare orde van de lidstaat van tenuitvoerlegging die aan deze maatregel ten grondslag ligt, onaangeroerd. Aangezien verordening nr. 805/2004 ter zake geen bepalingen bevat, kan dit vraagstuk niet worden opgelost in het kader van deze verordening, een situatie die evenmin aanvaardbaar is vanuit het oogpunt van het rechtszekerheidsbeginsel, dat een algemeen beginsel van Unierecht is.
d) Gezamenlijke toepassing van de in artikel 23 van verordening nr. 805/2004 bedoelde maatregelen
49.
Wat het bovengenoemde vraagstuk betreft, moet worden gekeken naar de wijze waarop de bewoordingen van de bepalingen in de verordeningen nr. 1896/2006, nr. 861/2007 en nr. 1215/2012 die zien op de mogelijkheid tot opschorting of beperking van de tenuitvoerleggingsprocedure, zijn geëvolueerd.
50.
Terwijl de bewoordingen van artikel 23 van verordening nr. 1896/2006 identiek zijn aan die van artikel 23 van verordening nr. 805/2004, waarin het voegwoord ‘of’ wordt gebruikt tussen elke mogelijke maatregel, wat betekent dat deze uitsluitend afzonderlijk kunnen worden toegepast, is dat niet het geval bij de andere voornoemde regelingen van afgeleid recht die op een later tijdstip zijn vastgesteld. In artikel 23 van verordening nr. 861/2007 en artikel 44 van verordening nr. 1215/2012 wordt het betrokken voegwoord alleen gebruikt tussen de tweede en de derde mogelijke maatregel, hetgeen erop duidt dat de eerste en de tweede maatregel samen mogen worden toegepast.
51.
Die ontwikkeling in de wetgeving weerspiegelt en bevestigt mijns inziens de bijzondere aard van de opschorting, de meest stringente maatregel vanwege het algehele uitblijven van tenuitvoerlegging van welke executoriale titel ook door de schuldeiser. In dit verband wijs ik erop dat artikel 23 van verordening nr. 805/2004, anders dan artikel 44 van verordening nr. 1215/2012, niet bepaalt dat de tenuitvoerleggingsprocedure ‘geheel of gedeeltelijk’ kan worden opgeschort. De enkele vermelding van het feit dat de bevoegde rechter of instantie in de lidstaat van tenuitvoerlegging deze procedure kan ‘opschorten’, kan mijns inziens alleen verwijzen naar het geval waarin de procedure volledig wordt gestaakt.
52.
De gezamenlijke toepassing van de beperkende maatregelen en de opschortingsmaatregel, in de aangegeven zin, lijkt mij vanuit logisch en praktisch oogpunt niet uitvoerbaar te zijn, een conclusie die al kon worden getrokken op basis van het opschrift van artikel 23 van verordening nr. 805/2004 waarin het voegwoord ‘of’ disjunctief is gebruikt.32. Daarentegen is het theoretisch denkbaar, zij het in de praktijk weinig waarschijnlijk, dat de bevoegde rechter of instantie in de lidstaat van tenuitvoerlegging kan verlangen dat de vervolgende schuldeiser een zekerheid stelt als voorwaarde voor de tenuitvoerlegging van uitsluitend conservatoire maatregelen. Deze combinatie van maatregelen zou binnen de ruime beoordelingsmarge van deze instanties vallen en dient te worden vastgesteld rekening houdend met de bijzondere omstandigheden van de betrokken zaak.
4. Tussenconclusie
53.
De hierboven besproken uiteenlopende betekenissen die de belanghebbenden aan het begrip ‘buitengewone omstandigheden’ geven, vallen mijns inziens geenszins te rijmen met een logische en redelijke uitlegging van artikel 23 van verordening nr. 805/2004.
54.
