Procestaal: Tsjechisch.
HvJ EU, 07-07-2016, nr. C-447/15
ECLI:EU:C:2016:533
- Instantie
Hof van Justitie van de Europese Unie
- Datum
07-07-2016
- Magistraten
D. Šváby, M. Safjan, M. Vilaras
- Zaaknummer
C-447/15
- Roepnaam
Muladi
- Vakgebied(en)
EU-recht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:EU:C:2016:533, Uitspraak, Hof van Justitie van de Europese Unie, 07‑07‑2016
Uitspraak 07‑07‑2016
D. Šváby, M. Safjan, M. Vilaras
Partij(en)
In zaak C-447/15,*
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Krajský soud v Ostravě (regionale rechter Ostrava, Tsjechië) bij beslissing van 16 juli 2015, ingekomen bij het Hof op 18 augustus 2015, in de procedure
Ivo Muladi
tegen
Krajský úřad Moravskoslezského kraje,
wijst
HET HOF (Achtste kamer),
samengesteld als volgt: D. Šváby (rapporteur), kamerpresident, M. Safjan en M. Vilaras, rechters,
advocaat-generaal: Y. Bot,
griffier: A. Calot Escobar,
gezien de stukken,
gelet op de opmerkingen van:
- —
de Tsjechische regering, vertegenwoordigd door M. Smolek en J. Vláčil als gemachtigden,
- —
de Europese Commissie, vertegenwoordigd door J. Hottiaux en Z. Malůšková als gemachtigden,
gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,
het navolgende
Arrest
1
Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 4 van richtlijn 2003/59/EG van het Europees Parlement en de Raad van 15 juli 2003 betreffende de vakbekwaamheid en de opleiding en nascholing van bestuurders van bepaalde voor goederen- en personenvervoer over de weg bestemde voertuigen, tot wijziging van verordening (EEG) nr. 3820/85 van de Raad en richtlijn 91/439/EEG van de Raad en tot intrekking van richtlijn 76/914/EEG van de Raad (PB 2003, L 226, blz. 4).
2
Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen I. Muladi en de Krajský úřad Moravskoslezského kraje (regionale autoriteit van de regio Moravië-Silezië, Tsjechië; hierna: ‘regionale autoriteit’) over de afgifte van een getuigschrift van vakbekwaamheid als bestuurder.
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
Richtlijn 76/914/EEG
3
Artikel 1, leden 1 en 3, van richtlijn 76/914/EEG van de Raad van 16 december 1976 betreffende het minimumniveau van de opleiding van bestuurders in het wegvervoer (PB 1976, L 357, blz. 36), bepaalt:
- ‘1.
Het minimumniveau van de opleiding tot bestuurder in het goederenvervoer over de weg, bedoeld in artikel 5, lid 1, onder b), tweede streepje, van verordening (EEG) nr. 543/69, of tot bestuurder in het personenvervoer over de weg, bedoeld in lid 2, onder c), van genoemd artikel, wordt geacht te zijn bereikt door eenieder die in het bezit is van het vereiste nationale rijbewijs en die een beroepsopleiding heeft ontvangen die ten minste de in de bijlage bij deze richtlijn genoemde onderwerpen omvat.
[…]
- 3.
De lidstaten kunnen van bestuurders die op hun grondgebied nationaal vervoer verrichten, evenals van bestuurders in het internationale vervoer met voertuigen die bij hen zijn geregistreerd, eisen dat zij een opleiding volgen die meer omvat dan in de bijlage is bepaald. Dat kan een opleiding zijn die reeds in een lidstaat bestaat of die een lidstaat besluit in de toekomst in te voeren.’
4
Richtlijn 76/914 is met ingang van 10 september 2009 ingetrokken bij artikel 15, lid 2, van richtlijn 2003/59.
Richtlijn 2003/59
5
De overwegingen 2, 4, 5, 7, 10, 11 en 14 van richtlijn 2003/59 luiden:
- ‘(2)
Aangezien verordening (EEG) nr. 3820/85 maar voor een zeer beperkt deel van de bestuurders geldt en er momenteel slechts in een paar lidstaten een verplichte bestuurdersopleiding bestaat, oefenen de meeste bestuurders die op dit ogenblik op het grondgebied van de Gemeenschap voertuigen besturen hun beroep uitsluitend op basis van een rijbewijs uit.
[…]
- (4)
De vaststelling van nieuwe gemeenschappelijke regels heeft ten doel de kwaliteit van de bestuurder te garanderen door middel van een opleiding zowel voor de toegang als voor de uitoefening van het beroep.
