Einde inhoudsopgave
Afscheiding van bestanddelen (O&R nr. 134) 2022/3.1.6.1
3.1.6.1 De bestemming
mr. J.C.T.F. Lokin, datum 01-03-2022
- Datum
01-03-2022
- Auteur
mr. J.C.T.F. Lokin
- JCDI
JCDI:ADS644976:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Goederenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Eggens, WPNR 1927/3023, p. 844.
HR 24 januari 1934, ECLI:NL:HR:1934:8 (Odeon-arrest) met noot E.M. Meijers.
Eggens, WPNR 1927/3023, p. 844; Van Nierop (1937), p. 37.
HR 25 maart 1981, ECLI:NL:PHR:1981:AC7186. Deze zaak ging over de vraag of de koper van de machines ook overdrachtsbelasting moest betalen over de machines. De koper had in januari 1977 de machines gekocht die in een fabriek stonden en pas later in dat jaar kocht hij het fabrieksgebouw. Alleen over het aankoopbedrag van het fabrieksgebouw had de koper overdrachtsbelasting betaald. De belastinginspecteur was echter van mening dat de machines onroerende zaken waren en dat ook over het geldbedrag van de machines overdrachtsbelasting moest worden betaald. De Hoge Raad oordeelde “dat toch, gelet op de eisen van zekerheid en duidelijkheid die in zakenrechtelijke verhoudingen moeten worden gesteld, niet enkel door een overeenkomst, zonder dat er daadwerkelijke verbreking van het verband tussen de machines en de fabriek heeft plaatsgevonden, aan die machines hun bestemming en daarmede hun onroerend karakter kan worden ontnomen.”
Dit was althans de conclusie van het hof. Sommige machines waren met bouten verbonden met de vloer van de fabriek, de zwaardere machines waren verzonken in de betonvloer. De Hoge Raad heeft het hof gevolgd, al lijkt het met tegenzin: “dat het middel de vraag aan de orde stelt of in een fabriek opgestelde machines waarvan -veronderstellenderwijze - wordt aangenomen dat zij onroerend zijn door bestemming op grond van het bepaalde in art. 563 BW, dat onroerend karakter verliezen door de enkele overeenkomst waarbij de eigenaar die machines ‘overdraagt’, terwijl hij de eigendom van de fabriek behoudt; dat deze vraag ontkennend moet worden beantwoord.”
Art. 562 Onroerende zaken zijn: (…) lid 5 OBW: “Buizen of gooten, die tot waterleiding in een huis of op een erf dienen; En, in het algemeen, alles wat aan een erf of aan een gebouw aard- of nagelvast is.”
Diephuis I (1885), p. 436 e.v.
Om een zaak door bestemming onroerend te maken moest de eigenaar de wil hebben om die bestemming tot stand te brengen en deze bestemming moest vervolgens gerealiseerd zijn.1 Dit laatste vereiste werd in 1934 aangescherpt door de Hoge Raad in het Odeon-arrest.2 Een pand genaamd Odeon werd als “feestgebouw” geëxploiteerd. Onder meer een buffet en een toonbank die door de eigenaar in het pand waren geplaatst, waren op zichzelf nog niet onroerend door bestemming. Daarvoor was volgens de Hoge Raad vereist dat het gebouw en de daarin aanwezige zaken onderling zo aan elkaar moesten zijn aangepast, dat zij “het kenmerk vertoonen tot een blijvend gebruik” verbonden te zijn. Meijers vatte in zijn noot deze overweging als volgt samen:
“Hoofdzaak en hulpzaak moeten voor elkaar pasklaar gemaakt zijn; vorm of constructie van beide zaken moet iets bijzonders hebben waaruit hun bij elkaar hooren blijkt. Nog anders gezegd: de waarde van de hoofdzaak met hulpzaak tezamen moet noodzakelijk grooter zijn dan de waarde van de hoofdzaak + de waarde van de hulpzaak, ieder afzonderlijk.”
Uit de overweging van Meijers is een economisch motief te ontwaren dat lijkt op het waarde-criterium uit het Duitse recht. Twee zaken die elkaar (economisch) versterken, verkrijgen dezelfde “kleur” waardoor een roerende zaak wordt getransformeerd tot een onroerende zaak (door bestemming). Naast het “uiterlijke kenmerk tot een blijvend gebruik”, was de wil van de eigenaar vereist om een zaak door bestemming onroerend te maken. Eggens legde een parallel met het leerstuk van bezit. Zoals bij bezit een “corpus” en een “animus” werden vereist, zo werden zaken door een “wil” en een “daad” onroerend door bestemming.3 Omgekeerd werd een door bestemming onroerende zaak weer roerend als de eigenaar de verbondenheid daadwerkelijk verbrak. De wil alleen was dus niet voldoende. De Hoge Raad oordeelde dat houtbewerkingsmachines die in een houtbewerkingsfabriek stonden en door bestemming onroerend waren, dit óók bleven nadat de eigenaar de machines had verkocht en deze via levering constituto possessorio (levering c.p.) aan de koper had geleverd.4 De machines stonden nog steeds in de fabriek en waren niet verplaatst. De enkele wilsovereenstemming tussen de koper en de verkoper en de levering c.p. waren niet voldoende om de bestemming van de machines te veranderen.5
In het vijfde lid van art. 562 OBW waren voorbeelden opgenomen van oorspronkelijk roerende zaken die onroerend werden. Buizen en goten, zo leerde het artikel, die tot een waterleiding in een huis of op een erf dienden, waren onroerende zaken.6 Door de verbinding met een huis of een erf verkregen de zaken het onroerende karakter.7 Daarnaast werden alle zaken onroerend die met een erf of een gebouw aard- of nagelvast waren verbonden.