Aangezien er sprake is van opschorting van de tenuitvoerlegging van executoriale titels, is het duidelijk dat hier wordt gedoeld op de gevolgen van die tenuitvoerlegging, waarbij de genoemde ‘buitengewone omstandigheden’ aanknopen bij de schade die de schuldenaar zou kunnen lijden wanneer de beslissing onmiddellijk ten uitvoer wordt gelegd. Gelet op het vereiste van uitzonderlijkheid moeten die omstandigheden worden gekenmerkt door de ernstige en onherstelbare schade die uit die tenuitvoerlegging voortvloeit, tegen de achtergrond van een tijdelijke en onzekere situatie als gevolg van de door de schuldenaar in de lidstaat van oorsprong ingestelde rechtsmiddelen. Al die elementen moeten zodoende resulteren in een spoedeisende situatie op grond waarvan een voorlopige beslissing noodzakelijk is teneinde te voorkomen dat dergelijke schade wordt berokkend aan de partij die om de opschortingsmaatregel verzoekt.33.
55.
Wat de duiding van voornoemde schade betreft, kan inspiratie worden geput uit de rechtspraak van het Hof over het verlenen van opschorting van de tenuitvoerlegging van een handeling krachtens artikel 278 VWEU.
56.
Volgens deze rechtspraak staat het altijd aan de partij die om een voorlopige maatregel verzoekt, in dit geval dus aan de schuldenaar, om uiteen te zetten en aan te tonen dat er waarschijnlijk ernstige en onherstelbare schade zal ontstaan.34. Om het bestaan van die schade te bewijzen hoeft weliswaar niet met volstrekte zekerheid te worden aangetoond dat er onmiddellijk schade dreigt te ontstaan en volstaat het dat die schade met een voldoende mate van waarschijnlijkheid valt te voorzien, maar dit neemt niet weg dat de verzoekende partij gehouden blijft de feiten te bewijzen waarop zij haar verwachting dat die schade zal intreden baseert.35.
57.
Met betrekking tot de aard van de schade heeft het Hof herhaaldelijk geoordeeld dat zuiver financiële schade in beginsel of behoudens uitzonderlijke omstandigheden niet als onherstelbaar kan worden beschouwd, aangezien de benadeelde persoon over het algemeen door een financiële vergoeding kan worden teruggebracht in de situatie waarin hij zich vóór het ontstaan van de schade bevond, in voorkomend geval door middel van een schadevordering.36. De bevoegde instantie van de lidstaat van tenuitvoerlegging zal de elementen moeten beoordelen op basis waarvan kan worden vastgesteld of de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de beslissing waarvan om opschorting wordt verzocht, voor de schuldenaar onomkeerbare schade met zich zou meebrengen die niet kan worden hersteld indien deze beslissing in de lidstaat van oorsprong ongeldig zou worden verklaard of indien het bewijs van waarmerking als EET, dat bepalend is voor de mogelijkheid tot onmiddellijke tenuitvoerlegging in een andere lidstaat, zou worden ingetrokken.
58.
Er moet op worden gewezen dat zowel civiele als handelsvorderingen binnen de werkingssfeer van verordening nr. 805/2004 vallen en dat schuldenaren bijgevolg zowel natuurlijke als rechtspersonen kunnen zijn. Wat de marktdeelnemers betreft, staat vast dat wanneer een situatie dreigt te ontstaan die hun financiële voortbestaan in gevaar kan brengen voordat de tegen de oorspronkelijke beslissing of het bewijs van waarmerking ingestelde bodemprocedures zijn afgedaan, aan het schadevereiste is voldaan.37. Is de schuldenaar een natuurlijke persoon, dan moet worden onderzocht of de tenuitvoerlegging van de beslissing gepaard zou gaan met een gedeeltelijke of volledige beslaglegging op zijn vermogen, met een ernstige verslechtering van de materiële levensomstandigheden van de betrokkene en zijn gezin tot gevolg, zoals bij de gedwongen verkoop van de gezinswoning.38.
59.
In het geval dat uit de door de schuldenaar aangedragen elementen problemen van economische of sociale aard kunnen worden opgemaakt die echter niet als ernstig en onherstelbaar zijn aan te merken, kan de bevoegde instantie van de lidstaat van tenuitvoerlegging de in artikel 23, aanhef en onder a) en b), van verordening nr. 805/2004 bedoelde beperkende maatregelen treffen, op voorwaarde dat de schuldenaar daarom — in voorkomend geval subsidiair — heeft verzocht. In dit verband moet worden benadrukt dat bij de toepassing van dit artikel het lijdelijkheidsbeginsel moet worden geëerbiedigd, op grond waarvan partijen het voorwerp van het geschil bepalen.