- (5)
Meer bepaald heeft de verplichting om een basiskwalificatie te verkrijgen en nascholing te volgen ten doel de verkeersveiligheid en de veiligheid van de bestuurder te verbeteren, ook tijdens de handelingen die de bestuurder verricht terwijl het voertuig stilstaat. Bovendien zou het moderne imago van het beroep van bestuurder bij de jongeren belangstelling voor dat beroep moeten wekken, hetgeen, in tijden van personeelstekort, tot de aanwerving van nieuwe bestuurders zou moeten bijdragen.
[…]
- (7)
Om te kunnen bewijzen dat een bestuurder aan de eisen voldoet, dienen de lidstaten aan de bestuurder een getuigschrift van vakbekwaamheid, hierna getuigschrift genoemd, uit te reiken ten bewijze van het feit dat hij een basisopleiding of een nascholing heeft gevolgd.
[…]
- (10)
De minimumeisen voor de basisopleiding en de nascholing betreffen de naleving van de veiligheidsvoorschriften tijdens het rijden en stilstaan. De ontwikkeling van defensief rijgedrag — op gevaren anticiperen, rekening houden met andere weggebruikers — in combinatie met rationeel brandstofverbruik zal zowel voor de samenleving als voor de vervoersector zelf positieve effecten hebben.
- (11)
Deze richtlijn doet geen afbreuk aan de verworven rechten van bestuurders die het voor het besturen van bepaalde voertuigen vereiste rijbewijs hebben gehaald vóór de datum vanaf welke een getuigschrift van de desbetreffende basiskwalificatie of nascholing vereist is.
[…]
- (14)
De lidstaten dienen het volgen van een eerste nascholing verplicht te stellen en aan de bestuurders het overeenkomstige getuigschrift uit te reiken binnen vijf jaar na de afgifte van het getuigschrift van de basiskwalificatie of na de uiterste datum waarop sommige bestuurders hun verworven rechten kunnen doen gelden. Deze termijnen kunnen ingekort of verlengd worden. Na de eerste nascholing dient de bestuurder per vijf jaar een nascholing te volgen.’
6
Artikel 1 van richtlijn 2003/59, met als opschrift ‘Toepassingsgebied’, luidt:
‘Deze richtlijn is van toepassing op het besturen van voertuigen door:
- a)
onderdanen van een lidstaat,
- b)
onderdanen van een derde land die in dienst zijn van of werken voor een in een lidstaat gevestigde onderneming,
hierna ‘bestuurders’ genoemd, die binnen de Gemeenschap over de openbare weg vervoer verrichten, met:
- —
voertuigen waarvoor een rijbewijs van een van de categorieën C1, C1+E, C, C+E, zoals omschreven bij richtlijn 91/439/EEG, of een als gelijkwaardig erkend rijbewijs vereist is;
- —
voertuigen waarvoor een rijbewijs van een van de categorieën D1, D1+E, D, D+E, zoals omschreven bij richtlijn 91/439/EEG, of een als gelijkwaardig erkend rijbewijs vereist is.’
7
Artikel 3, lid 1, van richtlijn 2003/59 bepaalt dat ‘[v]oor het besturen van een voertuig, als omschreven in artikel 1, […] zowel een basiskwalificatie [moet] worden verkregen, als nascholing [moet] worden gevolgd’.
8
Artikel 4 van die richtlijn, met als opschrift ‘Verworven rechten’, luidt:
‘Vrijgesteld van de verplichting tot het behalen van de basiskwalificatie zijn bestuurders die:
- a)
houder zijn van een rijbewijs van één van de categorieën D1, D1+E, D, D+E of van een als gelijkwaardig erkend rijbewijs, mits dat uiterlijk twee jaar na de uiterste datum van omzetting van deze richtlijn is afgegeven;
- b)
houder zijn van een rijbewijs van één van de categorieën C1, C1+E, C, C+E of van een als gelijkwaardig erkend rijbewijs, mits dat uiterlijk drie jaar na de uiterste datum van omzetting van deze richtlijn is afgegeven.’
9
De artikelen 5 en 6 van dezelfde richtlijn zien op de regels inzake de basiskwalificatie van bestuurders en het getuigschrift daarvan.
10
De artikelen 7 en 8 van richtlijn 2003/59 zien op de regels inzake de nascholing van bestuurders en het getuigschrift daarvan.
11
Artikel 8 van die richtlijn, met als opschrift ‘Getuigschrift van nascholing’, bepaalt in de leden 1 tot en met 4:
- ‘1.
