NJ 2025/114
Bijkomende straf ‘ontzetting van het recht tot uitoefening van beroep’. Het beroep moet voldoende bepaald zijn a.b.i. art. 28 lid 1 sub 5 Sr.
HR 25-03-2025, ECLI:NL:HR:2025:450
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
25 maart 2025
- Magistraten
Mrs. M.J. Borgers, M. Kuijer, C. Caminada
- Zaaknummer
23/03435
- Conclusie
A-G mr. B.F. Keulen
- Noot
Red. Aant.
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- JCDI
JCDI:BSD10436:1
- Vakgebied(en)
Materieel strafrecht / Sancties
Fiscaal strafrecht (V)
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:2025:450, Uitspraak, Hoge Raad, 25‑03‑2025
ECLI:NL:PHR:2024:1207, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 12‑11‑2024
Beroepschrift, Hoge Raad, 01‑08‑2024
- Wetingang
Essentie
Het hof heeft de verdachte van het recht ontzet tot uitoefening van het beroep van ‘ondernemer, in of buiten rechtspersoonlijkheid’. Een dergelijk ondernemerschap, zonder nadere specificatie, kan niet kan worden aangemerkt als de uitoefening van een voldoende bepaald beroep, als bedoeld in art. 28 lid 1 aanhef en onder 5° Sr.
Samenvatting
Het cassatiemiddel klaagt over de door het hof opgelegde bijkomende straf van ontzetting van het recht van de verdachte om het beroep van ‘ondernemer, in of buiten rechtspersoonlijkheid’ uit te oefenen.
Op grond van art. 28 lid 1 Sr kan een ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.