60.
Er zij aan herinnerd dat volgens de rechtspraak van het Hof de rechter in kort geding de betrokken belangen ook tegen elkaar afweegt wanneer aan de twee andere voorwaarden39. voor opschorting van de tenuitvoerlegging is voldaan.40. Deze oplossing moet mijns inziens worden toegepast in de onderhavige zaak, gelet op de ruime beoordelingsmarge waarover de bevoegde instantie van de lidstaat van tenuitvoerlegging beschikt op grond van artikel 23 van verordening nr. 805/2004, hetwelk een evenwicht beoogt te vinden tussen het belang van de schuldeiser, namelijk een spoedige tenuitvoerlegging van de beslissing, en dat van de schuldenaar, namelijk voorkomen dat mogelijkerwijs ernstige en onherstelbare schade ontstaat doordat het door de onmiddellijke tenuitvoerlegging veroorzaakte verlies niet kan worden hersteld. In het kader van die belangenafweging kan de schuldeisende en verwerende partij aanvoeren dat het feit dat haar de mogelijkheid wordt ontnomen om onmiddellijke tenuitvoerlegging van de beslissing te verkrijgen, en dus om de betrokken bedragen onverwijld te ontvangen, er mogelijkerwijs toe leidt dat zij definitief van haar rechten wordt beroofd in het geval dat de door de schuldenaar ingestelde rechtsmiddelen later zouden worden afgewezen.
61.
Bij de behandeling van het door de schuldplichtige vennootschap ingediende verzoek tot opschorting van de tenuitvoerleggingsprocedure staat het derhalve aan de verwijzende rechter om in het licht van alle relevante omstandigheden van het hoofdgeding te beoordelen of deze vennootschap ernstige en onherstelbare schade, in de hierboven beschreven betekenis, kan lijden wanneer de oorspronkelijke beslissing onmiddellijk ten uitvoer wordt gelegd en, zo ja, om de betrokken belangen tegen elkaar af te wegen.41.
B. Vijfde prejudiciële vraag
62.
Met zijn vijfde vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen of een eventuele opschorting van de uitvoerbaarheid van de als EET gewaarmerkte beslissing in de lidstaat van oorsprong inhoudt dat de in de lidstaat van tenuitvoerlegging ingeleide tenuitvoerleggingsprocedure automatisch wordt opgeschort in overeenstemming met de in artikel 36, lid 1, van verordening nr. 1215/2012 vervatte regeling, dan wel of de bevoegde instantie van deze lidstaat een specifieke beslissing moet vaststellen zoals bedoeld in artikel 44, lid 2, van die verordening.
1. Ontvankelijkheid
63.
Volgens vaste rechtspraak van het Hof rust er een vermoeden van relevantie op de vragen betreffende de uitlegging van het Unierecht die de nationale rechter heeft gesteld binnen het onder zijn eigen verantwoordelijkheid geschetste wettelijke en feitelijke kader, ten aanzien waarvan het niet aan het Hof staat om de juistheid te onderzoeken. De krachtens artikel 267 VWEU ingestelde procedure is een instrument voor de samenwerking tussen het Hof en de nationale rechterlijke instanties, dat het Hof in staat stelt de nationale rechters de elementen voor uitlegging van het Unierecht te verschaffen die zij nodig hebben om uitspraak te kunnen doen in de bij hen aanhangige gedingen. De rechtvaardiging van de prejudiciële verwijzing is niet gelegen in het formuleren van rechtsgeleerde adviezen over algemene of hypothetische vraagstukken, maar in de behoefte aan de daadwerkelijke beslechting van een geding. Zoals volgt uit de bewoordingen van artikel 267 VWEU, moet de gevraagde prejudiciële beslissing voor de verwijzende rechterlijke instantie ‘noodzakelijk’ zijn ‘voor het wijzen van haar vonnis’ in de bij haar aanhangige zaak.42.
64.