Aan het einde van de in artikel 7 bedoelde nascholing reiken de bevoegde autoriteiten van de lidstaat of het goedgekeurd opleidingscentrum aan de bestuurder een getuigschrift van nascholing uit.
- 2.
Een eerste nascholing dient te worden gevolgd:
- a)
door houders van het in artikel 6 bedoelde getuigschrift, binnen vijf jaar na de afgifte van het getuigschrift;
- b)
door bestuurders als bedoeld in artikel 4, binnen vijf jaar na de respectievelijk, in artikel 14, lid 2, vermelde uiterste data, overeenkomstig een door de lidstaten vastgesteld tijdschema.
De lidstaten kunnen de onder a) en b) bedoelde termijn verkorten of verlengen, met name om hem te doen samenvallen met de vervaldatum van het rijbewijs of om ervoor te zorgen dat de invoering van de nascholing geleidelijk kan geschieden. Deze termijn mag echter niet korter zijn dan drie jaar en niet langer dan zeven jaar.
- 3.
Bestuurders die reeds een eerste nascholing als bedoeld in lid 2 hebben gevolgd, moeten om de vijf jaar, en vóór de vervaldatum van het getuigschrift van nascholing, een nascholing volgen.
- 4.
Houders van het in artikel 6 bedoelde, of het in lid 1 van onderhavig artikel bedoelde getuigschrift en de in artikel 4 bedoelde bestuurders die hun beroep niet langer uitoefenen en niet voldoen aan de in de leden 1, 2 en 3 gestelde eisen, moeten een nascholing volgen voordat zij hun beroep weer opnemen.’
12
Artikel 14 van diezelfde richtlijn bepaalt:
- ‘1.
De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om vóór 10 september 2006 aan deze richtlijn te voldoen. Zij stellen de Commissie daarvan onverwijld in kennis.
[…]
- 2.
De lidstaten passen deze bepalingen toe:
- —
wat betreft de basiskwalificatie voor het besturen van voertuigen van de categorieën D1, D1+E, D, D+E, met ingang van 10 september 2008,
- —
wat betreft de basiskwalificatie voor het besturen van voertuigen van de categorieën C1, C1+E, C, C+E, met ingang van 10 september 2009.
[…]’
13
Bijlage I bij richtlijn 2003/59, met als opschrift ‘Minimumeisen voor de beroepskwalificatie en -opleiding’, bepaalt in de eerste alinea van deel 1, ‘Lijst van onderwerpen’, dat ‘[b]ij de beoordeling door de lidstaten van de basiskwalificatie die de bestuurders bezitten en de nascholing die zij hebben genoten, […] de kennis ten minste de in deze lijst genoemde onderwerpen [moet] omvatten. De aspirant-bestuurders moeten het niveau van kennis en praktische vaardigheid bereiken dat vereist is om voertuigen van de betreffende rijbewijscategorieën veilig te kunnen besturen’.
14
Deel 4 van die bijlage, met als opschrift ‘Verplichte nascholing, als bedoeld in artikel 3, lid 1, onder b)’, bepaalt dat de nascholingscursussen een duur hebben van 35 uur per vijf jaar gegeven in eenheden van ten minste zeven uur.
Tsjechisch recht
15
Zákon č. 247/2000 Sb., o získávání a zdokonalování odborné způsobilosti k řízení motorových vozidel a změně některých zákonů (wet nr. 247/2000 inzake de verwerving en verbetering van de vakbekwaamheid om motorvoertuigen te besturen en tot wijziging van bepaalde wetten) van 30 juni 2000 (hierna: ‘ZZOZ’), die op 1 januari 2001 in werking is getreden, verplicht bestuurders om gedurende 16 uur per jaar hun professionele rijvaardigheid te verbeteren en een daaropvolgend examen af te leggen.
16
Artikel 52c, leden 1 en 2, van die wet voorziet in een gewone procedure voor de afgifte van het getuigschrift van vakbekwaamheid als bestuurder, die afhankelijk is gesteld van het bewijs dat de bestuurder in de periode van zes maanden vóór de indiening van de aanvraag is geslaagd voor het examen vakbekwaamheid als bestuurder.
17
Ter omzetting van richtlijn 2003/59 is de ZZOZ gewijzigd bij wet nr. 374/2007.
18
Artikel II van wet nr. 374/2007 bepaalt:
- ‘1.
