RBP 2024/1
Verzettermijn. Is de op Unierecht gebaseerde wettelijke verzettermijn van art. 143 lid 2 en 3 Rv niet van toepassing indien uit het verstekvonnis niet blijkt van (ambtshalve) toetsing op oneerlijkheid van bedingen in een consumentenovereenkomst die aan de vordering ten grondslag zijn gelegd?
HR 24-11-2023, ECLI:NL:HR:2023:1627
- Instantie
Hoge Raad (Civiele kamer)
- Datum
24 november 2023
- Magistraten
Mrs. M.J. Kroeze, T.H. Tanja-van den Broek, C.H. Sieburgh, H.M. Wattendorff, F.J.P. Lock
- Zaaknummer
23/01007
- Conclusie
plv. P-G mr. M.H. Wissink
- JCDI
JCDI:ADS941880:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht / Algemeen
EU-recht / Rechtsbescherming
Huurrecht / Algemeen
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:2023:1627, Uitspraak, Hoge Raad (Civiele kamer), 24‑11‑2023
ECLI:NL:PHR:2023:817, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 19‑09‑2023
- Wetingang
Essentie
Verzettermijn. Prejudiciële vragen.
Samenvatting
Verhuurder Rochdale heeft in verband met huurachterstand ontbinding van de huurovereenkomst, ontruiming en veroordeling tot betaling van de huurachterstand gevorderd. Bij verstekvonnis van 3 maart 2014 zijn de vorderingen toegewezen en het verstekvonnis is op 12 maart 2014 aan de huurder betekend. De huurder heeft bij dagvaarding van ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.