In het onderhavige geval staat vast dat op de datum waarop de verwijzende rechter het onderhavige verzoek om een prejudiciële beslissing aan het Hof heeft voorgelegd, er daadwerkelijk een geding bij die rechter aanhangig was, in het kader waarvan hij een beslissing moest geven waarbij rekening kon worden gehouden met de prejudiciële beslissing43., met dien verstande dat in de lidstaat van oorsprong op die datum een beslissing tot opheffing of tijdelijke opschorting van de uitvoerbaarheid van de oorspronkelijke beslissing weliswaar nog niet was gegeven44., maar nog altijd kon en kan worden gegeven in het kader van de door de schuldenaar in die lidstaat ingestelde — en nog aanhangige — beroepsprocedure en dan tot een nieuw verzoek van laatstgenoemde kan leiden.
65.
Ook zij eraan herinnerd dat het begrip ‘wijzen van haar vonnis’ in de zin van artikel 267, tweede alinea, VWEU betrekking heeft op de gehele procedure die leidt tot het vonnis van de verwijzende rechterlijke instantie, en dat dit begrip ruim moet worden uitgelegd teneinde te voorkomen dat tal van procedurekwesties niet-ontvankelijk worden geacht en door het Hof niet kunnen worden uitgelegd, en dat het Hof niet in staat is uitspraak te doen over de uitlegging van alle Unierechtelijke bepalingen die de verwijzende rechter dient toe te passen.45.
2. Ten gronde
66.
Anders dan zou kunnen worden afgeleid uit de weliswaar dubbelzinnige formulering van de vijfde prejudiciële vraag, doelt de verwijzende rechter niet op een mogelijke toepassing van bepalingen van verordening nr. 1215/2012 op een tenuitvoerleggingsprocedure die, zoals de onderhavige, binnen de werkingssfeer van verordening nr. 805/2004 valt.46. Hij wenst te vernemen welke rechtsgevolgen voor die procedure verbonden zijn aan een in de lidstaat van oorsprong gegeven beslissing tot opschorting van de uitvoerbaarheid van de oorspronkelijke beslissing, uitgaande van de vaststelling dat dit vraagstuk niet uitdrukkelijk wordt geregeld in verordening nr. 805/2004, maar daarentegen wel in verordening nr. 1215/2012, meer bepaald in artikel 36, lid 1, dan wel artikel 44, lid 2, ervan.47.
67.
Mijns inziens is deze premisse onjuist, aangezien de relevante toepasselijke bepalingen, zoals hierboven in deze conclusie reeds uiteengezet, artikel 6, met name de leden 1 en 2 ervan, en artikel 11 van verordening nr. 805/2004 zijn.48. Hieruit volgt dat zodra het in artikel 6, lid 2, van die verordening bedoelde bewijs is afgegeven door de rechter van oorsprong en aan de bevoegde instanties in de lidstaat van tenuitvoerlegging is toegezonden door de partij tegen wie de tenuitvoerlegging wordt gevorderd, die instanties logischerwijs hieruit alle daarmee samenhangende conclusies moeten trekken voor het verdere verloop van de tenuitvoerleggingsprocedure, in overeenstemming met de bewoordingen van artikel 11 van verordening nr. 805/2004, die elke beoordelingsmarge uitsluiten.
68.
Bijgevolg kan de vermelding in voornoemd bewijs dat de uitvoerbaarheid van de oorspronkelijke als EET gewaarmerkte beslissing is opgeschort, in de lidstaat van tenuitvoerlegging uitsluitend tot een identieke maatregel leiden. De ongeldigverklaring en de daaropvolgende vernietiging van die beslissing in de lidstaat van oorsprong, welke neerkomen op de opheffing van de uitvoerbaarheid, hebben noodzakelijkerwijs tot gevolg dat de tenuitvoerleggingsprocedure wordt gestaakt. Aangezien de procedurele aspecten van de uitvoering van artikel 11 niet zijn vastgesteld in verordening nr. 805/2004, worden deze — zoals de Commissie terecht beklemtoont — beheerst door het recht van de lidstaat van tenuitvoerlegging waarvan de toepassing de volle werking van deze bepaling moet verzekeren.
V. Conclusie
69.