Bestuurders die op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet een geldig getuigschrift van vakbekwaamheid als bestuurder bezitten, zijn verplicht om binnen zes maanden na de inwerkingtreding, maar in geen geval later dan het tijdstip waarop het huidige getuigschrift vervalt, een schriftelijke aanvraag in te dienen bij de gemeentelijke instantie met uitgebreide bevoegdheid voor de afgifte van een getuigschrift van vakbekwaamheid als bestuurder. De gemeentelijke instantie met uitgebreide bevoegdheid geeft op basis van die aanvraag aan de bestuurder een getuigschrift van vakbekwaamheid als bestuurder af in overeenstemming met [de ZZOZ], zoals van kracht op het tijdstip waarop de onderhavige wet in werking treedt.
- 2.
De geldigheid van getuigschriften van vakbekwaamheid als bestuurder die tot nu toe zijn afgegeven, vervalt twaalf maanden na het tijdstip waarop de onderhavige wet in werking treedt, doch in geen geval later dan het tijdstip waarop de geldigheid van de getuigschriften vervalt.
- 3.
Aan bestuurders die in overeenstemming met de voorgaande wetgeving vóór de inwerkingtreding van de onderhavige wet het examen hebben afgelegd en aan wie op het tijdstip van deze inwerkingtreding de gemeentelijke instantie met uitgebreide bevoegdheid geen getuigschrift van vakbekwaamheid als bestuurder heeft afgegeven, geeft de gemeentelijke instantie met uitgebreide bevoegdheid een getuigschrift van vakbekwaamheid als bestuurder af in overeenstemming met [de ZZOZ], zoals van kracht vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de onderhavige wet.
- 4.
Aan bestuurders die vóór 10 september 2009 rijbevoegd worden voor subcategorie C1, geeft de gemeentelijke instantie met uitgebreide bevoegdheid op schriftelijke aanvraag een getuigschrift van vakbekwaamheid als bestuurder af in overeenstemming met [de ZZOZ], zoals van kracht vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de onderhavige wet.
- 5.
Aan bestuurders die in de periode vanaf de inwerkingtreding van de onderhavige wet tot 10 september 2008 rijbevoegd worden voor de categorieën en subcategorieën D1, D1+E, D of D+E, en tot 10 september 2009 voor de categorieën en subcategorieën C1+E, C of C+E, geeft de gemeentelijke instantie met uitgebreide bevoegdheid op schriftelijke aanvraag een getuigschrift van vakbekwaamheid als bestuurder af in overeenstemming met [de ZZOZ], zoals van kracht vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de wet. Deze bepaling is tevens van toepassing op bestuurders die tot zes maanden vóór de inwerkingtreding van de onderhavige wet rijbevoegd worden voor de categorieën en subcategorieën waarnaar in de eerste volzin wordt verwezen en die op het tijdstip van inwerkingtreding van de onderhavige wet geen geldig getuigschrift van vakbekwaamheid als bestuurder bezitten.
[…]
- 7.
Bestuurders aan wie in overeenstemming met de leden 1, 3, 4 en 5 een getuigschrift van vakbekwaamheid als bestuurder wordt afgegeven, dienen regelmatig een opleiding te volgen in overeenstemming met [de ZZOZ], zoals van kracht vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de onderhavige wet. De verplichting om in overeenstemming met deze wet toelatingslessen te volgen, is niet op hen van toepassing.’
19
Artikel 48, leden 4 en 5, ZZOZ, zoals gewijzigd op 1 augustus 2011 bij wet nr. 133/2011 tot volledige omzetting van richtlijn 2003/59, bepaalt:
- ‘4.
Een bestuurder die is opgehouden zijn beroep uit te oefenen, maar later zijn beroep opnieuw begint uit te oefenen en niet zoals voorgeschreven in artikel 48 regelmatig een opleiding heeft gevolgd, is verplicht om, indien hij voornemens is weer een voertuig te besturen waarvan de bestuurder is onderworpen aan de verplichting om zijn professionele rijvaardigheid te verbeteren, regelmatig een opleiding van in totaal vijfendertig uur te volgen […]
- 5.
De bepalingen van lid 4 zijn bij analogie ook van toepassing op bestuurders die tot nu toe geen getuigschrift van vakbekwaamheid als bestuurder of een in overeenstemming met EU-wetgeving door een andere lidstaat van de […] Unie afgegeven bewijs van vakbekwaamheid bezaten, zelfs al hadden zij hun rijbevoegdheid voor de categorie of subcategorie C1, C1+E, C en C+E vóór 10 september 2009, en in het geval van rijbevoegdheid voor de categorie of subcategorie D1, D1+E, D of D+E vóór 10 september 2008, verkregen.’
Hoofdgeding en prejudiciële vraag
20
Muladi bezit sinds 1984 een rijbewijs van de categorie C en sinds 1989 een rijbewijs van de categorie D.
