Einde inhoudsopgave
De kosten van de enquêteprocedure (VDHI nr. 177) 2022/6.7.2.2
6.7.2.2 Uitoefening van enquêtebevoegdheid namens een aandeelhouder of certificaathouder
mr. P.H.M. Broere , datum 12-05-2022
- Datum
12-05-2022
- Auteur
mr. P.H.M. Broere
- JCDI
JCDI:ADS652273:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Hieronder begrijp ik ook de economisch gerechtigde, waarover bijv. Spruitenburg 2018, p. 86 e.v.; Duynstee 2022, p. 129 e.v., beiden met verwijzingen.
HR 19 mei 1999 (r.o. 4.2.1), NJ 1999/670, m.nt. J.M.M. Maeijer (onder NJ 1999/671); JOR 1999/171, m.nt. S.C.J.J. Kortmann (De Haan); HR 19 mei 1999 (r.o. 4.2), NJ 1999/671, m.nt. J.M.M. Maeijer; JOR 1999/170, m.nt. S.C.J.J. Kortmann (onder JOR 1999/171) (De Haan); HR 29 april 2005 (r.o. 5.2), NJ 2005/433; JOR 2005/146, m.nt. J.J.M. van Mierlo (Polisol). Zie in deze zin ook OK 19 september 2019 (r.o. 3.1), JOR 2020/84, m.nt. K. Rutten (Sypesteyn).
HR 19 december 2008 (r.o. 3.3.3), NJ 2009/220, m.nt. P. van Schilfgaarde; JOR 2009/172 (Pannevis q.q./Air Holland).
HR 29 april 2005 (r.o. 5.3), NJ 2005/433; JOR 2005/146, m.nt. J.J.M. van Mierlo (Polisol). Er bestaan niettemin ‘omzeilingsmogelijkheden’, waarover Spruitenburg 2018, p. 59-61; Josephus Jitta 2019, p. 129; Reumers 2020, p. 243-244; Spruitenburg 2022a, p. 282-284.
HR 11 januari 2002 (r.o. 5.3), JOR 2002/76 (Kuperus/De Vries Trappen); HR 7 september 2007 (r.o. 3.2), NJ 2007/577 (L/Staat), waarover ook Van Hees (onder 8) in zijn annotatie bij OK 21 juni 2011, JOR 2011/289 (Bouwvak). Vgl. ook Van der Korst 2008, p. 142.
OK 21 juni 2011 (r.o. 2.2), JOR 2011/289, m.nt. J.J. van Hees (Bouwvak). Zie ook OK 25 september 2020 (r.o. 3.5), JOR 2021/36, m.nt. Ph.W. Schreurs (Exodus). Anders nog Dulack 2013, p. 58. Uit HR 12 april 2013 (r.o. 3.2), NJ 2013/222; JOR 2014/111, m.nt. M.L.C. Snoeks (J/K) volgt ook dat dat onder het begrip rechtsvordering in art. 25-30 Fw een in een verzoekschrift opgenomen aanspraak kan worden begrepen.
De curator van een failliete natuurlijke persoon of rechtspersoon kan een enquête verzoeken naar de rechtspersoon waarin de gefailleerde (certificaten van) aandelen houdt, mits die gefailleerde enquêtegerechtigd is op grond van art. 2:346 lid 1 sub b of sub c BW.1 De curator ontleent deze bevoegdheid aan art. 25 lid 1 Fw jo. art. 68 Fw, zo volgt uit De Haan en Polisol.2 In Pannevis q.q./Air Holland overwoog de Hoge Raad dat de curator hiertoe bevoegd is ‘indien en voorzover zulks past bij een goed beheer van de boedel en daarmee vermogensrechtelijke belangen van de boedel worden gediend’.3
De bedoelde beheersbevoegdheid van de curator is exclusief; (het bestuur van) de gefailleerde is na faillissement niet langer bevoegd een enquête te verzoeken naar de rechtspersoon waarin de gefailleerde (certificaten van) aandelen houdt.4 Wordt het enquêteverzoek toegewezen, dan is de geënquêteerde rechtspersoon verplicht tot financiering van de kosten van de enquêteprocedure (par. 6.2).
Heeft de aandeelhouder of certificaathouder reeds een enquête verzocht voordat hij failleerde, dan kan hij jegens wie het enquêteverzoek zich richt de Ondernemingskamer op grond van art. 27 lid 1 Fw verzoeken de enquêteprocedure te schorsen, opdat de curator kan worden opgeroepen in het geding. Art. 27 lid 1 Fw bepaalt:
‘Indien de rechtsvordering tijdens de faillietverklaring aanhangig en door de schuldenaar ingesteld is, wordt het geding ten verzoeke van de verweerder geschorst, ten einde deze gelegenheid te geven, binnen een door de rechter bepalen termijn, de curator tot overneming van het geding op te roepen.’
Na oproeping moet de curator aangeven of hij het geding wenst over te nemen. Neemt de curator het geding niet over, dan kan diegene jegens wie het enquêteverzoek zich richt de Ondernemingskamer verzoeken ontslag van instantie te verlenen op grond van art. 27 lid 2 Fw. Verplicht is de Ondernemingskamer daartoe niet, bijvoorbeeld indien de toewijzing in strijd zou komen met een goede procesorde of een afweging van de belangen van diegene jegens wie de enquête zich richt en de failliete aandeelhouder of certificaathouder hieraan in de weg staat.5 In Bouwvak heeft de Ondernemingskamer bevestigd dat art. 27 Fw van toepassing is in de enquêteprocedure; ook belanghebbenden bij de enquêteprocedure kunnen kennelijk een verzoek uit hoofde van art. 27 Fw tot de Ondernemingskamer richten.6
Neemt de curator het geding over op een moment dat de Ondernemingskamer reeds een enquête heeft gelast, kan de geënquêteerde rechtspersoon de kosten van de enquêteprocedure niet financieren en heeft de enquêteverzoeker op dat moment reeds financiering toegezegd maar nog geen zekerheid gesteld, dan is de curator mijns inziens gehouden aan die toezegging (par. 6.4.5). De onderzoeker of OK-functionaris kan zijn concurrente vordering dan indienen ter verificatie overeenkomstig art. 110 Fw. Heeft de enquêteverzoeker de kosten van de enquêteprocedure reeds vrijwillig gefinancierd, dan is denkbaar dat de curator zich op het standpunt stelt dat de onttrekking van een deel van het vermogen aan de gefailleerde paulianeus is.