In het licht van de bovenstaande overwegingen geef ik het Hof in overweging om de vragen van de Lietuvos Aukščiausiasis Teismas te beantwoorden als volgt:
- 1)
Artikel 23 van verordening (EG) nr. 805/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004 tot invoering van een Europese executoriale titel voor niet-betwiste schuldvorderingen
moet aldus worden uitgelegd dat:
het in die bepaling bedoelde begrip ‘buitengewone omstandigheden’ zich uitstrekt tot de ernstige en onherstelbare schade die aan de schuldenaar kan worden berokkend wanneer de als Europese executoriale titel gewaarmerkte beslissing onmiddellijk ten uitvoer wordt gelegd, ten gevolge waarvan een spoedeisende situatie ontstaat waarvan het bestaan door de schuldenaar moet worden aangetoond. Is dat het geval, dan staat het aan de bevoegde rechter of instantie van de lidstaat van tenuitvoerlegging om een belangenafweging te maken in het licht van alle relevante omstandigheden van het concrete geval.
Alleen de in artikel 23, aanhef en onder a) en b), van die verordening bedoelde maatregelen ter beperking van de tenuitvoerleggingsprocedure kunnen samen worden toegepast.
- 2)
De artikelen 6 en 11 van verordening nr. 805/2004
moeten aldus worden uitgelegd dat:
de bevoegde instantie in de lidstaat van tenuitvoerlegging ertoe gehouden is om bij de uitvoering van de toepasselijke nationale regels de volle werking van artikel 11 van genoemde verordening te verzekeren door de tenuitvoerleggingsprocedure op te schorten wanneer de uitvoerbaarheid van de als Europese executoriale titel gewaarmerkte beslissing in de lidstaat van oorsprong is opgeschort en het in artikel 6, lid 2, van die verordening bedoelde bewijs haar is toegezonden.
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 20‑10‑2022
Oorspronkelijke taal: Frans.
Verordening van het Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004 tot invoering van een Europese executoriale titel voor niet-betwiste schuldvorderingen (PB 2004, L 143, blz. 15).
Deze vermelding in de verwijzingsbeslissing roept vragen op, in die zin dat artikel 10 van verordening nr. 805/2004 uitsluitend is gewijd aan de rectificatie of intrekking van het bewijs van waarmerking als EET.
Ook deze aanwijzing wekt verbazing in het licht van de verdeling van de bevoegdheden tussen de instanties van de lidstaat van oorsprong en die van de lidstaat van tenuitvoerlegging met betrekking tot eventuele door de schuldenaar ingestelde rechtsmiddelen. De in de lidstaat van oorsprong vastgestelde maatregel strekt tot tenuitvoerlegging van de beslissing, die niet valt onder de bevoegdheid van de instanties van die lidstaat.
Verordening van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 2012, L 351, blz. 1).
Arresten van 7 november 2019, K.H.K. (Conservatoir beslag op bankrekeningen) (C-555/18, EU:C:2019:937, punt 38), en 25 juni 2020, Ministerio Fiscal (Autoriteit die wellicht verzoeken om internationale bescherming ontvangt) (C-36/20 PPU, EU:C:2020:495, punt 53).
In zoverre sluiten de in het Litouwse recht vastgestelde situaties van verplichte of facultatieve opschorting, zoals vermeld in de verwijzingsbeslissing, aan bij de situatie zoals omschreven in artikel 23 van verordening nr. 805/2004, waarbij een specifieke en autonome rechtsnorm is vastgesteld inzake de opschorting of de beperking van de tenuitvoerleggingsprocedure.
Arrest van 21 februari 1991, Zuckerfabrik Süderdithmarschen en Zuckerfabrik Soest (C-143/88 en C-92/89, EU:C:1991:65, punt 26).
Zie naar analogie arrest van 22 oktober 2015, Thomas Cook Belgium (C-245/14, EU:C:2015:715, punt 31).