21
Tot 30 maart 2008 was Muladi een erkend examinator die het recht had om in overeenstemming met de ZZOZ opleidingen te geven en examens af te nemen.
22
Op 14 maart 2010 heeft Muladi bij de Magistrát (stadsbestuur) van de stad Ostrava (Tsjechië) een getuigschrift van vakbekwaamheid als bestuurder aangevraagd. Hij voerde aan dat hij op 9 en 28 maart 2008 zichzelf overeenkomstig de toepasselijke regeling had geëxamineerd voor de rijbewijscategorieën A, C en D en bovendien een door zichzelf verstrekte opleiding van zestien uur had gevolgd.
23
Op 3 juni 2010 is zijn aanvraag afgewezen op grond dat hij niet had aangetoond dat hij in de periode van zes maanden vóór de indiening van die aanvraag was geslaagd voor het examen als voorzien in de aan wet nr. 374/2007 voorafgaande regeling.
24
Muladi heeft tegen die beslissing bezwaar gemaakt, dat op 13 augustus 2010 is afgewezen door de regionale autoriteit.
25
Bij beslissing van 23 februari 2012 heeft de Krajský soud v Ostravě de beslissing van de regionale autoriteit van 13 augustus 2010 nietig verklaard. Vervolgens heeft de regionale autoriteit de beslissing van het stadsbestuur van Ostrava van 3 juni 2010 nietig verklaard en dat stadsbestuur verzocht een nieuwe beslissing te nemen en na te gaan of was voldaan aan de voorwaarden voor de andere mogelijkheden voor de afgifte van een getuigschrift van vakbekwaamheid als bestuurder.
26
Op 27 september 2012 heeft het stadsbestuur van Ostrava de aanvraag van Muladi opnieuw afgewezen.
27
Die beslissing is bevestigd bij beslissing van de regionale autoriteit van 15 januari 2013, waartegen het bij de verwijzende rechter ingestelde beroep is gericht.
28
De verwijzende rechter is van oordeel dat het door Muladi aangevraagde getuigschrift niet kan worden afgegeven op basis van een van de drie in het nationale recht voorziene rechtsgrondslagen, te weten artikel II, lid 3, van wet nr. 374/2007, artikel 52c ZZOZ en artikel 48, leden 4 en 5, ZZOZ, zoals gewijzigd bij wet nr. 133/2011.
29
Die rechter is immers van oordeel dat de eerste rechtsgrondslag niet van toepassing is, aangezien zelfs opleiders als Muladi een examen moesten afleggen en dus niet zichzelf konden examineren. Aangaande de tweede rechtsgrondslag is hij van oordeel dat Muladi niet heeft aangetoond dat hij in de periode van zes maanden vóór zijn aanvraag was geslaagd voor het vakbekwaamheidsexamen. Aangaande ten slotte de derde rechtsgrondslag stelt hij vast dat Muladi niet heeft aangetoond dat hij een opleiding van 35 uur heeft gevolgd.
30
De verwijzende rechter betwijfelt echter of deze laatste rechtsgrondslag in overeenstemming is met het Unierecht. In dit verband is hij van oordeel dat richtlijn 2003/59 en artikel 91 VWEU de lidstaten weliswaar niet machtigen om een strengere regeling vast te stellen, maar dat die mogelijkheid volgt uit de met die richtlijn nagestreefde doelstelling minimumeisen voor de basisopleiding en de nascholing van bestuurders vast te stellen. Hij wijst er in dit verband op dat reeds vóór de omzetting van richtlijn 2003/59 in Tsjechië een rijbewijs op zich niet volstond om de onder die richtlijn vallende voertuigen te besturen en dat bestuurders verplicht waren om hun vakbekwaamheid op de in punt 15 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte wijze te verbeteren. Niettemin merkt hij op dat een dergelijke regeling afbreuk kan doen aan de legitieme verwachtingen van bestuurders en hun in artikel 15 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: ‘Handvest’) neergelegde vrijheid van beroep alsook een mogelijke belemmering voor het vrije verkeer van personen en diensten in de Europese Unie kan vormen.
31
Gelet op het voorgaande heeft de Krajský soud v Ostravě de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vraag gesteld:
‘Staan de bepalingen van artikel 4 van richtlijn 2003/59 in de weg aan een nationale wettelijke regeling die nadere voorwaarden stelt aan de vrijstelling van de verplichting voor bestuurders van bepaalde voor goederen- en personenvervoer over de weg bestemde voertuigen om een basiskwalificatie te behalen?’
Beantwoording van de prejudiciële vraag
Ontvankelijkheid
32
De Tsjechische regering betoogt dat de prejudiciële vraag van de Krajský soud v Ostravě niet-ontvankelijk is op grond dat de verwijzende rechter niet preciseert welke concrete bepalingen van Tsjechisch recht in strijd zijn met richtlijn 2003/59 en hij slechts een onvolledige beschrijving van de feiten geeft, zonder het rechtskader waarbinnen hij een uitspraak moet doen of de in dit verband essentiële feitelijke omstandigheden concreter te beschrijven, en de prejudiciële vraag kennelijk geen verband houdt met de beslechting van het hoofdgeding, aangezien zij betrekking heeft op de verplichting tot het behalen van de basiskwalificatie in de zin van de artikelen 5 en 6 van richtlijn 2003/59, terwijl het hoofdgeding betrekking heeft op de verplichting tot het volgen van een nascholing in de zin van de artikelen 7 en 8 van die richtlijn.
33
In dit verband zij eraan herinnerd dat het in het kader van de in artikel 267 VWEU geregelde samenwerking tussen het Hof en de nationale rechterlijke instanties uitsluitend een zaak is van de nationale rechter aan wie het geschil is voorgelegd en die de verantwoordelijkheid draagt voor de te geven rechterlijke beslissing, om, gelet op de bijzonderheden van de zaak, zowel de noodzaak van een prejudiciële beslissing voor het wijzen van zijn vonnis als de relevantie van de vragen die hij aan het Hof stelt, te beoordelen. Wanneer de gestelde vragen dus betrekking hebben op de uitlegging van het Unierecht, is het Hof in beginsel verplicht daarop te antwoorden. Het Hof kan slechts weigeren uitspraak te doen op een prejudiciële vraag van een nationale rechter, wanneer duidelijk blijkt dat de gevraagde uitlegging van het Unierecht geen verband houdt met een reëel geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding, wanneer het vraagstuk van hypothetische aard is of wanneer het Hof niet beschikt over de gegevens, feitelijk en rechtens, die noodzakelijk zijn om een nuttig antwoord te geven op de gestelde vragen (arrest van 17 maart 2016, Aspiro, C-40/15, EU:C:2016:172, punt 17 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
34
In casu blijkt uit het verzoek om een prejudiciële beslissing duidelijk het verband tussen de gevraagde uitlegging van artikel 4 van richtlijn 2003/59 en de beslechting van het bij de verwijzende rechter aanhangige geding. Die rechter wijst er immers op dat hij zich afvraagt of de Tsjechische wetgever bij de vaststelling van wet nr. 374/2007 tot omzetting van richtlijn 2003/59 kon voorzien in aanvullende voorwaarden voor het behoud van de verworven rechten van bestuurders, waarop dat artikel ziet en verzoeker in het hoofdgeding aanspraak maakt.
35
Zoals blijkt uit de punten 15 tot en met 23 van het onderhavige arrest, wordt voorts in de verwijzingsbeslissing een voldoende gedetailleerde beschrijving gegeven van zowel het feitelijke kader als het rechtskader van het hoofdgeding.
36
Bijgevolg is de prejudiciële vraag ontvankelijk.
Ten gronde
37
Met zijn vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 4 van richtlijn 2003/59 aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling als die in het hoofdgeding, op grond waarvan aan de personen die in aanmerking komen voor de in dat artikel bedoelde vrijstelling van de verplichting tot het behalen van de basiskwalificatie van bestuurder van bepaalde voor goederen- en personenvervoer over de weg bestemde voertuigen, een vereiste van voorafgaande nascholing van 35 uur wordt opgelegd voor het besturen van de betrokken voertuigen.
38
In dit verband zij erop gewezen dat volgens artikel 8, lid 2, eerste alinea, onder b), van richtlijn 2003/59, gelezen in het licht van overweging 14 van die richtlijn, bestuurders die in aanmerking komen voor de in artikel 4 van die richtlijn bedoelde vrijstelling van de verplichting tot het behalen van de basiskwalificatie, voertuigen mogen besturen gedurende een periode die loopt tot zij een eerste nascholing hebben gevolgd. Die periode wordt volgens artikel 8, lid 2, tweede alinea, van die richtlijn door de lidstaten vastgesteld, maar mag niet korter zijn dan drie jaar en niet langer dan zeven jaar te rekenen vanaf de in artikel 14, lid 2, van diezelfde richtlijn vermelde data, namelijk 10 september 2008 voor houders van een rijbewijs van een van de categorieën D1, D1+E, D, D+E of van een als gelijkwaardig erkend rijbewijs en 10 september 2009 voor houders van een rijbewijs van een van de categorieën C1, C1+E, C, C+E of van een als gelijkwaardig erkend rijbewijs.