Behalve de opschorting van de tenuitvoerleggingsprocedure vermeldt artikel 23 van verordening nr. 805/2004 de mogelijkheid voor de bevoegde rechter of instantie in de lidstaat van tenuitvoerlegging om deze procedure te beperken tot bewarende maatregelen of om de tenuitvoerlegging ervan afhankelijk te maken van het stellen van een door deze rechter of instantie te bepalen zekerheid. Naar mijn mening vallen de twee laatstgenoemde beslissingen onder het begrip ‘beperking’, het enige alternatief voor opschorting blijkens het opschrift van deze bepaling.
Arrest van 30 januari 2020, Autoservizi Giordano (C-513/18, EU:C:2020:59, punt 24).
Cursivering van mij.
Zie in die zin arrest van 9 maart 2017, Zulfikarpašić (C-484/15, EU:C:2017:199, punten 38, 40 en 42).
Door middel van gelijkstelling strekken de gevolgen van de oorspronkelijke beslissing zich uit tot het gehele grondgebied van de Europese Unie (met uitzondering van Denemarken), wat ertoe heeft geleid dat het bewijs van waarmerking als EET ook wel wordt aangeduid als ‘juridisch passe-partout’ of ‘Europees paspoort’.
Zie in die zin arresten van 28 februari 2018, Collect Inkasso e.a. (C-289/17, EU:C:2018:133, punt 36), en 27 juni 2019, RD (Waarmerking als Europese executoriale titel) (C-518/18, EU:C:2019:546, punt 24). In zijn arrest van 9 maart 2017, Zulfikarpašić (C-484/15, EU:C:2017:199, punt 39), heeft het Hof duidelijk aangegeven dat deze doelstelling van het vrije verkeer van beslissingen in alle lidstaten niet mag worden bereikt door op welke wijze dan ook afbreuk te doen aan de rechten van de verdediging.
In dit verband blijkt uit de uiteenzetting van het geding in de verwijzingsbeslissing een onjuist begrip van de regels inzake de bevoegdheidsverdeling tussen de instanties van de lidstaat van oorsprong en die van de lidstaat van tenuitvoerlegging.
Cursivering van mij.
Die conclusie geldt eveneens voor de twee in artikel 23, aanhef en onder a) en b), van verordening nr. 805/2004 genoemde maatregelen ter beperking van de tenuitvoerleggingsprocedure.
Zie naar analogie arrest van 14 januari 2010, Kyrian (C-233/08, EU:C:2010:11, punt 40).
Zie in die zin arrest van 9 maart 2017, Zulfikarpašić (C-484/15, EU:C:2017:199, punten 25 en 26).
Opmerkelijk is dat verordening nr. 805/2004 geen enkele bepaling bevat die voorziet in communicatie of liever informatie-uitwisseling tussen de bevoegde instanties van de lidstaat van oorsprong en die van de lidstaat van tenuitvoerlegging. Het feit dat de schuldenaar en de schuldeiser — ter verdediging van hun belangen — de bevoegde instantie van de lidstaat van tenuitvoerlegging kunnen informeren over de huidige stand van het positieve recht van de lidstaat van oorsprong, doet niet af aan deze conclusie.
Voorstel voor een verordening van de Raad tot invoering van een Europese executoriale titel voor niet-betwiste schuldvorderingen [COM(2002) 159 definitief] (PB 2002, C 203 E, blz. 86).
De Franse taalversie van het voorstel voor de verordening bevatte een artikel 22, lid 2, volgens hetwelk ‘[l]a décision ou sa certification en tant que titre exécutoire européen ne peut faire l'objet d'une révision au fond dans l'État membre d'exécution’ (‘In de lidstaat van tenuitvoerlegging wordt niet overgegaan tot de beoordeling van de juistheid van de beslissing of de waarmerking daarvan als Europese executoriale titel.’). Deze bepaling correspondeert met artikel 21, lid 2, van de Franse taalversie van deze verordening, waaraan de veelzeggende uitdrukking ‘en aucun cas’ (‘in geen geval’) is toegevoegd.
Ik merk op dat de Commissie in haar opmerkingen niettemin van mening is dat de toelichting bij het voorstel voor de verordening relevant blijft voor de uitlegging van artikel 23 van verordening nr. 805/2004, en dat de twee erin genoemde elementen bij de toepassing van die bepaling tegen elkaar moeten worden afgewogen, daarbij rekening houdend met de belangen van zowel de schuldenaar als de schuldeiser.