39
Voorts blijkt uit bijlage I bij richtlijn 2003/59, met als opschrift ‘Minimumeisen voor de beroepskwalificatie en -opleiding’, gelezen in het licht van overweging 10 van die richtlijn, dat die richtlijn een minimumharmonisatie van de nationale bepalingen inzake de basiskwalificatie en de nascholing van bestuurders van bepaalde voor goederen- en personenvervoer over de weg bestemde voertuigen tot stand brengt.
40
Dientengevolge is de lidstaten niet de mogelijkheid ontnomen om de in artikel 4 van richtlijn 2003/59 bedoelde bestuurders aanvullende voorwaarden op te leggen voor het besturen van bepaalde voor goederen- en personenvervoer over de weg bestemde voertuigen.
41
Wat meer in het bijzonder artikel 4 juncto artikel 14, lid 2, van die richtlijn betreft, volgens hetwelk de houders van bepaalde categorieën rijbewijzen ter waarborging van de verworven rechten bij wijze van overgangsmaatregel in aanmerking komen voor een vrijstelling van de verplichting tot het behalen van de basiskwalificatie, moet ervan worden uitgegaan dat dit artikel zich ertoe beperkt een minimumharmonisatie van de nationale bepalingen tot stand te brengen.
42
Voorts zou het in strijd zijn met de systematiek van richtlijn 2003/59 indien de lidstaten, terwijl zij aanvullende vereisten inzake de verplichting tot het behalen van de basiskwalificatie kunnen opleggen, geen aanvullende voorwaarden voor de vrijstelling van diezelfde verplichting kunnen stellen.
43
Volgens vaste rechtspraak van het Hof belet een minimumharmonisatie de lidstaten niet om strengere maatregelen te handhaven of vast te stellen, mits die maatregelen het door de betrokken richtlijn voorgeschreven resultaat niet ernstig in gevaar kunnen brengen (zie in die zin arrest van 23 november 2006, Lidl Italia, C-315/05, EU:C:2006:736, punt 48) en in overeenstemming zijn met het VWEU (zie in die zin arresten van 23 april 2009, Scarpelli, C-509/07, EU:C:2009:255, punt 24; 10 september 2009, Commissie/België, C-100/08, niet gepubliceerd, EU:C:2009:537, punt 70; 1 maart 2012, Akyüz, C-467/10, EU:C:2012:112, punt 53, en 25 april 2013, Jyske Bank Gibraltar, C-212/11, EU:C:2013:270, punt 60).
44
Dergelijke maatregelen kunnen, ondanks het beperkende effect ervan, gerechtvaardigd zijn voor zover zij beantwoorden aan een dwingende reden van algemeen belang, geschikt zijn om de verwezenlijking van het gestelde doel te waarborgen en niet verder gaan dan ter verwezenlijking van dat doel noodzakelijk is (zie in die zin arrest van 25 april 2013, Jyske Bank Gibraltar, C-212/11, EU:C:2013:270, punt 60).
45
Derhalve moet worden nagegaan of een rechtvaardiging bestaat voor een voorwaarde als die welke wordt gesteld door de in het hoofdgeding aan de orde zijnde regeling, volgens welke bestuurders om een getuigschrift van vakbekwaamheid als bestuurder te verkrijgen, niet alleen houder moeten zijn van een rijbewijs van de categorie D1, D1+E, D of D+E of een gelijkwaardig rijbewijs, dat vóór 10 september 2008 is afgegeven, of een rijbewijs C1, C1+E, C of C+E of een gelijkwaardig rijbewijs, dat vóór 10 september 2009 is afgegeven, zoals is vereist krachtens richtlijn 2003/59, maar ook een voorafgaande nascholingscursus van 35 uur moeten volgen.
46
Vaststaat dat die voorwaarde bijdraagt tot de verwezenlijking van de in de overwegingen 4 en 5 van richtlijn 2003/59 genoemde doelstellingen, namelijk het garanderen van de kwaliteit van de bestuurders en het verbeteren van de verkeersveiligheid en de veiligheid van de bestuurders.
47
Bovendien kan een dergelijk aanvullend vereiste niet worden geacht verder te gaan dan noodzakelijk is ter verwezenlijking van die doelstellingen.
48
In dit verband zij allereerst erop gewezen dat dit vereiste alleen van toepassing is op personen die geen houder waren van een getuigschrift van vakbekwaamheid of een gelijkwaardig getuigschrift en derhalve niet of niet langer het beroep van bestuurder uitoefenden en dientengevolge niet waren onderworpen aan de in de ZZOZ neergelegde verplichting om jaarlijks hun professionele rijvaardigheid te verbeteren.