De bijlagen I tot en met III bij verordening nr. 805/2004 zien achtereenvolgens op de volgende als EET te waarmerken executoriale titels: ‘Beslissing’, ‘Gerechtelijke schikking’ en ‘Authentieke akte’.
Arrest van 14 december 2017, Chudaś (C-66/17, EU:C:2017:972, punt 28).
Verordening (EG) nr. 1896/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 tot invoering van een Europese betalingsbevelprocedure (PB 2006, L 399, blz. 1), zoals gewijzigd bij verordening (EU) nr. 936/2012 van de Commissie van 4 oktober 2012 (PB 2012, L 283, blz. 1) (hierna: ‘verordening nr. 1896/2006’).
Verordening (EG) nr. 861/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 11 juli 2007 tot vaststelling van een Europese procedure voor geringe vorderingen (PB 2007, L 199, blz. 1), zoals gewijzigd bij verordening (EU) nr. 517/2013 van de Raad van 13 mei 2013 (PB 2013, L 158, blz. 1) (hierna: ‘verordening nr. 861/2007’).
Kenmerkend voor het huidige rechtskader is dat het de vervolgende schuldeiser vrijlaat te kiezen tussen verordening nr. 1215/2012 en verordening nr. 805/2004, en wel op grond van artikel 27 van laatstgenoemde verordening, gelezen in het licht van overweging 20 ervan.
Naast het feit dat de opschorting van de tenuitvoerleggingsprocedure niet gebonden is aan de voorwaarde dat er zich buitengewone omstandigheden voordoen, volgt uit artikel 44 van verordening nr. 1215/2012 dat de rechter van de aangezochte lidstaat deze procedure alleen kan opschorten of beperken in het geval van een verzoek tot weigering van de tenuitvoerlegging van de oorspronkelijke beslissing. Voorts opent ook artikel 23 van verordening nr. 861/2007 de mogelijkheid tot het nemen van deze maatregelen, met name indien een partij een rechtsmiddel heeft ingesteld tegen een in het kader van de Europese procedure voor geringe vorderingen gegeven beslissing of ‘dit nog kan doen’. Ook al lijken deze bepalingen inzake de inachtneming van de vervaltermijnen zoals voorgeschreven in de procedures voor de behandeling van het verzoek tot weigering van tenuitvoerlegging en voor het instellen van rechtsmiddelen tegen de oorspronkelijke beslissing relevant te zijn, het gerechtelijk kader waarbinnen de rechter van de lidstaat van tenuitvoerlegging de tenuitvoerleggingsprocedure kan opschorten of beperken, dat hoe dan ook duidelijk is afgebakend in artikel 23 van verordening nr. 805/2004, kan mijns inziens niet worden uitgebreid onder het mom van een uitlegging van het begrip ‘buitengewone omstandigheden’.
Verordening van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 2001, L 12, blz. 1).
Ik merk op dat het artikel 23 in de verordeningen nr. 805/2004, nr. 1896/2006 en nr. 861/2007 telkens hetzelfde opschrift heeft, namelijk ‘Opschorting of beperking van de tenuitvoerlegging’.
Het aldus aan de bevoegde instantie van de lidstaat van tenuitvoerlegging gerichte verzoek om beoordeling houdt verband met een objectieve feitelijke situatie, wat strookt met de betekenis van het begrip ‘omstandigheden’ en derhalve het argument van verzoekster in het hoofdgeding ontkracht dat er sprake moet zijn van niet-verwijtbaar gedrag van de schuldenaar, wat na afloop van de in de lidstaat van oorsprong ingestelde procedures wel eens niet langer het geval zou kunnen zijn.
Beschikking van de vicepresident van het Hof van 3 juni 2022, Bulgarije/Parlement en Raad (C-545/20 R, EU:C:2022:445, punt 32).
Beschikking van de vicepresident van het Hof van 24 mei 2022, Puigdemont i Casamajó e.a./Parlement en Spanje [C-629/21 P(R), EU:C:2022:413, punt 75].
Zie in die zin beschikking van de vicepresident van het Hof van 3 juni 2022, Bulgarije/Parlement en Raad (C-545/20 R, EU:C:2022:445, punt 40 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Zie beschikking van de vicepresident van het Hof van 8 april 2014, Commissie/ANKO (C-78/14 P-R, EU:C:2014:239, punt 26).
Zie in die zin arrest van 17 juli 1997, Giloy (C-130/95, EU:C:1997:372, punt 38).
Namelijk de voorwaarde van spoedeisendheid vanwege het waarschijnlijke intreden van ernstige en onherstelbare schade en de voorwaarde inzake fumus boni juris.
Zie met name beschikking van de vicepresident van het Hof van 8 april 2014, Commissie/ANKO (C-78/14 P-R, EU:C:2014:239, punten 14 en 36).
Verzoekster in het hoofdgeding wijst op het risico dat misbruik wordt gemaakt van de in artikel 23 van verordening nr. 805/2004 vastgestelde procedure. Afgezien van het feit dat de voorgestelde uitlegging van genoemd artikel mijns inziens de werkingssfeer van de opschortingsmaatregel duidelijk afbakent, staat vast dat een dergelijk risico inherent is aan de instelling van een rechtsmiddel en dat het ongerechtvaardigde — want louter dilatoire — karakter van een rechtsvordering op grond van de wettelijke regelingen van de lidstaten doorgaans wordt bestraft door de toekenning van schadevergoeding aan de partij die er het slachtoffer van is.
Arrest van 26 maart 2020, Miasto Łowicz en Prokurator Generalny (C-558/18 en C-563/18, EU:C:2020:234, punten 43–45).
Zie in die zin arrest van 26 maart 2020, Miasto Łowicz en Prokurator Generalny (C-558/18 en C-563/18, EU:C:2020:234, punt 46), en beschikking van 8 juni 2021, Centraal Justitieel Incassobureau (C-699/20, niet gepubliceerd, EU:C:2021:465, punt 18).
Zie punt 6 van de verwijzingsbeslissing. Die situatie van onzekerheid wordt ook door de Commissie beklemtoond in punt 62 van haar opmerkingen.
Arrest van 16 juni 2016, Pebros Servizi (C-511/14, EU:C:2016:448, punt 28).
Hoe dan ook volgt duidelijk uit de verwijzingsbeslissing dat de vervolgende schuldeiser, door over te gaan tot de tenuitvoerlegging van een als EET gewaarmerkte beslissing, gekozen heeft voor verordening nr. 805/2004, wat betekent dat alleen die rechtshandeling toepassing kan vinden in het onderhavige geval.
Terwijl de verwijzing naar artikel 44, lid 2, van verordening nr. 1215/2012 relevant lijkt, aangezien daarin is bepaald dat de tenuitvoerleggingsprocedure moet worden opgeschort indien de uitvoerbaarheid van de beslissing in de lidstaat van oorsprong is opgeschort, geldt dit niet voor artikel 36, lid 1, van die verordening, dat ziet op de erkenning, zonder vorm van proces, van in een lidstaat gegeven beslissing in de overige lidstaten.
In het kader van de bij artikel 267 VWEU ingestelde procedure van samenwerking tussen de nationale rechterlijke instanties en het Hof is het de taak van het Hof om de nationale rechter een nuttig antwoord te geven aan de hand waarvan deze het bij hem aanhangige geding kan oplossen. Derhalve belet de omstandigheid dat de verwijzende rechter formeel alleen naar bepalingen van verordening nr. 1215/2012 heeft verwezen, het Hof niet om hem alle uitleggingsgegevens met betrekking tot het recht van de Unie te verschaffen die van nut kunnen zijn voor de beslechting van de voor hem aanhangige zaak, ongeacht of deze rechter er in zijn vragen melding van maakt. Het staat in dit verband aan het Hof om uit alle door de nationale rechter verschafte gegevens, en met name uit de motivering van de verwijzingsbeslissing, de elementen van dat recht te putten die, gelet op het voorwerp van het geschil, uitlegging behoeven [arrest van 18 december 2014, Abdida (C-562/13, EU:C:2014:2453, punt 37)].