49
Vervolgens legt een bepaling als in het hoofdgeding, wat het voorwerp ervan betreft, een vereiste op dat gelijk is aan dat in artikel 8, lid 2, eerste alinea, onder b), van richtlijn 2003/59, gelezen in samenhang met deel 4 van bijlage I bij die richtlijn, volgens hetwelk bestuurders die hun getuigschrift op grond van artikel 4 van richtlijn 2003/59 hebben verkregen, een eerste opleiding van 35 uur moeten volgen, en wel in beginsel binnen vijf jaar na 10 september 2008 voor houders van een rijbewijs D1, D1+E, D of D+E of een gelijkwaardig rijbewijs en binnen vijf jaar na 10 september 2009 voor houders van een rijbewijs C1, C1+E, C of C+E of een gelijkwaardig rijbewijs.
50
Bovendien kan zij niet worden geacht afbreuk te doen aan de verworven rechten van bestuurders, aangezien richtlijn 76/914, die is ingetrokken bij en vervangen door richtlijn 2003/59, in artikel 1, lid 3, voorzag in de mogelijkheid voor de lidstaten om voor het verkrijgen van het getuigschrift een opleiding te eisen die meer omvatte dan in de bijlage bij die eerste richtlijn was bepaald en voorts, zoals de verwijzende rechter opmerkt, de Tsjechische regeling reeds vóór de omzetting van richtlijn 2003/59 bij wet nr. 374/2007 in de ZZOZ bepaalde dat het bezit van een geschikt rijbewijs niet volstond om de onder de betrokken richtlijn vallende voertuigen te besturen en dat, zoals blijkt uit punt 15 van het onderhavige arrest, bestuurders van die voertuigen verplicht waren om hun rijvaardigheid te verbeteren door middel van jaarlijkse opleidingen.
51
Ten slotte is een aanvullend vereiste als dat in het hoofdgeding, niet in strijd met artikel 15 van het Handvest. Volgens artikel 52, lid 2, van het Handvest kunnen aan de door dat artikel gewaarborgde rechten immers beperkingen worden gesteld, op voorwaarde dat die beperkingen daadwerkelijk beantwoorden aan door de Unie nagestreefde doelstellingen van algemeen belang en, het nagestreefde doel in aanmerking genomen, niet zijn te beschouwen als een onevenredige en onduldbare ingreep waardoor de gewaarborgde rechten in hun kern worden aangetast (zie in die zin arresten van 30 juni 2005, Alessandrini e.a./Commissie, C-295/03 P, EU:C:2005:413, punt 86 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 4 juli 2013, Gardella, C-233/12, EU:C:2013:449, punt 39). Zoals is vastgesteld in punt 47 van het onderhavige arrest, voldoet een regeling als die in het hoofdgeding aan die vereisten.
52
Bijgevolg moet op de prejudiciële vraag worden geantwoord dat artikel 4 van richtlijn 2003/59 aldus moet worden uitgelegd dat het zich niet verzet tegen een nationale regeling als die in het hoofdgeding, op grond waarvan aan de personen die in aanmerking komen voor de in dat artikel bedoelde vrijstelling van de verplichting tot het behalen van de basiskwalificatie van bestuurder van bepaalde voor goederen- en personenvervoer over de weg bestemde voertuigen, een vereiste van voorafgaande nascholing van 35 uur wordt opgelegd voor het besturen van de betrokken voertuigen.
Kosten
53
Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Achtste kamer) verklaart voor recht:
Artikel 4 van richtlijn 2003/59/EG van het Europees Parlement en de Raad van 15 juli 2003 betreffende de vakbekwaamheid en de opleiding en nascholing van bestuurders van bepaalde voor goederen- en personenvervoer over de weg bestemde voertuigen, tot wijziging van verordening (EEG) nr. 3820/85 van de Raad en richtlijn 91/439/EEG van de Raad en tot intrekking van richtlijn 76/914/EEG van de Raad moet aldus worden uitgelegd dat het zich niet verzet tegen een nationale regeling als die in het hoofdgeding, op grond waarvan aan de personen die in aanmerking komen voor de in dat artikel bedoelde vrijstelling van de verplichting tot het behalen van de basiskwalificatie van bestuurder van bepaalde voor goederen- en personenvervoer over de weg bestemde voertuigen, een vereiste van voorafgaande nascholing van 35 uur wordt opgelegd voor het besturen van de betrokken voertuigen.
ondertekeningen
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 07‑07‑2016